ECLI:NL:RBOVE:2026:3532

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
zaak_C08340942__FA_RK_25-2893_beschikking_19052026
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • I.M. Brandwacht-Kampman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:160 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging partneralimentatie wegens samenwoning als gehuwd

De man verzocht de rechtbank om de partneralimentatieverplichting aan de vrouw te beëindigen op grond van artikel 1:160 BW Pro, omdat de vrouw samenwoonde met een nieuwe partner als waren zij gehuwd. De rechtbank had bij tussenbeschikking voorshands bewezen verklaard dat de vrouw en haar nieuwe partner vanaf 1 oktober 2025 samenwonen. De vrouw kreeg de gelegenheid tegenbewijs te leveren.

De vrouw overhandigde schriftelijke verklaringen en diverse documenten, waaronder betalingsbewijzen en verzekeringsbewijzen, maar slaagde er niet in het vermoeden van samenwoning, wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding te ontzenuwen. De rechtbank vond de verklaringen onvoldoende onderbouwd en de documenten incompleet of niet-identificeerbaar.

De rechtbank stelde vast dat de vrouw en haar nieuwe partner vanaf 1 oktober 2025 samenleven als waren zij gehuwd, waardoor de alimentatieverplichting van de man per die datum eindigt. De vrouw moet de vanaf die datum betaalde partneralimentatie terugbetalen, maar de rechtbank wees het verzoek om wettelijke rente af wegens het ontbreken van verzuim.

Beide partijen moeten hun eigen proceskosten dragen vanwege hun eerdere relatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden door tussenkomst van een advocaat in hoger beroep worden aangevochten.

