ECLI:NL:RBOVE:2026:3945

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
84.137142.22 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrArt. 322 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte van heling wegens ontbreken bewijs van verduistering houtvoorraad

De rechtbank Overijssel behandelde op 9 juli 2026 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van feitelijke leiding geven aan heling van 769 bundels hout door [bedrijf 1] B.V. in de periode 2016-heden. De verdenking was gebaseerd op aangiften van faillissementsfraude en een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD.

De rechtbank stelde vast dat hoewel de digitale voorraadadministratie van [bedrijf 2] B.V. op 1 oktober 2019 de verwijdering van de bundels hout registreerde, er geen fysiek spoor van deze goederen werd gevonden. Ook kon niet worden vastgesteld wie feitelijk de beschikkingsmacht over het hout had en waar en wanneer het hout geleverd zou zijn.

Omdat de medeverdachte van verduistering werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs, kon niet worden vastgesteld dat het hout uit een misdrijf afkomstig was. Hierdoor kon ook niet bewezen worden dat verdachte opzettelijk leiding gaf aan heling. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van de tenlastelegging.

De uitspraak benadrukt het belang van concreet bewijs van de fysieke goederenstroom en het ontbreken daarvan leidt tot vrijspraak. De zaak illustreert de complexiteit van bewijsvoering bij economische delicten zoals heling en verduistering binnen faillissementen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van heling wegens ontbreken van bewijs dat het hout uit een misdrijf afkomstig was.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.137142.22 (P)
Datum vonnis: 9 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats],
woonachtig in het buitenland, volgens opgave van de raadsvrouw ter zitting op dit moment woonachtig in [woonplaats] (Portugal).

