AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling poging tot doodslag en bedreiging met zware mishandeling
Op 30 november 2025 heeft verdachte zijn partner meerdere malen bij de keel gegrepen en met kracht dichtgeknepen, waardoor zij ernstig letsel opliep. Verdachte stuurde haar daarna bedreigende berichten met doodsbedreigingen en bedreigingen met zware mishandeling.
De rechtbank achtte de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar, mede ondersteund door getuigenverklaringen, forensisch medisch onderzoek en letselrapportages. Verdachte ontkende de wurging, maar zijn ontkenning werd verworpen.
De rechtbank concludeerde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, gezien de aard en ernst van de wurging. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte het slachtoffer bedreigde met een misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.
Verdachte werd veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en kreeg een contactverbod en locatieverbod opgelegd. De rechtbank hield rekening met het strafblad en het hoge recidiverisico van verdachte.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met contact- en locatieverbod wegens poging tot doodslag en bedreiging met zware mishandeling.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.330458.25 (P)
Datum vonnis: 25 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1994 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in de P.I. [locatie] .
1.Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.H. Rump, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 11 juni 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 30 november 2025:
feit 1: (primair) heeft geprobeerd om zijn partner [slachtoffer] te doden dan wel (subsidiair) heeft geprobeerd om haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel (meer subsidiair) haar heeft mishandeld, feit 2: [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood en met zware mishandeling.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij op of omstreeks 30 november 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten zijn partner [slachtoffer] van het leven te beroven, een of meerdere malen
- die [slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt en/of vastgepakt heeft gehouden en/of
- de keel van die [slachtoffer] met kracht dicht heeft geknepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 november 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten zijn partner, [slachtoffer] ,
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt en/of vastgepakt heeft gehouden,
- de keel van die [slachtoffer] met kracht dicht heeft geknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 november 2025 te [plaats] zijn partner [slachtoffer] heeft mishandeld, door een of meerdere malen
- die [slachtoffer] bij de keel vast te pakken en/of vastgepakt te houden en/of
- de keel van die [slachtoffer] met kracht dicht te knijpen;
2
hij op of omstreeks 30 november 2025 te Zwolle en/of [plaats] , althans in Nederland
[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:
- "Of je komt naar [naam] , of je hebt een groot kankerprobleem met mij, hoor je mij? Hoor je mij?" en/of
- “Dit loopt niet goed af. Mij naaien, haha, kankerhoertje. Jij zal alles kwijtraken.” en/of
- “Vieze vieze kankertemeier ben je. Afsterven moet je.” en/of
- “Wouten bellen mij haha zielige kk hoer. Jij komt mij nog wel tegen.”,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
3.De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegd schriftelijk requisitoir, op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Daartoe heeft de raadsvrouw, kort samengevat, aangevoerd dat aangeefster niet betrouwbaar heeft verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de kans op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is geweest. Als de ten laste gelegde gedragingen wel bewezen worden verklaard, dan kan dit volgens de raadsvrouw eventueel enkel leiden tot een bewezenverklaring van de onder 1 meer subsidiair ten late gelegde mishandeling.
Verdachte moet ook van het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw, kort samengevat, aangevoerd dat de onder het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje ten laste gelegde woorden geen bedreiging met de dood of met zware mishandeling opleveren. Dit geldt ook voor de onder het derde gedachtestreepje ten laste gelegde woorden: “afsterven moet je” omdat dit een verwensing is en dit geen actieve handeling van verdachte behelst.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
Vaststaat dat verdachte op 29 november 2025 in de middag met zijn toenmalige vriendin [slachtoffer] naar de verjaardag van zijn nichtje is gegaan die werd gevierd in de woning van zijn zus aan de [adres 1] in [plaats] en dat hij daar in de nacht van 29 op 30 november 2025 ruzie met aangeefster heeft gehad.
