ECLI:NL:RBOVE:2026:3896

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
ak_25_2324
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 SLIM-regelingArt. 15 SLIM-regeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op subsidievaststelling SLIM-regeling voor loopbaanadvies

Verzoeker heeft een subsidie aangevraagd in het kader van de SLIM-regeling voor drie onderdelen, waaronder de B-activiteit: loopbaan- en ontwikkeladvies. De minister stelde de subsidie vast op € 18.768,- waarbij voor de B-activiteit geen subsidie werd toegekend omdat niet kon worden aangetoond dat aan de voorwaarden was voldaan.

De voorwaarden vereisen onder meer dat elke deelnemer minimaal vier uur individuele gesprekken heeft gehad en dat prestatieverklaringen door zowel deelnemer als loopbaanadviseur zijn ondertekend. Verzoeker voerde aan dat de prestatieverklaringen inhoudelijk correct waren en dat de loopbaanadviseur de verklaringen achteraf had bevestigd.

De rechtbank oordeelt echter dat de verantwoording onvoldoende controleerbaar is. De prestatieverklaringen zijn niet door de juiste persoon ondertekend en er is onduidelijkheid over welke gesprekken door wie zijn gevoerd. Ook is er een discrepantie tussen de urenverantwoording in de verklaringen en de achteraf opgegeven uren.

Daarom is het niet vast te stellen dat aan de voorwaarden is voldaan en is de subsidievaststelling voor de B-activiteit terecht op nul gesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en verzoeker krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De subsidie voor de B-activiteit is terecht op nul vastgesteld en het beroep is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2324

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker], uit [vestigingsplaats],

