ECLI:NL:RBOVE:2026:3712

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
zaak_C08347165__JE_RK_26-623_beschikking_02062026
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g lid 1 BWArt. 31 Verdrag van Istanbul
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling regie over zorg- en opvoedingstaken tussen minderjarige en vader na poging tot doodslag

De zaak betreft de verdeling van zorg- en opvoedingstaken over een minderjarige, waarbij de vader momenteel gedetineerd is vanwege poging tot doodslag op de moeder. De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt de regie over deze taken te krijgen om stapsgewijs toe te werken naar contact tussen vader en kind.

De moeder verzet zich tegen het verzoek vanwege het huiselijk geweld en de impact daarvan op het kind en zichzelf, terwijl de vader het belang van contact benadrukt en in hoger beroep gaat tegen zijn veroordeling. De kinderrechter weegt het belang van het kind, waarbij contact met beide ouders belangrijk is, maar veiligheid en stabiliteit voorop staan.

De kinderrechter besluit dat de GI de regie krijgt over de zorg- en opvoedingstaken, met een stapsgewijze opbouw van contact onder professionele begeleiding. De moeder moet maandelijks een update geven over het kind, maar het verzoek om voorleesfilmpjes via de moeder te laten verlopen wordt afgewezen. De beschikking wordt direct uitvoerbaar verklaard.

Uitkomst: De GI krijgt de regie over de zorg- en opvoedingstaken tussen de minderjarige en de vader, met een stapsgewijze opbouw van contact onder professionele begeleiding.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/347165 / JE RK 26-623
Datum uitspraak: 30 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bijgestaan door advocaat: mr. A. Huseinovic
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting (PI) te [locatie] ,
bijgestaan door advocaat: mr. A.H.J. Raaijmakers.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, beiden via MS-Teams;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat die via MS-Teams aanwezig was;
- [naam] namens de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 december 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 30 december 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt vast te stellen:
- Moeder mailt vader, via de jeugdbeschermer, eens per twee weken een update over [minderjarige] aan vader. Hierin staat beschreven hoe het met [minderjarige] gaat, waarin hij zich ontwikkelt en of er bijzonderheden zijn over zijn gezondheid of ontwikkeling. Hierbij stuurt moeder ook een foto van [minderjarige] ;
- Als vader uiterlijk na 01-06-2026 vrijkomt uit de PI, wordt (onder regie van de GI) toegewerkt naar een structureel en ontspannen contact van [minderjarige] met vader. Dit zal, tot anders wordt besloten, een professioneel begeleid contact zijn. Als vader na genoemde datum nog in de PI verblijft, werkt moeder mee aan een begeleid contact van [minderjarige] met vader in de PI [locatie] ;
- Moeder zorgt er, met de begeleiding van haar en [minderjarige] voor, dat [minderjarige] de berichten van vader (zoals de filmpjes waarin vader een boekje voorleest aan [minderjarige] ) krijgt. Moeder en begeleiding laten via de jeugdbeschermer aan vader weten hoe [minderjarige] hierop reageert.
De GI verzoekt tevens de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken.
3.2.
Ter aanvulling heeft de GI tijdens de zitting verduidelijkt dat de GI de regie wil over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen [minderjarige] en de vader. Het doel is om toe te werken naar een structureel, veilig en ontspannen contact tussen [minderjarige] en de vader. De GI vindt het voor [minderjarige] belangrijk dat de vader op enige wijze deel kan uitmaken in het leven van [minderjarige] . De GI ziet een moeder die daar niet aan kan meewerken, door wat er in het recente verleden is gebeurd. Vorige week is in de strafzaak van de vader uitspraak gedaan. De vader is een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar opgelegd, vanwege poging tot doodslag gericht tegen de moeder. Daarnaast zijn er aanvullende voorwaarden opgelegd, zoals een contactverbod met de moeder, uitgezonderd het overleg over [minderjarige] waarvoor de reclassering toestemming moet geven en onder begeleiding door een hulpverlener, zoals de jeugdbeschermer. De vader kan nog in hoger beroep tegen het vonnis.