Aangeefster [slachtoffer] heeft, kort gezegd, verklaard dat verdachte bier had gedronken en cocaïne en wiet had gebruikt, dat zij rond 04.30 of 05.30 uur naar de slaapkamer gingen en dat verdachte haar in bed opeens bij haar keel greep en dat hij met kracht haar keel dichtkneep. Zij schrok hier enorm van en kon niets zeggen en geen geluid maken. Zij voelde pijn aan haar keel en kreeg geen lucht meer. Zij probeerde hem met haar handen van haar af te slaan, maar dit lukte niet. Verdachte kneep haar keel met zijn rechterhand dicht. Na ongeveer 10 tot 15 seconden liet hij haar keel weer los. Ongeveer 10 tot 15 minuten later kneep verdachte opnieuw haar keel dicht. Op dezelfde manier. Dit herhaalde zich. Verdachte heeft ongeveer 5 keer haar keel op deze manier dichtgeknepen. Soms zaten er 10 of 15 minuten tussen voordat verdachte haar keel weer dichtkneep. Soms langer, soms korter. Telkens als zij verdachte probeerde weg te duwen, kneep hij haar keel harder dicht. Aangeefster had blauwe plekken in haar keel, pijn tijdens het slikken en last van haar kaak.
Verdachte heeft verklaard dat hij op 30 november 2025 wel met aangeefster in de slaapkamer is geweest, maar dat hij haar keel niet heeft dichtgeknepen. Er is volgens hem niets gebeurd. Hij heeft aangeefster die nacht alleen weggestuurd omdat zij vreemd was gegaan. Daarom doet aangeefster nu een valse aangifte tegen hem. Hij heeft die avond maar een paar biertjes gedronken.
Nu de verklaringen van aangeefster en verdachte haaks op elkaar staan voor wat betreft de handelingen die hebben plaatsgevonden, ziet de rechtbank zich in het kader van de feitenvaststelling allereerst voor de vraag gesteld of de door aangeefster afgelegde verklaring als betrouwbaar kan worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Aangeefster heeft uitvoerig en gedetailleerd verklaard welke handelingen op welke manier hebben plaatsgevonden en ook over de aanleiding, namelijk dat verdachte jaloers was omdat hij dacht dat zij nog gevoelens voor haar ex had. Haar verklaring komt authentiek over.
De betrouwbaarheid wordt verstrekt doordat haar verklaring over wat er hierna is gebeurd, namelijk dat zij uit de woning is gevlucht en zich vervolgens doodsbang achter auto’s heeft verstopt, wordt bevestigd door de verklaring van een toevallige voorbijganger. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij aangeefster gehurkt tussen auto’s zag zitten, dat zij om hulp vroeg en dat zij vertelde dat ze lag te slapen en toen uit het niets klappen had gekregen.
[getuige 1] heeft daarbij emoties bij aangeefster waargenomen. Zo heeft hij verklaard dat aangeefster in paniek, emotioneel en bang was. [getuige 1] heeft aangeefster vervolgens in zijn auto naar het Esso pompstation in Stadshagen gebracht.
Daar werd aangeefster opgehaald door een vriend, getuige [getuige 2] , die
heeft verklaard dat aangeefster gelijk brak toen zij bij hem in de auto stapte. Zij vertelde hem gelijk dat verdachte haar meerdere keren had proberen te wurgen en dat ze pijn had. Ook [getuige 2] heeft daarbij emoties bij aangeefster waargenomen. Hij zag een angst in haar ogen die hij nog nooit eerder had gezien. Bovendien zag hij een afdruk (op haar keel), net of er een hand om heen zat. Verder zag [getuige 2] dat zij achter haar hoofd nog een plek had.
Ook dit versterkt de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster.
Verder heeft verbalisant [verbalisant 1] tijdens het opnemen van de aangifte waargenomen dat aangeefster nog in shock was en hebben andere politiemedewerkers toen blauwe striemen/bloeduitstortingen in de hals van aangeefster gezien.