Uitkomst: De partneralimentatieverplichting wordt per 1 oktober 2025 beëindigd en de vrouw moet de onverschuldigd betaalde alimentatie terugbetalen zonder rente.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/340942 / FA RK 25-2893
beschikking van 19 mei 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
verder te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. K. Eliyo,
en
[de man] ,
verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de tussenbeschikking van 12 februari 2026;
  • de brief met bijlagen van de vrouw van 18 maart 2026;
  • de brief van de man van 30 maart 2026.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Op 12 februari 2026 heeft de rechtbank een tussenbeschikking afgegeven. De inhoud van deze tussenbeschikking geldt als hier herhaald en ingelast.
2.2.
Het gaat in deze zaak over de alimentatieverplichting van de man aan de vrouw. De man heeft verzocht de alimentatieverplichting op grond van artikel 1:160 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) te beëindigen, vanwege samenwoning van de vrouw en de heer [naam] . Voor een succesvol beroep op deze beëindigingsgrond is vereist dat tussen de vrouw en de heer [naam] een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat zij met elkaar samenwonen, elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. In de tussenbeschikking van 12 februari 2026 heeft de rechtbank voorshands bewezen verklaard dat de vrouw en de heer [naam] vanaf 1 oktober 2025 samenleven als waren zij gehuwd. De vrouw is in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren. De rechtbank verwijst naar en neemt over wat zij daarover in de tussenbeschikking heeft overwogen en zal hierna beoordelen of de vrouw geslaagd is in het leveren van tegenbewijs.
2.3.
Naar vaste rechtspraak is voor het slagen van het gevraagde tegenbewijs voldoende dat ontzenuwd wordt wat voorshands is bewezen. Het is dus aan de vrouw om tegenbewijs te leveren dat ertoe leidt dat er zodanige twijfel is dat de op het vermoeden berustende vaststellingen onhoudbaar worden.
2.4.
De vrouw heeft als tegenbewijs twee schriftelijke verklaringen overgelegd, één van haar en één van de heer [naam] . Ook heeft ze diverse documenten overgelegd, bestaande uit betalingsbewijzen, verzekeringsbewijzen en aanslagbiljetten.
Samenwoning
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet geslaagd is in het leveren van tegenbewijs tegen het oordeel dat voorshands bewezen is dat de vrouw en de heer [naam] sinds 1 oktober 2025 samenwonen. Dat oordeel is op het volgende gebaseerd.
2.6.
Het door de vrouw aangeleverde tegenbewijs ten aanzien van de samenwoning bestaat uit een aantal documenten van de heer [naam] en de schriftelijke verklaringen van de vrouw en de heer [naam] waarin zij stellen dat zij elk bestendig verblijven in hun eigen woning. Het dagelijks leven van de heer [naam] is volgens hem in [plaats] geworteld, hij verzorgt daar als imker zijn bijenvolk en voert groot onderhoud uit aan zijn woning. De heer [naam] verklaart dat hij in oktober 2025 veel bij de vrouw thuis is geweest omdat de vrouw zich onveilig voelde door de intensieve observaties van de man. De heer [naam] stelt in dat verband ook een officiële politiemelding te hebben gedaan op 23 oktober 2025. De vrouw verklaart eveneens dat de heer [naam] om die reden bij haar verbleef, als ook vanwege het groot onderhoud dat hij aan zijn woning in [plaats] verricht. Deze verklaringen zorgen naar het oordeel van de rechtbank niet voor de vereiste twijfel aan de eerdere vaststellingen. De verklaringen zijn namelijk niet met relevante bewijsstukken onderbouwd. Zo is bijvoorbeeld geen inzicht gegeven in de standen van gas, water en licht van de woning van de heer [naam] waaruit bestendig verblijf aldaar volgt, er is geen documentatie over de genoemde politiemelding, het groot onderhoud van de heer [naam] aan zijn woning in [plaats] en zijn werk aldaar als imker zijn niet aangetoond met bijvoorbeeld facturen of foto’s. Ook de overgelegde documenten leiden niet tot twijfel. De uitdraai uit de basisregistratie personen van de heer [naam] is niet gedateerd waardoor niet vastgesteld kan worden op welke periode de informatie op de uitdraai ziet. De documenten met betrekking tot de hypotheek bevatten geen naam, adres of andere identificerende elementen waaruit volgt dat het om de hypotheek van de heer [naam] gaat. De documenten met screenshots bevatten geen volledige beelden. Het screenshot van de polis van de inboedelverzekering toont niet de volledige polis en is niet gedateerd. Het screenshot met de woonverzekering op het adres van de heer [naam] toont geen naam en geen datum. Het bestand met de naam KPN Thuisfacturen 2026 is een leeg bestand en het overzicht van verzekeringen van de heer [naam] van Univé is gedateerd op 7 maart 2025 en ziet dus op de periode voor de samenwoning. Met de schriftelijke verklaringen en de overgelegde incomplete of niet-identificeerbare documenten is de vrouw er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd de voorshands bewezen samenwoning te ontzenuwen.
Wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding
2.7.
De vrouw heeft ook bewijsstukken aangeleverd tegen de voorshands bewezenverklaring dat de vrouw en de heer [naam] bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw ook op dit punt niet geslaagd is in het leveren van tegenbewijs. Dat oordeel is gebaseerd op het volgende.
2.8.
De vrouw verwijst voor het tegenbewijs naar de schriftelijke verklaringen van haar en van de heer [naam] . Daarnaast heeft ze documenten met betalingen, aanslagen en verzekeringsbewijzen overgelegd. In haar schriftelijke verklaring stelt de vrouw dat geen sprake is van financiële verwevenheid, enkel dat incidenteel over en weer boodschappen worden betaald. Ook stelt ze dat de heer [naam] geen structurele rol heeft in de verzorging van de kinderen. In de schriftelijke verklaring van de heer [naam] stelt hij dat er geen enkele financiële verwevenheid is, dat er geen gezamenlijke huishouding is en dat er geen sprake is van een structurele taakverdeling. Dit zorgt evenwel niet voor twijfel aan het voorshands bewezen verklaarde. De verklaringen van de vrouw en de heer [naam] zijn ook op deze punten niet onderbouwd. De door de vrouw overgelegde documenten tonen enkel dat de vrouw en de heer [naam] geen gezamenlijke verzekeringen hebben en dat de vaste lasten van de woning van de vrouw op haar naam staan en van haar rekening worden afgeschreven. Daarmee kan echter het vermoeden van financiële verstrengeling niet ontzenuwd worden. Het had op de weg van de vrouw gelegen om inzage te geven in haar financiële administratie. Dat de heer [naam] niet structureel voor de kinderen zorgt doet daar niet aan af, omdat de wederzijdse verzorging ziet op de verzorging van de vrouw en de heer [naam] over en weer. Het feit dat de vrouw en de heer [naam] (al dan niet incidenteel) over en weer boodschappen betalen, in aanvulling op de in overweging 5.20 van de tussenbeschikking vastgestelde handelingen van zorg voor elkaar, maakt dat er geen twijfel is ontstaan over het vermoeden dat de vrouw en de heer [naam] elkaar wederzijds verzorgen. Met de schriftelijke verklaringen en overgelegde documenten is de vrouw er dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd de voorshands bewezen verklaarde wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding te ontzenuwen.
Conclusie
2.9.
Het voorgaande betekent dat de vrouw niet is geslaagd in het van haar verlangde tegenbewijs. De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat de vrouw en de heer [naam] samenleven als waren zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW Pro met ingang van
1 oktober 2025.
2.10.
Met betrekking tot de ingangsdatum overweegt de rechtbank dat in geval van beëindiging van de alimentatieverplichting op grond van artikel 1:160 BW Pro de aanspraak eindigt met ingang van de datum dat sprake was van samenwoning. De rechtbank heeft niet de vrijheid om een andere beëindigingsdatum vast te stellen dan die datum.
2.11.
Omdat de alimentatieplicht van de man per 1 oktober 2025 eindigt, is alle door de man vanaf die datum aan de vrouw betaalde partneralimentatie onverschuldigd betaald. Daaruit vloeit een terugbetalingsverplichting voort. De vrouw is gehouden de vanaf 1 oktober 2025 tot heden ontvangen partneralimentatie aan de man terug te betalen.
2.12.
De man heeft verzocht om de door de man onverschuldigd betaalde partneralimentatie te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop deze van rechtswege is beëindigd, in dit geval vanaf 1 oktober 2025. De rechtbank zal het verzoek om toekenning van wettelijke rente afwijzen, omdat er geen sprake is van verzuim.
De proceskosten
2.13.
De vrouw en de man moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij een relatie met elkaar hebben gehad.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijzigt de bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 18 juli 2023 vastgestelde bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van haar levensonderhoud en stelt die bijdrage met ingang van 1 oktober 2025 op NIHIL;
3.2.
bepaalt dat de vrouw de vanaf 1 oktober 2025 aan haar betaalde partneralimentatie aan de man moet terugbetalen;
3.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het verzoek om de door de man onverschuldigd betaalde partneralimentatie te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 oktober 2025 af;
3.5.
beslist dat de vrouw en de man allebei hun eigen proceskosten moeten betalen.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.M. Brandwacht-Kampman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.