ECLI:NL:RBOVE:2026:3542

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
AK_26_1588
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen CBR-besluit rijgeschiktheid wegens alcoholmisbruik

Eiser heeft het CBR verzocht om een verklaring van rijgeschiktheid na een gezondheidsverklaring. Vanwege een voorgeschiedenis van alcoholmisbruik werd eiser gekeurd door een psychiater. Uit het psychiatrisch onderzoek bleek geen aanwijzing voor alcoholmisbruik, maar het laboratoriumonderzoek toonde een licht verhoogde CDT-waarde. Het CBR besloot daarop dat eiser niet rijgeschikt is en verklaarde zijn rijbewijs ongeldig voor een jaar.

Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening omdat hij zonder rijbewijs inkomsten misloopt. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op zitting en wees het af omdat er geen sprake was van een spoedeisend belang. Eiser kon nog elders werken en verkeerde niet in een acute financiële noodsituatie.

Daarnaast oordeelde de voorzieningenrechter dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De verhoogde CDT-waarde is een zwaarwegend objectief gegeven en het CBR heeft de voorgeschiedenis van alcoholmisbruik terecht meegewogen. De door eiser aangevoerde medicatie als oorzaak van de verhoogde waarde was onvoldoende onderbouwd.

De voorzieningenrechter zag daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het CBR-besluit wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en onvoldoende kans van slagen van het bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1588
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats],
hierna: [eiser],
en
de directie van het CBR,
hierna: het CBR,
(gemachtigde: mr. Y.M. Wolvekamp).

1.Inleiding

1.1.
[eiser] heeft het CBR door middel van het indienen van een gezondheidsverklaring verzocht een verklaring van rijgeschiktheid af te geven. Vanwege de bekendheid bij het CBR van [eiser] met het alcoholmisbruik in het verleden, is door het CBR bepaald dat hij zich moet laten keuren door een psychiater.
1.2.
Op 31 maart 2026 is [eiser] onderzocht door psychiater Jaket. De psychiater heeft in het rapport van onderzoek geconcludeerd dat uit het lichamelijk- en psychiatrisch onderzoek geen aanwijzingen zijn gebleken die wijzen op alcoholmisbruik, maar dat uit het laboratoriumonderzoek is gebleken dat CDT% licht verhoogd is met 2.1 (de normaalwaarde is <2.0).
1.3.
In het besluit van 22 mei 2026 heeft het CBR gemotiveerd dat er uit de beoordeling blijkt dat er sprake is van alcoholmisbruik, dat niet is gestopt ten tijde van de keuring van 31 maart 2026. [eiser] wordt daarom niet rijgeschikt bevonden en zijn rijbewijs blijft ongeldig voor de duur van één jaar.
1.4.
[eiser] is het met dit besluit niet eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, omdat hij zonder rijbewijs inkomsten blijft mislopen.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van het CBR.
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

2.Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

3.Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als er sprake is van een spoedeisend belang. Dit is het geval als zich een zodanige (acute) situatie voordoet dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.
3.2.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat van een dergelijke spoedeisende situatie in dit geval geen sprake is. Uit het betoog van [eiser] blijkt dat het spoedeisend belang er enkel in is gelegen dat hij door het ontbreken van zijn rijbewijs voor zijn werk bij een schoonmaakbedrijf geen extra uren op andere locaties kan draaien die verder weg liggen en waar hij het beste met de auto kan komen, waardoor hij inkomsten blijft mislopen. Er is echter niet gebleken dat hij daardoor in een financiële noodsituatie terechtkomt. Behalve dat dit door [eiser] op zitting is erkend, blijkt dit ook uit zijn verklaring dat hij niet is aangewezen op schoonmaakwerk en ergens anders zou kunnen werken dan bij een schoonmaakbedrijf. Bovendien werkt hij naast het werk bij het desbetreffende schoonmaakbedrijf ook drie dagen als schoonmaker in de tandartspraktijk van zijn moeder.
3.3.
Daarnaast komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De (verhoogde) CDT-waarde betreft een zwaarwegend objectief gegeven en overige omstandigheden, zoals die blijken uit de anamnese bij het psychiatrisch onderzoek, wegen minder zwaar mee. Daarbij heeft het CBR terecht ook de voorgeschiedenis van alcoholmisbruik meegewogen. Dat de CDT-waarde verhoogd is vanwege het medicatiegebruik van [eiser] heeft hij voorlopig onvoldoende onderbouwd. Dit betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het CBR vooralsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom [eiser] niet rijgeschikt wordt bevonden.
3.4.
De voorzieningenrechter ziet op grond van het voorgaande geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Hij wijst het verzoek af.
3.5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.6.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026 door mr. F. Koster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.