ECLI:NL:RBOVE:2026:3711

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
AK_26_1470
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 45 ZWArt. 63a ZWArt. 7:629 BWArt. 2 Regeling werkzaamheden eigenrisicodragen ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging ZW-uitkering wegens benadelingshandeling

Verzoeker, voormalig wachtcoördinator bij Defensie, werd wegens plichtsverzuim ontslagen en kreeg een maatregel opgelegd waarbij zijn ZW-uitkering geheel werd stopgezet. Defensie en het UWV hebben nagelaten adequaat onderzoek te doen naar de toerekenbaarheid van de gedragingen van verzoeker, terwijl dit essentieel is voor het opleggen van een dergelijke maatregel.

De voorzieningenrechter constateert dat het UWV slechts een marginale toets heeft uitgevoerd en zonder voldoende onderbouwing de zwaarst mogelijke maatregel heeft opgelegd. Er is geen onderzoek gedaan naar de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid, wat leidt tot een gebrek in het besluit.

Gezien de problematische persoonlijke situatie van verzoeker en het ontbreken van voldoende bewijs voor verwijtbaarheid, bestaat er reële twijfel of de maatregel stand zal houden. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen en wordt het UWV opgedragen de uitkering vanaf 20 mei 2026 te hervatten.

Daarnaast wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De uitspraak is bindend en er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank beveelt het UWV de ZW-uitkering vanaf 20 mei 2026 weer uit te betalen wegens onzorgvuldige besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1470

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: [gemachtigde].

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Ministerie van Defensie (Defensie),

gemachtigden: mr. A. Smajic en P.M. van der Weijden

Procesverloop

1. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 december 2025 (bestreden besluit) waarbij aan hem de maatregel is opgelegd dat zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) blijvend geheel niet wordt uitbetaald. Op 20 mei 2026 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn gemachtigde (via Teams), de gemachtigde van het UWV (via Teams) en de gemachtigden van Defensie.

