Uitspraak
nRECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats]
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 (verder: het tijdvak) in het kader van een dienstverband werkzaam is geweest voor een zorgaanbieder (sub a);
- veelvuldig en intensief zorg heeft verleend aan patiënten met COVID-19 of daarbij nauw betrokken zijn geweest (sub b);
- in het tijdvak van de pandemie heeft gemeld wegens ziekte niet te werken (sub c);
- langdurige post-COVID klachten heeft die vóór 1 juni 2023 zijn geconstateerd door een arts (sub d) en
- als gevolg van de klachten die hebben geleid tot de ziekmelding in het tijdvak ten minste 104 weken ziek is met langdurige post-COVID klachten en na deze 104 weken ofwel volledig en duurzaam, dan wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, ofwel in staat is met arbeid ten hoogste 100% te verdienen van het maatmaninkomen per uur als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van langdurige post-COVID klachten (sub e).
Het beroep
Tot sept mee behebt geweest (zweterig, moe, loopneus)’. Deze verklaring heeft zij op 21 juli 2021 herhaald bij de specialist Sportgeneeskunde.
Dat de klachten van [eiseres] door artsen zijn geduid als post-COVID klachten en in verband zijn gebracht met onbeschermd contact met coronapatiënten op haar werk, is naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden voldoende om te spreken van een vermoedelijke COVID-19 besmetting in het tijdvak.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 maart 2025;
- herroept het besluit van 15 november 2024;
- bepaalt dat [eiseres] in aanmerking komt voor financiële ondersteuning als bedoeld in de Regeling zorgmedewerkers met langdurige post-COVID klachten ten bedrage van € 24.010,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan [eiseres] moet vergoeden.