ECLI:NL:RBOVE:2026:3672

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
AK_26_1538
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken besluit in ontruimingsgeschil

In deze bestuursrechtelijke zaak verzochten [verzoeker 1] en [verzoeker 2] om een voorlopige voorziening tegen een brief van het college van burgemeester en wethouders van Wierden van 23 december 2021. In deze brief werd hen meegedeeld dat het college niet meewerkt aan de verkoop/verhuur van een gemeentelijk perceel (kavel B) en werd verzocht het perceel uiterlijk 1 december 2022 te ontruimen.

De verzoekers hadden eerder bezwaar gemaakt tegen deze brief en civielrechtelijk geprocedeerd over eigendom van het perceel. De Hoge Raad had inmiddels bevestigd dat de gemeente eigenaar is van het perceel. Het verzoek om voorlopige voorziening beoogde schorsing van het ontruimingsverzoek tot na de beslissing op bezwaar.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van 23 december 2021 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het geen publiekrechtelijke rechtshandeling betreft maar een uitoefening van eigendomsrecht door de gemeente. Er is geen rechtsmiddelenclausule opgenomen en het verzoek tot ontruiming is slechts een verzoek, geen verplichting. Het bezwaar is daarom niet-ontvankelijk en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De voorzieningenrechter verwees verzoekers naar de civiele rechter voor geschil over ontruiming en eigendom. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1538

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] uit [woonplaats], verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Wierden

(gemachtigde: mr. J.J.C. Wenno).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] (hierna: [verzoeker 1]) gericht tegen een brief van het college van 23 december 2021. In die brief wordt [verzoeker 1] meegedeeld dat het college niet meewerkt aan de verkoop/verhuur van een aan het woonperceel van verzoekers grenzend perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 1] en wordt verzoekers verzocht het betreffende perceel uiterlijk op 1 december 2022 te ontruimen.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Inleiding: feiten en procesverloop