Daarnaast wordt de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster versterkt door de spraak- en tekstberichten die verdachte na het voorval aan aangeefster heeft gestuurd, waaronder: “ Afsterven moet je” en “ Of je komt naar [naam] , of je hebt een groot kankerprobleem met mij, hoor je mij?”. Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij deze berichten heeft gestuurd en verklaard dat hij boos was.
De verklaring van aangeefster over de wurgingshandeling wordt op dragende en essentiële onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de forensisch geneeskundige letselbeschrijving en de letselrapportage van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (hierna: LOEF). Daaruit volgt dat bij aangeefster sprake was van bloeduitstortingen op de rechterzijde van de onderkaak, aan de linkerzijde van de hals (in combinatie met roodheid), op de voorzijde en rechterzijde van de hals en roodheid op drie locaties in de nek.
In de letselrapportage van het LOEF beschrijft forensisch arts dr. G. Reijnen, dat de combinatie van de letsels in de hals en nek kan worden verklaard door een samendrukkende kracht op de hals en dat er een forse kracht nodig is om deze letsels te veroorzaken.
De rechtbank concludeert dat dit past bij de door aangeefster gegeven toedracht.
Voor zover verdachte stelt dat deze bloeduitstortingen zijn veroorzaakt door een zuigzoen, wordt deze stelling verworpen nu uit de letselrapportage blijkt dat de combinatie van letsels veel waarschijnlijker is wanneer – kort gezegd – de letsels zijn ontstaan door toedoen van verdachte door aangeefster bij de keel vast te grijpen dan wanneer dit is ontstaan door een zuigzoen.
Gelet op de plaats waar de bloeduitstortingen zijn aangetroffen is naar het oordeel van de rechtbank de meest plausibele toedracht dat verdachte de keel van verdachte met zijn rechterhand meerdere malen heeft dichtgeknepen, zoals aangeefster heeft verklaard.
Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte aangeefster bij de keel heeft vastgepakt en vastgepakt heeft gehouden en de keel van aangeefster meermalen met kracht dicht heeft geknepen. De volgende vraag is hoe het handelen van verdachte juridisch moeten worden gekwalificeerd.
Poging tot doodslag?
Om tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag te kunnen komen, is onder meer vereist dat verdachte opzet had op de dood van aangeefster. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het procesdossier om te kunnen vaststellen dat verdachte vol opzet heeft gehad om aangeefster van het leven te beroven.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangeefster. Hiervan is kort gezegd sprake als er een aanmerkelijke kans aanwezig was dat dit gevolg – de dood – zou intreden en verdachte op dat moment welbewust die kans heeft aanvaard. Of dit zo is, is naar vaste jurisprudentie afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende informatie bevat om de aanmerkelijke kans op de dood te kunnen vaststellen. De rechtbank wijst daarbij op de letselrapportage van het LOEF waarin forensisch arts dr. G. Reijnen beschrijft dat de combinatie van de letsels in de hals en nek kan worden verklaard door een samendrukkende kracht op de hals, en dat er een forse kracht nodig is om deze letsels te veroorzaken. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte met forse kracht de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen. Dit sluit ook aan bij de verklaring van aangeefster dat verdachte haar keel met kracht dichtkneep, dat ze pijn aan haar keel voelde en dat ze geen lucht meer kreeg. Ook haar verklaring dat ze in zijn ogen echt de duivel zag toen hij haar keel dicht kneep wijst hierop.
Op grond van de verklaring van aangeefster stelt de rechtbank verder vast dat verdachte meerdere keren (ongeveer vijf keer) gedurende enige tijd, te weten 10 tot 15 seconden, de keel van aangeefster krachtig heeft dichtgeknepen, en dat hij daarbij onder invloed van alcohol en verdovende middelen was.
Uit de letselrapportage volgt voor wat betreft de gevaarzetting verder dat bij aangeefster sprake was van mogelijk levensbedreigend letsel (Plattner’s classificatie categorie 2: matige verwurging).