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de gemachtigde raadsvrouw mr. J. Klomp, advocaat in Enschede, namens verdachte naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] B.V. (mede)plegen van heling van 769 bundels hout in de periode van 1 januari 2016 tot en met heden.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V
op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met
heden te [plaats] en/of (elders) in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen, althans alleen,
769 bundels hout (betrekking hebbende op de voorraadlocatie ‘[locatie]’ van
[bedrijf 2] B.V.), althans een (grote) hoeveelheid hout,
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,
terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het
voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden,
dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte (telkens)
opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedragingen
verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.
3. De bewijsmotivering [1]
3.1
Inleiding en aanleiding onderzoek
Verdachte (hierna ook [verdachte]) is als volgt gelieerd aan de onderneming [bedrijf 1] B.V. (hierna [bedrijf 1]). [bedrijf 1] is op 14 oktober 2015 opgericht met [bedrijf 3] B.V. als bestuurder. [2] [verdachte] is bestuurder van [bedrijf 3] B.V. [3]
Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna [medeverdachte]) waren met elkaar gehuwd.
[bedrijf 2] B.V. (hierna [bedrijf 2]) is op 22 december 1975 opgericht. Medeverdachte [medeverdachte] was als volgt gelieerd aan de onderneming [bedrijf 2]. . Vanaf 30 maart 2009 was [bedrijf 4] B.V. de bestuurder van [bedrijf 2]. [4] Medeverdachte [medeverdachte] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 4] B.V. [5]
[bedrijf 2] is op 7 november 2019 failliet verklaard. In het faillissement van [bedrijf 2] werd mr. A.C. Blankestijn als curator aangesteld. [6]
[bedrijf 2] hield zich bezig met de in- en verkoop van (hard)hout aan bedrijven.
[bedrijf 1] houdt zich bezig met het online verhandelen van (hard)hout en bouwmaterialen aan particulieren.
De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is gelegen in de aangifte van faillissementsfraude op 19 februari 2020 door de curator in het faillissement van [bedrijf 2] en in de aangifte van de ING Bank N.V. (hierna ING) op 30 juli 2021 tegen [medeverdachte]. Onder de naam Addingham is door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het laste gelegde feit heeft gepleegd.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken primair omdat geen sprake is geweest van verduistering van de bundels hout door [bedrijf 2] en dus geen sprake is van de situatie dat het hout uit misdrijf afkomstig was. Subsidiair is aangevoerd dat geen sprake is van enige wetenschap van verdachte dat het hout uit misdrijf afkomstig was dan wel dat verdachte dit redelijkerwijs moest vermoeden.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit de aangifte van faillissementsfraude door de curator volgt het vermoeden van verduistering in dienstbetrekking door verdachte van 769 bundels hout. De aangifte benoemt dat de door de curator ingeschakelde forensisch accountant heeft geconstateerd dat op 1 oktober 2019 onder meer 769 bundels hout (die geregistreerd stonden op voorraadlocatie '[locatie]') verwijderd zijn uit de digitale voorraadadministratie van [bedrijf 2]. Uit nader onderzoek bleek dat deze bundels hout zijn ingekocht in de periode 2016 tot en met 2019. Deze voorraad hout is fysiek niet aangetroffen door de curator. Het vermoeden rees dat [bedrijf 1] dit hout heeft ontvangen van [bedrijf 2], zonder ervoor te betalen. [bedrijf 1] zou vermoedelijk dit hout via haar eigen webshop hebben verkocht, hetgeen als heling aan [bedrijf 1] is ten laste gelegd, en aan welk strafbaar feit [verdachte] feitelijke leiding zou hebben gegeven.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat in de periode van 2016 tot en met 2019 769 bundels hout zijn ingekocht door [bedrijf 2]. Ook kan worden vastgesteld dat deze bundels hout op 1 oktober 2019 (digitaal) zijn verwijderd uit de voorraadadministratie en dat de verwijdering is verricht vanaf het gebruikersaccount van [medeverdachte] en dat [medeverdachte] aan zijn extern systeembeheerder hiertoe opdracht had gegeven. Ten aanzien van de fysieke goederenstroom ontbreekt evenwel ieder spoor. De rechtbank kan daarmee niet vaststellen waar en wanneer deze 769 bundels hout feitelijk zijn geleverd binnen het ruime tenlastegelegde tijdsbestek van drie jaren en wie wanneer de beschikkingsmacht hierover had. Nu dit niet duidelijk is, kan niet worden vastgesteld dat [bedrijf 2] of verdachte [medeverdachte] de ingekochte bundels daadwerkelijk ‘onder zich had’ in de zin van artikel 322 in Pro samenhang met artikel 321 Sr Pro. De rechtbank heeft [medeverdachte] om die reden vrijgesproken van verduistering in dienstbetrekking.
Dat impliceert, gelet op het onderlinge verband en samenhang met de tenlastelegging van [bedrijf 1], dat niet kan worden vastgesteld dat de 769 bundels, althans een grote hoeveelheid hout door [medeverdachte] door verduistering in dienstbetrekking was verkregen. Uit het dossier kan ook overigens niet het bewijs worden geput dat dit hout, dat HBO daadwerkelijk zou hebben verkregen dan wel aanwezig zou hebben gehad, anderszins van een voorafgaand misdrijf afkomstig was. Reeds hierom heeft de rechtbank [bedrijf 1] van opzet-, dan wel schuldhelding vrijgesproken. Dit impliceert dat van opdracht geven tot, dan wel feitelijke leiding geven aan die misdrijven evenmin sprake kan zijn en verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

4.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. F.M.A. ‘t Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD / Belastingdienst met dossiernummer 6068201 (onderzoeksnaam Addingham).
2.Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 3] van 8 oktober 2020, pagina 1527 (DOC-042).
3.Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 3] B.V. van 31 mei 2022, pagina 1575 (DOC-052).
4.Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 2]. van 8 oktober 2020, pagina 1313 (DOC-005).
5.Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 4] B.V.. van 8 oktober 2020, pagina’s 1691-1692 (DOC-056).
6.Een geschrift, zijnde het vonnis faillietverklaring van de rechtbank van Overijssel van 7 november 2019, pagina’s 1697-1698 (DOC-057).