ECLI:NL:RBOVE:2026:3799

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
4 juli 2026
Zaaknummer
11905391 \ CV EXPL 25-2962
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 157 lid 2 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering betaling op grond van geldleningsovereenkomst met dwingende bewijskracht

Eiser vordert betaling van €25.000 op grond van een geldleningsovereenkomst die zij met gedaagde heeft gesloten. Gedaagde betwist de overeenkomst en wijst een derde aan als schuldenaar. Eiser legt een ondertekende geldleningsovereenkomst en een verklaring van een derde over die bevestigt dat het geld op diens rekening is gestort op verzoek van gedaagde.

Gedaagde voert aan dat de schuld door de derde is erkend en terugbetaald in termijnen, en dat zij niet betrokken is bij de schuld. De kantonrechter stelt vast dat eiser de overeenkomst moet bewijzen, wat zij doet met een onderhandse akte die dwingende bewijskracht heeft. Gedaagde betwist de ondertekening niet, maar levert geen tegenbewijs.

De kantonrechter oordeelt dat de betwisting onvoldoende is onderbouwd en wijst de vordering toe, verminderd met €5.000 die reeds is betaald. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €20.000 plus wettelijke rente vanaf 17 september 2025 en tot betaling van de proceskosten van €2.175,45. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €20.000 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11905391 \ CV EXPL 25-2962
Vonnis van 23 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. C. van der Ven.
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1
[eiser] vordert betaling van [gedaagde] op grond van een geldleningsovereenkomst. [gedaagde] betwist een geldleningsovereenkomst met [eiser] te hebben gesloten en wijst een derde als schuldenaar aan. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe, omdat de door [eiser] in het geding gebrachte ondertekende geldleningsovereenkomst dwingende bewijskracht oplevert.

2.De procedure

2.1
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 april 2026,
- de akte uitlating van 30 april 2026 van de zijde van [eiser] .
2.2
[gedaagde] heeft hierna, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd.
2.3
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
3.1
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] op grond van een tussen partijen gesloten geldleningsovereenkomst gehouden is tot terugbetaling van € 25.000,00. [eiser] heeft gesteld dat zij met [gedaagde] een geldleningsovereenkomst gesloten heeft, op grond waarvan [gedaagde] verplicht is tot terugbetaling. [eiser] heeft ter onderbouwing van haar stelling een ondertekende geldleningsovereenkomst in het geding gebracht. Daarnaast heeft [eiser] een getekende verklaring van dhr. [naam] (hierna te noemen: [naam] ) in het geding gebracht, waar kort gezegd in staat dat hij het door [gedaagde] geleende geldbedrag op verzoek van [gedaagde] op zijn bankrekening heeft laten storten, omdat [gedaagde] geen toegang had tot haar eigen bankrekening. [eiser] vordert daarom (terug)betaling van de geldlening, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2
[gedaagde] is hier hiermee niet eens. Zij voert aan dat de schuld niet door haar is aangegaan en zij niet betrokken was, zij met [naam] is overeengekomen dat hij de schuld zou terugbetalen in vijf termijnen en [naam] de schuld heeft erkend en ook een (terug)betaling heeft gedaan.
Het beoordelingskader en de bewijslast
3.3
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering draagt de partij die die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten. [eiser] beroept zich op de rechtsgevolgen van een door haar gestelde overeenkomst. Omdat [gedaagde] gemotiveerd betwist dat er een overeenkomst tot stand is gekomen tussen haar en [eiser] is het aan [eiser] om (de totstandkoming van) de overeenkomst te bewijzen.
Bewijskracht van de overeenkomst
3.4
[eiser] heeft ter onderbouwing van haar stelling een ondertekende geldleningsovereenkomst overgelegd. Deze geldleningsovereenkomst kwalificeert als een onderhandse akte en heeft op grond van artikel 157, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dwingende bewijskracht. Door [gedaagde] is niet betwist dat zij de overeenkomst heeft ondertekend en de handtekening onder de overeenkomst komt overeen met haar handtekening op haar ID-kaart en op de processtukken. Dit betekent dat de kantonrechter dit bewijsmiddel dwingende bewijskracht heeft, waartegen door [gedaagde] tegenbewijs kan worden geleverd.
3.5
[gedaagde] heeft aan haar verweer ten grondslag gelegd dat [naam] de schuld heeft erkend, hij een terugbetaling aan [eiser] heeft gedaan en dat zij en [naam] zijn overeengekomen dat hij de schuld zou terugbetalen in vijf termijnen. Dit is door [eiser] gemotiveerd betwist en [gedaagde] heeft haar stellingen niet nader onderbouwd. Gelet op de dwingende bewijskracht van de door [eiser] ingebrachte onderhandse akte en de door [eiser] ingebracht verklaring van [naam] , komt de kantonrechter tot het oordeel dat [gedaagde] haar betwisting onvoldoende heeft onderbouwd. Het verweer van [gedaagde] slaagt daarom niet. De vordering van [eiser] tot betaling van € 25.000,00 zal daarom worden toegewezen, met uitzondering van de door [naam] betaalde € 5.000,00, aangezien partijen het erover eens zijn dat dit bedrag aan [eiser] is betaald in het kader van de geldleningsovereenkomst met [gedaagde] . Daarom zal een bedrag van € 20.000,00 worden toegewezen. De rente zal worden toegewezen vanaf de datum van verzuim.
De proceskosten
3.6
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.175,45

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 20.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 17 september 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.175,45 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.