Naar algemene ervaringsregels roept het meermalen met één hand met een duur van 10 tot 15 seconden krachtig dichtknijpen van de keel de aanmerkelijke kans in het leven dat dat slachtoffer daardoor komt te overlijden. In de hals bevinden zich meerdere (verbindingen) van vitale organen en voor wat betreft de keel kan het dichtknijpen hiervan leiden tot zuurstofgebrek in de hersenen en uiteindelijk overlijden.
Nu het algemene ervaringsregels betreft wordt eenieder – en dus ook de verdachte – geacht wetenschap te hebben van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. De hierboven omschreven wijze van wurgen, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het intreden van de dood, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Op grond van voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte door dit handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat de aangeefster zou komen te overlijden. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag.
Feit 2
De rechtbank is van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde bewoordingen in de berichten van verdachte een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling van aangeefster opleveren. De rechtbank betrekt hierbij de onder feit 1 bewezenverklaarde wurgingshandelingen die kort daarvoor hebben plaatsgevonden, kennelijk omdat verdachte het aangeefster betaald wilde zetten dat zij vreemd was gegaan.
Gelet op deze context waarin de woorden zijn geuit en de manier waarop, namelijk boos en agressief, heeft verdachte evident de bedoeling gehad om aangeefster angst aan te jagen. De bedreiging is daarom van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij aangeefster redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.
De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich aan de onder 2 ten laste gelegde bedreiging schuldig heeft gemaakt.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 30 november 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten zijn partner [slachtoffer] van het leven te beroven, meerdere malen
- [slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt en vastgepakt heeft gehouden en
- de keel van [slachtoffer] met kracht dicht heeft geknepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 30 november 2025 in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:
- "Of je komt naar [naam] , of je hebt een groot kankerprobleem met mij, hoor je mij? Hoor je mij?" en
- “Dit loopt niet goed af. Mij naaien, haha, kankerhoertje. Jij zal alles kwijtraken.” en
- “Vieze vieze kankertemeier ben je. Afsterven moet je.” en
- “Wouten bellen mij haha zielige kk hoer. Jij komt mij nog wel tegen.”.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair
het misdrijf: poging tot doodslag,
feit 2
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gerichten bedreiging met zware mishandeling.
5.De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6.De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van wat zij bewezen heeft geacht gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarbij moeten de bijzondere voorwaarden worden opgelegd een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor Zwolle-Zuid.
Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met
[slachtoffer] en een locatieverbod voor Zwolle-Zuid, voor de duur van drie jaren, met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van twee weken voor iedere keer dat verdachte zich niet aan de maatregel houdt, met een maximum van zes maanden.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van de straf geen standpunt ingenomen. Ze heeft wel opgemerkt dat verdachte met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest zijn schuld aan de samenleving en aangeefster heeft ingelost.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van zijn ex-vriendin, waarbij hij haar keel meerdere malen met kracht heeft dichtgeknepen.
Verdachte heeft door zijn handelwijze niet alleen op een flagrante wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer waardoor zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, maar hij heeft ook een groot gevoel van onveiligheid bij haar teweeggebracht. Daarnaast heeft hij aangeefster, nadat zij in paniek de woning was ontvlucht, ook nog eens in berichten bedreigd met de dood en met zware mishandeling. Het is niet ondenkbaar dat zij nog lang te kampen heeft met de ingrijpende gevolgen van deze gebeurtenissen. De rechtbank rekent verdachte zijn handelen zwaar aan, temeer nu hij daarvoor geen enkele verantwoordelijkheid neemt en aangeefster er zelfs van beschuldigt een valse aangifte te hebben gedaan.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 9 april 2026 waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor een verscheidenheid aan delicten, met name vermogensdelicten, en dat hem op 28 december 2015 en op 1 februari 2024 de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren is opgelegd.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van Tactus verslavingszorg van 4 mei 2026 waarin staat beschreven dat er bij verdachte sprake is van instabiliteit op alle leefgebieden. Volgens diagnostiek, afgenomen op 31 oktober 2023, heeft verdachte een stoornis in het gebruik amfetamine, cocaïne en cannabis. Daarnaast is ADHD geconstateerd. In het verleden werd zwakbegaafdheid bij hem vastgesteld. Er zijn diverse pogingen gedaan om verdachte in een gedwongen kader begeleiding te bieden, waarvan tweemaal in het kader van een ISD-traject. De mogelijkheden binnen een forensisch voorwaardelijk kader lijken hierdoor uitgeput. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog.