4.De standpunten

4.1.
De moeder is het niet eens met het verzoek. De moeder begrijpt dat een kind een moeder én een vader nodig heeft, maar in dit geval is er sprake van huiselijk geweld. De vader is veroordeeld voor poging tot doodslag van de moeder. De vader gaat hiertegen in hoger beroep en erkent zijn aandeel niet. Het geweld van de vader tegen de moeder heeft plaatsgevonden in het bijzijn van [minderjarige] . Er is weinig zicht op wat [minderjarige] hiervan heeft meegekregen en wat dit betekent voor zijn ontwikkeling op de lange termijn. De vader heeft de moeder en [minderjarige] in een gevaarlijke situatie gebracht. Omgang tussen de vader en [minderjarige] is nu niet in het belang van [minderjarige] . De moeder zit met [minderjarige] in een ouder-kindtraject vanwege de mishandeling van de vader. De moeder en [minderjarige] hebben rust en tijd nodig voor het verwerken van het trauma. De moeder heeft hard gewerkt en heeft haar traumabehandeling afgerond. In de toekomst kan er wel onder begeleiding gewerkt worden aan contactherstel, maar nu is het nog te vroeg. Daarnaast vindt de moeder het verzoek niet concreet genoeg. Het is de moeder niet duidelijk hoe vaak en wanneer er omgang plaats zou moeten vinden. De moeder kan wel instemmen met een informatieregeling waarbij zij eens per maand een update geeft over [minderjarige] aan de vader, indien dit geen direct contact oplevert tussen de moeder en de vader. Met het laten zien van voorleesfilmpjes kan de moeder niet instemmen. Dit kan zij niet opbrengen, het horen van de stem van de vader vindt de moeder te moeilijk.
4.2.
De vader is het eens met het verzoek. De vader legt zich niet neer bij de strafrechtelijke veroordeling en zal in hoger beroep gaan, omdat hij ten onrechte is veroordeeld. De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige] niet betrokken wordt bij de problematiek tussen de ouders onderling. De vader heeft [minderjarige] al acht maanden niet gezien. Voor [minderjarige] is het gezond om zijn vader te leren kennen. De vader was eerst ook betrokken in de opvoeding van [minderjarige] en er was sprake van family life. [minderjarige] is 1,5 jaar oud. De vader meent dat als er geen contact met [minderjarige] komt, er ouderverstoting zal ontstaan. De GI heeft het verzoek zo ingericht dat er tussen de vader en de moeder geen rechtstreeks contact hoeft te zijn. De vader zou graag informatie en een foto van [minderjarige] willen ontvangen, maar één keer per maand is te weinig. De vader staat achter een opbouw in contact, waarbij er wordt toegewerkt naar een begeleide omgang met [minderjarige] in de PI. Het verzoek van de GI is uitvoerbaar en is in het belang van [minderjarige] .