Feiten en omstandigheden

2. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1.
Verzoeker was als wachtcoördinator in dienst van Defensie. Op 4 juli 2024 en op 12 november 2024 is verzoeker voorwaardelijk ontslagen wegens plichtsverzuim. Op 13 januari 2025 is verzoeker ziek uitgevallen.
Bij besluit van 25 november 2025 heeft Defensie verzoeker disciplinair ontslagen wegens plichtsverzuim. Daaraan ligt, samengevat weergegeven, ten grondslag dat verzoeker gedurende zijn ziekteperiode meermaals zijn verantwoordelijkheden in het kader van zijn re-integratie niet is nagekomen en dat hij zich toegang heeft verschaft tot de Legerplaats bij [plaats] met een Defensiepas die niet aan hem toebehoort, maar op naam van een collega staat. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Defensie heeft nog niet op dit bezwaar beslist. Defensie heeft naar aanleiding van het bezwaar van verzoeker een psychiater verzocht om te onderzoeken in welke mate de gedragingen aan verzoeker kunnen worden toegerekend. Verzoeker is tweemaal uitgenodigd voor een onderzoek door deze psychiater, maar hij is niet op de afspraken verschenen.
2.2.
Het UWV heeft aan verzoeker met ingang van 1 december 2025 een ZW-uitkering toegekend, die wordt betaald door Defensie, die eigenrisicodrager (ERD) is. Op 19 december 2025 heeft Defensie aan het UWV verzocht om aan verzoeker een maatregel op te leggen van blijvend gehele weigering van de uitbetaling van de ZW-uitkering.
Bij besluit van 30 december 2025 heeft het UWV deze maatregel aan verzoeker opgelegd. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze maatregel. Het UWV heeft nog niet op het bezwaar beslist. In het kader van dit bezwaar zal door een verzekeringsarts Bezwaar en Beroep worden onderzocht in hoeverre de aan verzoeker verweten gedragingen hem kunnen worden toegerekend, mede gelet op zijn medische situatie. In verband met achterstanden bij het UWV is dit onderzoek nog niet opgestart.
2.3.
Op 20 mei 2026 heeft verzoeker een verzoek ingediend om bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat aan hem met ingang van een door de voorzieningenrechter in redelijkheid te bepalen datum een ZW-uitkering wordt verstrekt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan
de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak,
op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter over de rechtmatigheid van het bestreden besluit heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
3.1.
De voorzieningenrechter neemt spoedeisend belang aan. Verzoeker heeft voldoende onderbouwd dat hij geen woning en inkomsten meer heeft, dat het verkrijgen van bijstand nog niet is gelukt, en dat er betalingsachterstanden zijn ontstaan als gevolg van de maatregel.
Voorlopig oordeel over de besluitvorming
3.2.
Volgens vaste rechtspraak is sprake van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Hiermee is immers een einde gekomen aan de loonbetalingsverplichting van een werkgever op grond van artikel 7:629 van Pro het Burgerlijk Wetboek, ter vervanging waarvan vervolgens ziekengeld wordt gevraagd. De maatregel die bij een benadelingshandeling kan worden opgelegd wordt volgens het tweede lid van het artikel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hier moet dus onderzoek naar worden gedaan.
3.3.
Op grond van artikel 63a, eerste lid, van de ZW verricht de ERD de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van de ZW. Het UWV en de ERD hebben daarbij ieder hun eigen verantwoordelijkheden en taken. In de Regeling werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen ZW (Regeling) zijn op grond van artikel 63a, negende lid, van de ZW nadere regels gesteld.
In artikel 2 van Pro de Regeling is (onder meer) bepaald dat de ERD de beslissing op zorgvuldige wijze dient voor te bereiden, waarbij het voorstel wordt gedragen door de onderliggende feiten en dat het UWV dit voorstel dient te toetsen alvorens de gevraagde beschikking af te geven. Ook moet de ERD alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan het UWV zenden.
3.4.
In de toelichting [1] bij artikel 2 van Pro de Regeling staat vermeld:
“Het UWV voert slechts een marginale toets uit op het voorstel van de eigenrisicodrager. Marginale toetsing wil zeggen dat beoordeeld wordt of het voorstel op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of het voorstel gedragen kan worden door de feiten en omstandigheden die de eigenrisicodrager heeft aangedragen. Het UWV toetst alleen dát aspect op grond waarvan een beslissing via een beschikking bekend gemaakt moet worden. Bijvoorbeeld: de eigenrisicodrager doet een voorstel voor het opleggen van een maatregel. Het UWV betrekt in haar toetsing uitsluitend de voor die maatregel van belang zijnde aspecten. Alle overige aspecten die te maken hebben met recht/hoogte/duur van de uitkering, worden hierbij niet betrokken. Dergelijke aspecten komen in een periodieke toetsing van het functioneren van de eigenrisicodrager aan de orde (artikel 3). Indien de eigenrisicodrager het voorstel voor een beslissing niet of niet voldoende zorgvuldig heeft voorbereid, zal het UWV hem eenmaal een termijn geven om een en ander te herstellen. Bij uitblijven hiervan verricht het UWV (een deel van) de werkzaamheden (conform artikel 63a, vijfde lid, ZW).”
3.5.