De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken en het gedrag van verdachte te veranderen, en adviseert om aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf
voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Een voorwaardelijke gevangenisstraf kan dienen als stok achter de deur om herhaling te voorkomen. Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, worden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een contactverbod met aangeefster en een gebiedsverbod voor de wijk waarin zij woont als bijzondere voorwaarden gekoppeld.
De rechtbank acht het niet noodzakelijk om daarnaast de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 SvPro.
7.De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.
8.De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 primair, het misdrijf: poging tot doodslag;
feit 2, het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gerichten bedreiging met zware mishandeling.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 36 (zesendertig) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaardendat verdachte:
Contactverbod:
- op geen enkele wijze direct of indirect contact opneemt en/of onderhoudt met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1992, wonende aan [adres 2] ;
Locatieverbod:
- zich niet bevindt in de wijk Zwolle-Zuid;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. G.H. Meijer en
mr. T.C. Kuil, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
Mr. P.A.M. Miltenburg en mr. G.H. Meijer zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland, districtsrecherche IJsselland, met nummer ON1R025078/LEISTEEN. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Feit 1:
1. het proces-verbaal bevindingen van 30 november 2025, pagina’s 13 tot en met 15, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op 30 november 2025 omstreeks 11:23 uur zagen wij dat [slachtoffer] grote rode striemen in haar nek had.
2. het proces-verbaal van aangifte van 30 november 2025, pagina’s 16 tot en met 19, inhoudende de door [slachtoffer] afgelegde verklaring:
Op zaterdag 29 november 2025 waren we op het adres [adres 1] in [plaats] . [verdachte] had bier gedronken en cocaïne en wiet gebruikt. Rond 04.30 of 05.30 uur lagen we op bed met de gezichten naar elkaar toe. Opeens greep hij mij bij mijn keel. Hij kneep met kracht mijn keel dicht. Ik schrok hier enorm van. Ik kon niets zeggen en geen geluid maken. Ik voelde pijn aan mijn keel. Ik kreeg geen lucht meer. Ik probeerde met mijn handen hem van mij af te slaan maar dit lukte niet. Hij kneep mijn keel met 1 hand dicht. Volgens mij met zijn rechterhand. Na ongeveer 10 tot 15 seconden liet hij mij keel weer los. Ongeveer 10 tot 15 minuten later liep het weer uit de hand en kneep hij weer mijn keel dicht, alles ging op dezelfde manier. Dit herhaalde zich. Hij heeft ongeveer 5 keer mijn keel op deze manier dichtgeknepen. Soms zaten er 10 of 15 minuten tussen, voordat hij weer mijn keel dichtkneep. Soms langer, soms korter. Telkens al ik hem probeerde weg te duwen, kneep hij gewoon harder mijn keel dicht. Ik heb allemaal blauwe plekken in mijn keel. Ik heb pijn tijdens het slikken. Ik krijg nu ook last van mijn kaak. Dit letsel heeft [verdachte] mij toegebracht.
3. het proces-verbaal bevindingen van 1 december 2025, pagina’s 20 en 21, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 30 november 2025 nam ik de aangifte op van [slachtoffer] . Ik zag behoorlijke bloeduitstortingen op meerdere plekken in haar hals en op haar keel.