5.De beoordeling

Het wettelijk criterium
5.1.
De kinderrechter kan op verzoek van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. [1]
De regie over de zorgregeling bij de GI
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat er een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld, waarbij de regie bij de GI komt te liggen. De kinderrechter legt deze beslissing hierna uit.
5.3.
Een algemeen uitgangspunt is dat het voor een kind van groot belang is voor zijn identiteitsontwikkeling om contact te hebben met de beide ouders. Een ander algemeen uitgangspunt is dat het contact veilig moet kunnen gebeuren, zowel voor het kind als voor de ouders. Dit volgt in het bijzonder uit artikel 31 van Pro het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul). Kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld, zijn ook slachtoffer van huiselijk geweld.
5.4.
Ook voor [minderjarige] spelen deze twee aspecten een belangrijke rol. Enerzijds is het voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] van belang dat hij weet wie zijn vader is en dat hij contact heeft met zijn vader. Anderzijds is het in [minderjarige] belang dat zijn veiligheid en die van zijn moeder zijn gegarandeerd.
5.5.
Hoewel de vader naar voren heeft gebracht dat hij in hoger beroep zal gaan tegen de veroordeling van de strafrechter en dat [minderjarige] buiten de problematiek van zijn ouders moet worden gehouden, heeft de kinderrechter wel degelijk rekening te houden met de veroordeling van de vader voor de poging tot doodslag van de moeder. Uit de kwalificatie en de zwaarte van de straf volgt dat er fors geweld heeft plaatsgevonden vanuit de vader richting de moeder. Het is de kinderrechter niet bekend wat [minderjarige] precies heeft meegekregen van het geweld vanuit de vader en van de ruzies tussen de ouders. Ook is niet bekend welk effect dit op [minderjarige] heeft, op de korte en de lange termijn. Wel staat vast dat er op dit moment geen problemen worden gesignaleerd in de ontwikkeling van [minderjarige] .
5.6.
De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel openstaat voor het onder begeleiding werken aan contactherstel tussen [minderjarige] en zijn vader, maar dat zij dat nu nog te vroeg vindt. De kinderrechter is echter van oordeel dat het gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] niet in zijn belang is nog langer de vader volledig uit het leven van [minderjarige] te houden. De vader heeft voor zijn detentie een belangrijke rol gespeeld in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en toont ook nu tijdens zijn detentie betrokkenheid richting [minderjarige] , onder andere door het opnemen van voorleesfilmpjes voor [minderjarige] . Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat juist nu een goed moment is om te bekijken hoe het contact tussen [minderjarige] en zijn vader kan worden vormgegeven. Er loopt een ondertoezichtstelling, de moeder en [minderjarige] verblijven in een moeder-kindhuis en de vader zit voorlopig in detentie. Er is daardoor een stabiele situatie waarin er onder professionele begeleiding, zowel van de reclassering als onder regie van de GI, en in een voorzichtig tempo kan worden onderzocht welk contact tussen [minderjarige] en zijn vader in het belang van [minderjarige] is.
5.7.
Daarbij ziet de kinderrechter dat de GI zo veel mogelijk rekening wil houden met de problematiek en traumaklachten van de moeder, waarbij er geen rechtstreeks contact tussen de moeder en de vader hoeft plaats te vinden. Ook voor [minderjarige] is dit belangrijk, omdat de moeder emotionele toestemming moet kunnen geven voor het contact tussen [minderjarige] en de vader.
5.8.
De kinderrechter is dan ook van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de GI de mogelijkheid krijgt om stapsgewijs toe te werken naar contact tussen [minderjarige] en de vader. Omdat [minderjarige] de vader al lange tijd niet gezien heeft en omdat onbekend is welk effect de gebeurtenissen uit verleden hebben op [minderjarige] , moet bij iedere stap aandacht zijn voor de reactie die [minderjarige] laat zien. Om [minderjarige] weer kennis te laten maken met de vader kan er bijvoorbeeld gestart worden met het laten zien van de voorleesfilmpjes, waarbij de vader een kinderboekje voorleest. Daar hoeft de moeder niet bij aanwezig te zijn, zodat zij niet onnodig wordt belast met beelden of stemgeluid van de vader. Het is aan de GI om te bepalen wat een goede eerste stap is. Als blijkt dat [minderjarige] goed reageert, kan de GI kijken naar een volgende stap. Als blijkt dat [minderjarige] niet goed reageert, zullen er andere keuzes gemaakt moeten worden. Het tempo van [minderjarige] is leidend.
5.9.
De kinderrechter is van oordeel dat de GI op deze manier het beste kan beoordelen welke vorm en frequentie van contact tussen [minderjarige] en de vader het meest in het belang van [minderjarige] is. Naar het oordeel van de kinderrechter moet het voor de GI mogelijk zijn om binnen de huidige duur van de ondertoezichtstelling een duidelijk plan vast te leggen wat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft.
De informatie- en consultatieregeling
5.10.
De GI baseert het verzoek voor het vastleggen van een informatie- en consultatieregeling ook op artikel 1:265g lid 1 BW. Dit artikel kan echter niet de grondslag bieden voor dit verzoek, nu deze bepaling ziet op het vastleggen of wijzigen van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Echter, er geldt voor de moeder zonder meer een wettelijke plicht om de vader te informeren over belangrijke zaken met betrekking tot [minderjarige] en de moeder heeft zich tijdens de zitting bereid verklaard om eens per maand aan de GI een update van minimaal een half A4 te sturen over hoe het met [minderjarige] gaat. Ook heeft de moeder gezegd bereid te zijn om eens per twee maanden een foto van [minderjarige] mee te sturen naar de GI. De GI kan in dat geval de update en foto doorsturen naar de vader. De kinderrechter verwacht van de moeder dat zij zich aan deze toezeggingen zal houden.
De voorleesfilmpjes
5.11.
De kinderrechter zal het verzoek van de GI om vast te leggen dat de moeder er voor zorgdraagt, met begeleiding, dat [minderjarige] de berichten van de vader, zoals voorleesfilmpjes, krijgt en terugkoppelt aan de vader hoe [minderjarige] hierop reageert afwijzen. De GI doet dit verzoek eveneens op grond van artikel 1:265g lid 1 BW, maar dit artikel biedt geen grondslag voor een dergelijk verzoek.
5.12.
Dit wil overigens niet zeggen dat deze wijze van [minderjarige] weer kennis laten maken met de vader door de kinderrechter wordt uitgesloten. De kinderrechter kan zich namelijk voorstellen dat de voorleesfilmpjes worden gebruikt als een opstap om [minderjarige] weer kennis te laten maken met zijn vader, zoals hiervoor overwogen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.13.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bepaalt dat de regie over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor de duur van de ondertoezichtstelling, ligt bij de GI, met inachtneming van rechtsoverweging 5.2. tot en met 5.9.;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Bos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van J.G.J. Remeijsen, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265g lid 1 BW