2.1
[verzoeker 1] is eigenaar van de woning met grond op het perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 2]. De gemeente is eigenaar van de aangrenzende percelen kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 3] (hierna kavel A) en [kadastrale aanduidingen 1] (hierna kavel B). Het perceel van verzoekers ligt tussen beide gemeentelijke percelen.
2.2
Bij brief van 27 september 2021 heeft [verzoeker 1] de gemeente Wierden gevraagd de percelen A en B aan hem te verkopen.
2.3
Met de brief van 23 december 2021 heeft het college op het verzoek gereageerd.
Meegedeeld is dat het college meewerkt aan de verkoop/verhuur van perceel A maar dat het college niet meewerkt aan verjaring/verkoop van kavel B.
In de brief verzoekt het college [verzoeker 1] perceel B uiterlijk op 1 december 2022 geheel ontruimd zonder hekwerk aan de gemeente op te leveren.
2.4
[verzoeker 1] heeft op 28 januari 2022 (pro forma) bezwaar ingediend tegen de brief van 23 december 2021.
2.5
Bij deurwaardersexploot van 15 mei 2025 is [verzoeker 1] aangezegd om het perceel binnen dertig dagen te ontruimen. Daaraan heeft [verzoeker 1] geen gevolg gegeven.
2.6
Partijen hebben civielrechtelijk geprocedeerd over de vraag of sprake is van eigendomsverkrijging door verzoekers door verjaring ten aanzien van perceel B. Het college heeft de bezwaarprocedure aangehouden in afwachting van een onherroepelijk besluit van de civiele rechter.
Met het arrest van 22 mei 2026 van de Hoge Raad staat onherroepelijk vast dat de gemeente Wierden eigenaar is van het perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 1].
2.7
[verzoeker 1] heeft de gronden van bezwaar aangevuld bij brief van 26 mei 2026 en bij brief van 27 mei 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
[verzoeker 1] vraagt de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 23 december 2021 tot ontruiming van het perceel B te schorsen, althans de werking ervan op te schorten, tot 2 weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
2.8
Verzoekers hebben op 29 juni 2026 nog nadere producties in het geding gebracht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3.1
De voorzieningenrechter is op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bevoegd om een voorlopige voorziening te treffen tijdens de bezwaarprocedure. Bij de beoordeling is van belang of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen als het niet is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan namelijk alleen bezwaar worden gemaakt tegen een besluit.
De wettelijke regels die van belang zijn voor de beoordeling van deze zaak staan in de bijlage.
3.2
Het college heeft in het verweerschrift van 2 juni 2026 gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening. De brief van 23 december 2021, door [verzoeker 1] gekwalificeerd als ‘het ontruimingsbesluit’ is niet gericht op enig rechtsgevolg en heeft ook niet een publiekrechtelijk karakter. Het college stelt dan ook dat dat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb waartegen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden.
3.3
[verzoeker 1] is het niet met het college eens en vindt dat sprake is van een besluit.
3.4
De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb omdat geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het ontruimingsbesluit houdt een verzoek in om perceel B te ontruimen en zonder hekwerk aan de gemeente op te leveren. Met de brief van 23 december 2021 wordt geen verplichting door het college in het leven geroepen. In de brief wordt de ontruiming geformuleerd als een verzoek en in de brief is geen rechtsmiddelenclausule opgenomen. Dat, zoals [verzoeker 1] stelt, het college reeds voor de brief van 23 december 2021 op grond van het door haar gevoerde beleid had besloten kavel B te ontwikkelen tot woningbouwkavel en [verzoeker 1] het perceel voor een bepaalde datum volledig ontruimd diende op te leveren, maakt dat niet anders.
3.5
Voor zover wel sprake is van een rechtshandeling ontbreekt het publiekrechtelijke karakter. Zoal het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 18 maart 2025 heeft overwogen spreekt (het college namens) de gemeente in de brief van 23 december 2021 aanspraken van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] op de eigendom van kavel B tegen en gebruikt zij daarin geen publiekrechtelijke bevoegdheid.
Dat het college, zoals [verzoeker 1] stelt, kavel B wil uitgeven als bouwkavel en daarmee uitvoering geeft aan het gemeentelijke woningbouwbeleid maakt dat niet anders.
3.6
[verzoeker 1] stelt tot slot dat de brief van 23 december 2021 als een besluit moet worden aangemerkt om het door de gemeente gevoerde grond- en uitgiftebeleid in een concreet geval afdwingbaar te maken. Voor zover [verzoeker 1] hiermee beoogt te stellen dat de brief van 23 december 2021 geldt als bestuurlijk rechtsoordeel dat omwille van de rechtsbescherming als besluit aangemerkt dient te worden, wordt hij daarin niet gevolgd. Een bestuurlijk rechtsoordeel is een zelfstandig en als definitief bedoeld oordeel van een bestuursorgaan over de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift waarvan de toepassing tot de bevoegdheid van het bestuursorgaan hoort. [1] Daarvan is zoals overwogen onder 3.5 geen sprake nu het gaat om uitoefening van het eigendomsrecht door de gemeente als publiekrechtelijke rechtspersoon.
3.7
Verzoekers dienen zich tot de civiele rechter te richten indien zij wensen te voorkomen dat uitvoering wordt gegeven aan de ontruiming van het in geding zijnde perceel grond.

Conclusie en gevolgen

4.1
Op grond van de systematiek van de Awb kan alleen bezwaar worden gemaakt tegen een besluit. Nu de brief van 23 december 2021 niet als besluit in de zin van de Awb kan worden aangemerkt, leidt dit tot de conclusie dat het bezwaar van [verzoeker 1] naar alle verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
4.2
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het bezwaar van [verzoeker 1] geen redelijke kans van slagen heeft.
4.3
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de voorzieningenrechter is buiten staat de uitspraak te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze zaak van belang zijnde wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
(…)
artikel 7:1
1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:
artikel 8:81
1. Indien tegen een besluit (…) voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt (…) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3222, rechtsoverweging 4