4. een schriftelijk stuk, te weten een forensisch geneeskundige letselbeschrijving, zonder benoeming als deskundige, opgemaakt door T. Gelderman, forensisch arts op 2 december 2025, pagina’s 24 tot en met 38, voor zover inhoudende:
Hoofd
1) Op de rechterzijde van de onderkaak bevindt zich een matig scherp begrensde ovale licht rood-blauwe huidverkleuring van ca. 1,8x0,6cm
Hals
2) Aan de linkerzijde van de hals bevinden zich, in een gebied van ca. 5,5x10cm:
- Een matig tot scherp begrensde rechthoekige blauwrode huidverkleuring van ca. 3x1cm. De verkleuring toont wisselende intensiteit en hierin zijn ook deels puntvormige rode huidverkleuringen zichtbaar;
- Een drietal matig scherp begrensde streepvormige blauwrode huidverkleuringen van respectievelijk ca. 3x0,7cm, 3x0,8cm en 3x0,8cm met hierin meerdere, deels gegroepeerde puntvormige rode en paarse huidverkleuringen. De bovenste verloopt dwars door de
rechthoekige verkleuring. De huidverkleuringen verlopen parallel met ca. 0,5cm bleke uitsparing ertussen;
- Een gebied van ca. 3,5x1,5cm met hierin diffuus verspreide puntvormige rode huidverkleuringen van maximaal 0,2cm in doorsnede;
- Aan de nekzijde van dit gebied bevinden zich vier onscherp begrensde ovale blauw/rode huidverkleuringen van respectievelijk ca. 1x0,4cm, 1,4x0,4cm, 1,4x0,8cm en 1,5x0,8cm. De afstanden tussen de verkleuringen zijn ca. 0,9cm, 0,8cm en 1,2cm.
3) Op de voorzijde van de hals, rechts naast de middenlijn, bevindt zich een scherp begrensde verticaal verlopende streepvormige bruine huidverkleuring van ca. 3x0,5cm.
4) Op de rechterzijde van de hals, richting het rechter sleutelbeen, bevindt zich een scherp begrensde verticaal verlopende streepvormige paars-rode huidverkleuring van ca. 2x0,5cm. In het verlengde hiervan, op ca. 0,5cm afstand, bevindt zich een onscherp begrensde lijnvormige rode huidverkleuring van ca. 1,5x0,3cm met wisselende intensiteit.
Nek
5) Op de linkerzijde van de nek, vlak onder de haargrens, bevindt zich een matig scherp begrensde ovale rode huidverkleuring van ca. 1,3x0,8cm. Circa 1,5cm hieronder bevindt zich een matig scherp begrensde ovale rode huidverkleuring van ca. 0,7x0,3cm.
6) Midden op de nek, doorlopend over de behaarde hoofdhuid, bevindt zich in een gebied van minimaal 6x3cm een diffuus verspreide grillige rode huidverkleuring.
7) Op de rechterzijde van de nek bevindt zich een matig scherp begrensde diagonaal verlopende (van linksboven naar rechtsonder) lijnvormige rode huidverkleuring van ca. 1,7x0,2cm
Het letsel bestaat uit bloeduitstortingen (letsel 1, 3 en 4) en roodheid (letsel 5, 6 en 7). Letsel 2 is een combinatie van bloeduitstortingen en roodheid. Bloeduitstortingen ontstaan door de inwerking van stomp uitwendig geweld zoals samendrukken.
5. een forensisch-medische letselrapportage met benoeming van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (LOEF) van 4 juni 2026 (aanvullend stuk), opgemaakt door forensisch arts G. Reijnen (met collegial review door forensisch arts W. Duijst), voor zover inhoudende:
Samengevat was er sprake van bloeduitstortingen op de rechterzijde van de onderkaak, aan de linkerzijde van de hals (in combinatie met roodheid), op de voorzijde en rechterzijde van de hals en roodheid op drie locatie in de nek. De combinatie van letsels in de hals en nek kan worden verklaard door een samendrukkende kracht op de hals. Er is een forse kracht nodig om deze letsels te veroorzaken. Op basis van de vastgestelde letsels en subjectieve keelklachten kan de gevaarzetting van de handeling verwurging worden benaderd. Dit resulteert in een categorie 2 (matige verwurging), dit is volgens Plattner mogelijk levensbedreigend.