De voorzieningenrechter stelt vast dat Defensie bij het voorstel slechts enkele stukken heeft gevoegd, maar niet het ontslagbesluit van 25 november 2025 waarin de verweten gedragingen zijn omschreven, en ook niet het verslag van de hoorzitting die naar aanleiding van het ontslagvoornemen is gehouden. Daarnaast heeft Defensie in het voorstel niet meer opgenomen dan de mededeling dat aan verzoeker disciplinair ontslag is verleend en dat dat een benadelingshandeling is. Het UWV heeft niet getoetst, en ook niet kunnen toetsen, of het voorstel op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of het voorstel gedragen kon worden door de feiten en omstandigheden die Defensie heeft aangedragen. Ook stelt de voorzieningenrechter vast dat voorafgaand aan het nemen van het besluit van 30 december 2025 geen enkel onderzoek is gedaan naar de vraag of verzoekers gedragingen hem wel of niet kunnen worden aangerekend, niet door Defensie en ook niet door het UWV. Het UWV is direct overgegaan tot een blijvend gehele weigering van de uitkering zodra het verder ongemotiveerde verzoek van Defensie binnenkwam. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit volstrekt onzorgvuldig. Het UWV heeft bij voorbaat de zwaarst denkbare maatregel opgelegd zonder enig onderzoek naar de vraag of aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Dat in de toelichting op de Regeling staat dat er alleen een marginale toets moet worden uitgevoerd, betekent niet dat het UWV in het geheel niet hoeft te toetsen of aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel wordt voldaan, zoals in dit geval lijkt te zijn gebeurd. Dat beoordeeld moet worden of het voorstel op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of het voorstel gedragen kan worden door de feiten en omstandigheden die de ERD heeft aangedragen, impliceert dat ook beoordeeld moet worden of de voorgestelde maatregel op de juiste wijze is afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Pas als uit adequaat (medisch) onderzoek volgt dat het handelen van verzoeker hem daadwerkelijk was te verwijten kan een maatregel worden opgelegd. Er was dus geen rechtsgeldige aanleiding om de uitbetaling van de ZW-uitkering te beëindigen.
3.6.
Uit 3.5 volgt dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Een dergelijk gebrek kan echter in bezwaar worden gerepareerd. Het (de) vereiste (medische) onderzoek(en) naar de vraag van de verwijtbaarheid moet(en) dan alsnog plaatsvinden. Daarbij is van evident belang dat verzoeker wel op de afspraken verschijnt van de onderzoekers en dat hij meewerkt aan het onderzoek of de onderzoeken. Dit is op de zitting van de voorzieningenrechter ook besproken. De voorzieningenrechter merkt in dit kader nog op dat de gevolgen van de uitkomsten van het onderzoek van de door Defensie ingeschakelde psychiater naar de toerekenbaarheid niet per definitie dezelfde moeten zijn voor het ontslagbesluit als voor het besluit waarbij de maatregel is opgelegd. Mogelijk is het nodig dat, zoals het UWV heeft aangekondigd, ook nog een onderzoek door een verzekeringsarts Bezwaar en Beroep wordt uitgevoerd. De voorzieningenrechter wijst erop dat in artikel 8, eerste lid, van de Beleidsregel maatregelen UWV, is bepaald dat bij het niet naleven van een verplichting uit de vierde categorie, de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld op 50 procent indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Ook zal in bezwaar, gelet op de stelling van verzoeker dat de maatregel onevenredig is, moeten worden beoordeeld of geheel of gedeeltelijk moet worden afgezien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
3.7.
Met het oog op de vraag of de voorzieningenrechter aanleiding ziet om een voorlopige voorziening te treffen wordt het volgende overwogen.
Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat verzoeker ten tijde van het einde van zijn dienstverband ongeschikt was voor zijn eigen werk in de zin van de ZW. Duidelijk is dat hij op dat moment kampte met psychische klachten, een instabiele woonsituatie, gezinsproblematiek en financiële problemen. Dit doet ook vermoeden dat verzoeker vanwege zijn problematiek onvoldoende in staat was zelf de situatie ten goede te keren. Gelet op de aard van de problemen van verzoeker is de voorzieningenrechter er niet op voorhand van overtuigd dat zijn gedragingen hem daadwerkelijk (volledig) kunnen worden aangerekend. Ook is de voorzieningenrechter er nog niet van overtuigd, gelet op de instabiele woonsituatie en overige problemen van verzoeker, dat er geen dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van de maatregel af te zien. Om die reden bestaat er reële twijfel of een volledige weigering van uitkering in bezwaar stand kan houden. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

4. Een voorlopige voorziening kan in beginsel slechts aanvangen per datum van indiening van het verzoek, dat is 20 mei 2026, en worden opgelegd tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter draagt het UWV daarom op de ZW-aanspraken van verzoeker met ingang van 20 mei 2026 voorlopig volledig uit te betalen.
5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, is er aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- (waarbij geldt 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast moet het UWV het door verzoeker betaalde griffierecht van € 54,- aan hem vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • bepaalt dat de uitbetaling van de ZW-uitkering van verzoeker met ingang van 20 mei 2026 wordt hervat;
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-;
  • draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 54,- aan verzoeker te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Stcrt 2009, 20617