Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.De beoordeling
evidente ongegrondheidervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd waarom daarvan in casu sprake was.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Overijssel
Eiser vordert betaling van een geldlening van €7.000,00 die volgens hem is overeengekomen met gedaagde. Gedaagde betwist de lening en de echtheid van zijn handtekening onder de overeenkomst. Een handschriftdeskundige concludeert dat de betwiste handtekening waarschijnlijk niet authentiek is. Eiser levert aanvullend getuigenbewijs van zichzelf en zijn zoon, die beiden verklaren aanwezig te zijn geweest bij het ondertekenen en het overhandigen van het geld.
De kantonrechter weegt het deskundigenrapport en de getuigenverklaringen af en oordeelt dat het bewijs onvoldoende is om de lening en de authenticiteit van de handtekening vast te stellen. De nauwe familieband tussen eiser en zijn zoon en het voorafgaande overleg over hun verklaringen verminderen de geloofwaardigheid van het getuigenbewijs. Gedaagde ziet af van contra-enquête, maar dit leidt niet tot een andere conclusie.
De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Er is geen aanleiding om af te wijken van het reguliere proceskostenregime. De uitspraak is gedaan door kantonrechter E. Horsthuis op 16 juni 2026.
Uitkomst: De vordering tot betaling van de geldlening wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van authenticiteit handtekening.