6. het proces-verbaal van verhoor getuige van 2 december 2025, pagina’s 41 tot en met 46, inhoudende de door [getuige 2] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:
Na twee uur ’s ochtends werd ik gebeld door [slachtoffer] . Ik hoorde haar schreeuwen en gillen. Bij het tankstation stapte ze in de auto. Toen brak ze. Ze vertelde dat ze in slaap was gevallen. En toen is hij er bovenop gesprongen en proberen wurgen. Hoe vaak, ik weet dat het meerdere keren is geweest. Toen zag ik ook een afdruk, net of er een hand om heen zat, dat ze gewurgd zou zijn. En toen bleek dat ze achter op haar hoofd nog een plek had. Toen ze in de auto stapte, de angst die ze in de ogen had die had ik nog nooit eerder gezien. Je zag dat ze doodsbang was.
7. het proces-verbaal van verhoor getuige van 10 februari 2026, pagina’s 54 tot en met 56, inhoudende de door [getuige 1] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:
Op 30 november 2025, zag ik rond 11:00 uur in de [adres 3] in [plaats] , ter hoogte van [adres 3] , een vrouw tussen de auto's zitten. Ze was in paniek, emotioneel en bang. Ik zag dat ze angstig was. Ze heeft gezegd dat ze lag te slapen en dat ze uit het niets klappen had gehad. Ze zei: "Ik werd wakker en ben geslagen".
8. het proces-verbaal ter terechtzitting van 11 juni 2026, inhoudende de door verdachte afgelegde verklaring;
Op 30 november 2025 ben ik met [slachtoffer] , waar ik toen een relatie mee had, in de slaapkamer van de woning aan de [adres 1] in [plaats] geweest.
Feit 2:
9. het proces-verbaal bevindingen van 30 november 2025, pagina’s 13 tot en met 15, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op 30 november 2025 brachten we [slachtoffer] naar het politiebureau. Hier kreeg [slachtoffer] meerdere Whatsappjes en telefoontjes. [slachtoffer] vertelde dat zij berichten van [verdachte] kreeg.
10. het proces-verbaal van aangifte van 30 november 2025, pagina’s 16 tot en met 19, inhoudende de door [slachtoffer] afgelegde verklaring:
[verdachte] stuurt mij allerlei berichten. Dit begon om 10.34 uur. Toen stuurde hij een spraakbericht: "Of je komt naar [naam] , of je hebt een groot kankerprobleem met mij, hoor je mij? HOOR JE MIJ?!!" Hij klonk echt heel erg boos. Verder stuurt hij nog berichten: "Dit loopt niet goed af. Mij naaien, hahah, kankerhoertje. Jij zal alles kwijt raken". Daarna stuurt hij nog spraakberichten: Vieze vieze kankertemeier ben je. Afsterven moet je.” Met de telefoon heeft [verdachte] om 12.32 uur whatsapp berichten gestuurd: "Wouten bellen voor mij haha zielige kk hoer. Jij komt mij nog wel tegen."
11. het proces-verbaal bevindingen van 5 december 2025, pagina’s 62 en 63, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
[slachtoffer] stuurde onderstaande screenshot:
Dit loopt niet goed af.
Mij naaien, haha, kankerhoertje.
Jij gaat alles kwijtraken
Getuige [getuige 2] verklaarde: "Ik heb dit spraakbericht op zondag 30 november om 19.00 uur van [slachtoffer] gekregen. Na het luisteren van het spraakbericht hoorde ik de man met verheven stem zeggen:"... beter voor jou of je komt naar [naam] , of je hebt een groot kankerprobleem met mij, hoor je mij? Hoor je mij?!!". De stem van de man komt op mij over als boos/agressief.
12. het proces-verbaal ter terechtzitting van 11 juni 2026, inhoudende de door verdachte afgelegde verklaring:
Op 30 november 2025 heb ik de ten laste gelegde berichten aan [slachtoffer] verstuurd. Ik was boos.