hierna: [verzoeker]
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(gemachtigde: mr. R.A. van der Oord en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de definitieve subsidievaststelling door de minister aan [verzoeker] in het kader van de Stimuleringsregeling leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen (SLIM-regeling). [verzoeker] is het niet eens met de hoogte van de subsidievaststelling. Zij voert daartoe aan dat er wel is voldaan aan de voorwaarden van de SLIM-regeling met betrekking tot de B-activiteit (loopbaan- en ontwikkeladvies).
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat niet te controleren is of voor de B-activiteit aan de voorwaarden van de SLIM-regeling is voldaan en dat daarmee de subsidie voor dit onderdeel terecht op € 0,- is vastgesteld. [verzoeker] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarmee ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. [verzoeker] heeft op 25 september 2023 bij de minister een subsidieaanvraag gedaan in het kader van de SLIM-regeling. Deze regeling richt zich op het stimuleren van leren en ontwikkelen van medewerkers die werkzaam zijn in het midden- en kleinbedrijf (mkb).
4. Bij beschikking van 11 januari 2024 heeft de minister de subsidieaanvraag goedgekeurd en een subsidie verleend ter hoogte van in totaal € 25.000,-, voor drie onderdelen. Deze zijn: (A) doorlichting van de onderneming, (B) verkrijgen loopbaan- en ontwikkeladvies en (C) het ontwikkelen of invoeren van een methode.
5. Op 29 november 2024 heeft [verzoeker] een verzoek tot vaststelling van subsidie bij de minister ingediend, inclusief een verslag van de uitgevoerde activiteiten en een overzicht van de kosten per activiteit.
6. De minister heeft op 23 januari 2025 naar aanleiding van het verzoek tot vaststelling van subsidie een aantal vragen gesteld aan [verzoeker]. [verzoeker] heeft op deze vragen gereageerd op 4 februari 2025.
7. Op 11 februari 2025 heeft de minister aan [verzoeker] het voornemen bekend gemaakt om de subsidie op € 18.768,- vast te stellen. De minister ziet aanleiding om de kosten voor de B-activiteit (loopbaan- en ontwikkeladvies) te corrigeren en geen subsidie hiervoor toe te kennen, omdat uit de aangeleverde verantwoording niet kan worden opgemaakt dat iedere deelnemer minimaal vier uren aan individuele gesprekken heeft gehad en geen van de trajecten daarmee in aanmerking komt voor subsidie. [verzoeker] heeft gereageerd op dit voornemen.
8. Bij beschikking van 21 februari 2025 heeft de minister het subsidiebedrag vastgesteld op € 18.768,-.
9. Met het bestreden besluit van 1 augustus 2025 op het bezwaar van [verzoeker] is de minister bij het besluit van 21 februari 2025 gebleven.
10. [verzoeker] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
11. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben digitaal deelgenomen: de gemachtigde van [verzoeker] en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunt van partijen
12. In het bestreden besluit is de minister gebleven bij zijn standpunt dat de subsidie voor activiteit B (loopbaan- en ontwikkeladvies) op € 0,- dient te worden vastgesteld, omdat uit de overgelegde prestatieverklaringen niet kan worden opgemaakt dat in het kader van de loopbaantrajecten ten minste vier uren aan individuele gesprekken hebben plaatsgevonden. Dit is wel een vereiste volgens artikel 4, tweede lid, van de SLIM-regeling. Ook wordt er volgens de minister niet voldaan aan de voorwaarde uit artikel 15, zesde lid, onderdeel b, van de SLIM-regeling, waarin is voorgeschreven dat de prestatieverklaringen van de afgeronde loopbaantrajecten wordt ondertekend door de deelnemer en de loopbaanadviseur. In de helft van de prestatieverklaringen die zijn overgelegd door [verzoeker] heeft namelijk niet de loopbaanadviseur (de heer [naam 1]) de prestatieverklaring ondertekend, maar de opdrachtnemer en supervisor van het traject (de heer [gemachtigde 1]).
13. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de minister de voorwaarden uit de SLIM-regeling te strikt en disproportioneel toepast. De overgelegde prestatieverklaringen zijn inhoudelijk correct. De prestatieverklaringen van de loopbaantrajecten die door de heer [naam 1] zijn uitgevoerd, maar door de heer [gemachtigde 1] zijn ondertekend, moeten alsnog geaccepteerd worden. De heer [naam 1] heeft achteraf namelijk schriftelijk bevestigd dat de inhoud van de prestatieverklaringen correct is. Ook hebben de individuele gesprekken in het kader van de loopbaantrajecten allemaal minimaal 4 uren geduurd. Dat blijkt uit de overgelegde prestatieverklaringen in combinatie met de verantwoording die [verzoeker] in reactie op de vragen van de minister heeft afgelegd.
De beoordeling
14. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat niet te controleren is of voor de B-activiteit aan de voorwaarden van de SLIM-regeling is voldaan en dat daarmee de subsidie voor dit onderdeel op € 0,- moet worden vastgesteld. Zij overweegt hiertoe als volgt.
15. Volgens artikel 15, zesde lid, onderdeel b, van de SLIM-regeling moeten de prestatieverklaringen van de loopbaantrajecten worden ondertekend door de deelnemer en de uitvoerende loopbaanadviseur. Voor de helft van de trajecten heeft de heer [naam 1] als loopbaanadviseur opgetreden, terwijl alle prestatieverklaringen door de heer [gemachtigde 1] zijn ondertekend. Uit de individuele prestatieverklaringen volgt verder niet duidelijk welke loopbaanadviseur ([naam 1] of [gemachtigde 1]) welke gesprekken met welke deelnemers heeft gevoerd. Het ontbreekt daarom aan overzicht in de verantwoording. De verklaring achteraf van de heer [naam 1] is onvoldoende om dat te herstellen.
16. De rechtbank overweegt verder dat de urenverantwoording achteraf van [verzoeker] niet strookt met de urenverantwoording die op de prestatieverklaringen is gegeven. Volgens de SLIM-regeling moeten er ten minste vier uren aan individuele gesprekken hebben plaatsgevonden. In de prestatieverklaringen wordt een beeld geschetst dat in die vier uren ook groepssessies hebben plaatsgevonden en/of een test is afgenomen. Dat [gemachtigde 1] achteraf als loopbaanadviseur en opdrachtnemer een urenverantwoording heeft afgelegd die afwijkt van dit beeld en waaruit moet blijken dat er wel minimaal vier uren per persoon is besteed aan individuele gesprekken doet aan de urenverantwoording op de prestatieverklaringen niet af. De gemachtigde van [verzoeker] heeft op de zitting voor de discrepantie tussen beide urenverantwoordingen geen plausibele verklaring gegeven.
17. Juist in het kader van subsidieverlening is het van belang dat de subsidiabele activiteiten controleerbaar en inzichtelijk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank schiet de verantwoording van [verzoeker] voor wat betreft de B-activiteit juist hierin tekort.
18. Gelet op het voorgaande mocht de minister tot de conclusie komen dat niet is vast te stellen of [verzoeker] aan de voorwaarden van de SLIM-regeling is voldaan. De subsidie voor de B-activiteit is daarom terecht op € 0,- vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [verzoeker] geen gelijk krijgt. [verzoeker] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.