De rechtbank Overijssel heeft op 25 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een 45-jarige man die werd verdacht van het witwassen van een bedrag van 109.335 euro. De verdachte had zijn bankrekening ter beschikking gesteld aan anderen, waarop in de periode van 30 augustus tot en met 20 oktober 2024 meerdere stortingen plaatsvonden. Hij bekende het feit en verklaarde dat hij voor een ander de bankrekening had geopend en het geld moest pinnen, waarvoor hij een vergoeding ontving.
De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn bankrekening voor criminele doeleinden werd gebruikt en dat hij medepleger is van witwassen. De strafbaarheid van het feit werd bevestigd op grond van de artikelen 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het strafblad van verdachte en zijn problematisch gokgedrag.
De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op, waarbij geen geldboete werd opgelegd. De strafuitvoering zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, met mogelijkheid tot deelname aan een penitentiair programma. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.