ECLI:NL:RBOVE:2026:3918

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 25/1786
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 1:2, derde lid, AwbOmgevingswetWet algemene bepalingen omgevingsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen tijdelijke omgevingsvergunning wegens ontbreken procesbelang

Deze uitspraak betreft het beroep van een groep natuurlijke personen en rechtspersonen tegen een tijdelijke omgevingsvergunning voor een modelvliegtuiglocatie met schuilplek te Enschede. De vergunning had een instandhoudingstermijn tot 31 december 2025, welke inmiddels is verstreken.

De rechtbank stelt vast dat belanghebbenden alleen beroep kunnen instellen als zij een belang van enige betekenis hebben. Hoewel sommige eisers als belanghebbenden zijn erkend, is het beroep mede ingesteld tegen een vergunning waarvan de geldigheidsduur is verstreken. Hierdoor ontbreekt het procesbelang bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.

De rechtbank overweegt dat een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de tijdelijke vergunning niet kan worden betrokken bij de toetsing van de inmiddels verleende permanente omgevingsvergunning, die op een ander wettelijk kader is gebaseerd. Ook is er al bezwaar gemaakt tegen deze permanente vergunning.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk. Eisers krijgen geen griffierecht terug en geen vergoeding van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de tijdelijke omgevingsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1786

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] e.a., uit [woonplaats],

(gemachtigde: mr. J.H.B. Averdijk),
en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede

(gemachtigde: [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en mr. A.D. Haja).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Twentse Radio Modelvlieg Club (TRMC) uit Enschede (de vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college tot het verlengen van de instandhoudingstermijn tot 31 december 2025 van de omgevingsvergunning voor het oprichten van een modelvliegtuiglocatie met schuilplek op het perceel Badweg, tegenover 55, te Enschede. [eiser] e.a. zijn het hier niet mee eens.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiser] e.a. geen procesbelang meer hebben bij de beoordeling van hun beroep. De geldigheidsduur van de omgevingsvergunning is verstreken en een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning kan niet worden betrokken bij eventuele toekomstige besluitvorming. Het beroep van [eiser] e.a. is daarmee niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Het college heeft op 13 juni 2022 aan TRMC een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een modelvliegtuiglocatie met schuilplek op het perceel Badweg, tegenover 55, te Enschede, met een instandhoudingstermijn van twee jaren (hierna: de eerste tijdelijke omgevingsvergunning).
4. Bij uitspraak van 30 juli 2024 heeft de rechtbank het door [eiser] e.a. tegen deze omgevingsvergunning ingestelde beroep ongegrond verklaard. [1] Het hoger beroep tegen deze uitspraak is ten tijde van deze uitspraak nog niet behandeld.
5. Bij besluit van 13 juni 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een modelvliegtuiglocatie met een instandhoudingstermijn van twee jaren, derhalve tot 31 december 2025 (hierna: de tweede tijdelijke omgevingsvergunning).
6. Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 op het bezwaar van [eiser] e.a. is het college bij dat besluit gebleven.
7. [eiser] e.a. hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Van [eiser] e.a. is verschenen [naam 1]. Verder hebben deelgenomen aan de zitting de gemachtigden van het college en namens TRMC: [naam 2], [naam 3] en [naam 4].

Beoordeling door de rechtbank

Belanghebbende
9. Het beroep is ingesteld door een groep natuurlijke personen en een viertal rechtspersonen. Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Dit houdt in dat diegene rechtstreeks gevolgen ondervindt van een besluit. Er moet dan wel sprake zijn van "gevolgen van enige betekenis". [2] Ten aanzien van rechtspersonen is in dit verband van belang dat op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
10. In de onder 4. genoemde uitspraak van 30 juli 2024 heeft de rechtbank zich eerder gebogen over de vraag in hoeverre de indieners van het beroep als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Voor wat betreft de natuurlijke personen achtte de rechtbank aannemelijk dat voor hen sprake is van gevolgen van enige betekenis. Zij zijn daarom destijds door de rechtbank allen als belanghebbende bij het besluit aangemerkt. Datzelfde geldt voor twee rechtspersonen (Stichting Edwina van Heek en Natuur- en Milieuraad Enschede) die opnieuw mede-indieners zijn van onderhavig beroep. Dat voornoemde (rechts)personen belanghebbenden zijn is ook niet in geschil tussen partijen. De rechtbank sluit zich bij het eerdere oordeel van deze rechtbank aan.
11. Het beroep is opnieuw mede ingediend door de Stichting Dorpsraad Boekelo. De rechtbank heeft in de uitspraak van 30 juli 2024 geoordeeld dat de Stichting moet worden aangemerkt als een inspraakorgaan dat belast is met de behartiging van het algemeen belang van de inwoners van Boekelo en omgeving en dat een dergelijk inspraakorgaan in een situatie waarin beroep openstaat voor belanghebbenden, niet kan opkomen ter bescherming van algemene en collectieve belangen, omdat de woorden "in het bijzonder" aan het slot van artikel 1:2, derde lid, van de Awb zich daartegen verzetten. De rechtbank neemt deze overweging over en oordeelt dat de Stichting niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit en dat het ingediende beroep door de Stichting Dorpsraad Boekelo om deze reden niet-ontvankelijk is.
12. Onderhavig beroep is verder mede ingediend door Maatschap [bedrijf]. De maatschap, althans de individuele maten zijn kennelijk eigenaar van grond, gelegen nabij de modelvliegtuiglocatie waar de maatschap agrarische activiteiten onderneemt door middel van het houden van vee. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat de maatschap in haar bedrijfseconomische belangen kan worden geraakt door het bestreden besluit en dat zij daarom belanghebbende is bij dat besluit. Het beroep ingediend door Maatschap [bedrijf] is ontvankelijk.
Het procesbelang
13. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld in hoeverre [eiser] e.a. nog procesbelang hebben bij de inhoudelijke beoordeling van hun beroep, nu de geldigheidsduur van de tweede tijdelijke omgevingsvergunning reeds zes maanden is verstreken. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat [eiser] e.a. in beginsel geen belang meer hebben bij de behandeling van hun beroep. Dit kan anders zijn als een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen voor een omgevingsvergunning en de toetsing daarvan. [3] Een dergelijke situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor. Zij overweegt hiertoe als volgt.
14. Het college heeft op 17 december 2025 wederom een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een modelvliegtuiglocatie met schuilplek op het perceel Badweg, tegenover nummer 55. Deze omgevingsvergunning heeft, in tegenstelling tot de tweede tijdelijke omgevingsvergunning, evenwel een permanent karakter (hierna: de permanente omgevingsvergunning). Hoewel de permanente omgevingsvergunning ziet op dezelfde vergunde activiteit en locatie als de tweede tijdelijke omgevingsvergunning, valt niet uit te sluiten dat vanwege het onderscheid in looptijd andere factoren een rol spelen bij de beoordeling. Daarnaast is de permanente omgevingsvergunning verleend op basis van een ander wettelijk kader, namelijk de Omgevingswet, terwijl de tweede tijdelijke omgevingsvergunning is verleend op grond van het oude recht, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De juridische toets van de permanente omgevingsvergunning is daardoor niet per se dezelfde als die van de tweede tijdelijke omgevingsvergunning. Tot slot is er reeds bezwaar aanhangig gemaakt door [eiser] e.a. tegen de permanente omgevingsvergunning. Dit alles maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake kan zijn van een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning dat betrokken kan worden bij toetsing van de permanente omgevingsvergunning dan wel andere (toekomstige) besluiten voor de betreffende locatie.
15. Gelet op het voorgaande hebben [eiser] e.a. geen procesbelang bij hun beroep. Het beroep dient dan ook wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. [eiser] e.a. krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Berlo, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Deze procedure stond bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer ZWO 23/1143.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3103, r.o. 2.2.