ECLI:NL:RBOVE:2026:3511

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
ak_25_2137
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMRegeling uitkering chroom-6Regeling tegemoetkoming Stoffen gerelateerde Beroepsziekten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens overschrijding latentieperiode chroom-6 blootstelling

Eiser werkte van januari 1985 tot januari 2006 als monteur op POMS-Site Vriezenveen en kreeg in 2020 de diagnose COPD, die hij toeschrijft aan blootstelling aan chroom-6 tijdens zijn werk. Hij vroeg op grond van de Regeling uitkering chroom-6 om schadevergoeding, maar de staatssecretaris wees dit af omdat de diagnose niet binnen tien jaar na de laatste blootstelling was gesteld.

Eiser maakte bezwaar en startte meerdere procedures wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar, waarbij de rechtbank de staatssecretaris dwangsommen oplegde. Uiteindelijk bleef het afwijzende besluit van 31 oktober 2024 in stand, ondanks dat het besluit aanvankelijk verkeerd was geadresseerd.

De rechtbank oordeelt dat de regeling een latentieperiode van tien jaar hanteert, gebaseerd op RIVM-onderzoek dat stelt dat COPD zich binnen vijf jaar na blootstelling moet manifesteren om een verband aannemelijk te achten. Omdat eiser pas veertien jaar na zijn laatste blootstelling werd gediagnosticeerd, voldoet hij niet aan de regeling. Ook de verwijzing naar andere regelingen en de situatie van collega’s overtuigt de rechtbank niet.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiser krijgt geen schadevergoeding, geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter F. Koster.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens overschrijding van de latentieperiode van tien jaar.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2137

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

(gemachtigde: [gemachtigde]),
hierna: [eiser]
en

de staatssecretaris van Defensie,

hierna: de staatssecretaris.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding gedaan door [eiser] op grond van de Regeling uitkering chroom-6 vanwege zijn chronische obstructieve longziekte, die volgens hem is ontstaan door de blootstelling aan chroom-6 gedurende zijn werkzaamheden als monteur tracks-werkplaats op POMS-Site Vriezenveen. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat niet voldaan is aan de voorwaarde dat de COPD binnen tien jaar na de laatste blootstelling aan chroom-6 is gediagnostiseerd. De rechtbank gaat ook uit van de latentieperiode van tien jaar en is van oordeel dat de staatssecretaris het verzoek om schadevergoeding van [eiser] op goede gronden heeft kunnen afwijzen.

Feiten en procesverloop

2.1.
[eiser] werkte in de periode januari 1985 tot en met januari 2006 als monteur tracks-werkplaats op POMS-Site Vriezenveen. Hij heeft sinds 2020 klachten van chronische obstructieve longziekte (hierna: COPD), zo blijkt uit de verklaring van zijn huisarts. [eiser] is in datzelfde jaar gediagnostiseerd met COPD.
2.2.
[eiser] heeft op 22 december 2021 een verzoek om schadevergoeding gedaan op grond van de Regeling uitkering chroom-6 (hierna: de regeling) vanwege zijn COPD, die volgens hem is ontstaan door de blootstelling aan chroom-6 gedurende zijn werkzaamheden op POMS-Site Vriezenveen.
2.3.
Met het besluit van 5 juli 2023 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris dit verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat niet voldaan is aan de voorwaarde uit de regeling dat de COPD binnen tien jaar (de latentieperiode) na de laatste blootstelling aan chroom-6 is vastgesteld.
2.4.
[eiser] heeft hiertegen op 24 juli 2023 bezwaar gemaakt.
2.5.
Bij brief van 21 november 2023 heeft [eiser] de staatssecretaris in gebreke gesteld omdat geen besluit is genomen op zijn bezwaar.
2.6.
Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de staatssecretaris aan [eiser] een dwangsom toegekend van € 1.442,- wegens te laat beslissen.
2.7.
[eiser] heeft op 6 maart 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar (zaaknummer ZWO 24/2140 en 24/2315). In de uitspraak van 17 oktober 2024 [1] heeft deze rechtbank dit beroep gegrond verklaard, de staatssecretaris opgedragen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend te maken en bepaald dat de staatssecretaris aan [eiser] een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
2.8.
[eiser] heeft vervolgens op 7 april 2025 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar (zaaknummer ZWO 25/1163). In de uitspraak van 18 juli 2025 [2] heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, de staatssecretaris opgedragen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend te maken en bepaald dat de staatssecretaris aan [eiser] een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
2.9.
Met het besluit met dagtekening 31 oktober 2024 (het bestreden besluit) is de staatssecretaris bij afwijzing van de aanvraag gebleven. Het bestreden besluit is verkeerd geadresseerd.
2.10.
Bij brief van 25 juli 2025 heeft de staatssecretaris het bestreden besluit opnieuw verzonden, opnieuw naar een verkeerd adres.
2.11.
[eiser] heeft het bestreden besluit op 26 juli 2025 ontvangen, dit is de datum van inwerkingtreding van het bestreden besluit.
2.12.
De staatssecretaris heeft op 29 juli 2025 de maximale dwangsom van € 15.000,- uitbetaald aan [eiser] wegens overschrijding van de beslistermijn die is opgelegd in de zaak ECLI:NL:RBOVE:2024:5338.
2.13.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.14.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hierbij was [eiser] aanwezig bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft per brief laten weten niet bij de zitting aanwezig te zijn.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].
Standpunten van partijen
4. [eiser] voert aan dat de termijn van tien jaar, waarbinnen diagnose COPD moet zijn gesteld na de laatste blootstelling aan chroom-6, te kort is. De gevolgen van chroom-6 slepen immers al jaren voort en deze kunnen [eiser] na jaren worden gediagnostiseerd. Daarnaast hebben collega’s die hetzelfde werk hebben uitgevoerd wel financiële compensatie gekregen. Ook zijn er collega’s die door het werken met chroom-6 vroegtijdig zijn overleden. Verder verwijst [eiser] naar de Regeling tegemoetkoming Stoffen gerelateerde Beroepsziekten. Tot slot doet [eiser] een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
5. Volgens de staatssecretaris kent de regeling op dit punt een gebonden beoordelingskader en is er geen beleidsvrijheid om van de daarin gestelde voorwaarden af te wijken. Dat de gevolgen van blootstelling aan chroom-6 zich mogelijk [eiser] na langere tijd manifesteren en dat collega’s van [eiser] onder andere omstandigheden een tegemoetkoming hebben ontvangen, maakt dat niet anders.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
6.1.
De regeling voorziet in een schadevergoeding voor (voormalige) werknemers van het Ministerie van Defensie, die in de uitoefening van een in de bijlage 1 van de regeling genoemde functie zijn blootgesteld aan chroom-6 houdende stoffen en ten gevolge daarvan lijden aan 1 of meerdere aandoeningen die worden vermeld in de bijlage 2 van de regeling. De functie van monteur tracks-werkplaats op POMS-Site Vriezenveen en de aandoening COPD van [eiser], staan beschreven in bijlagen 1 en 2 van de regeling.
6.2.
De regeling stelt in artikel 3, derde lid, bij de aandoening COPD als aanvullende voorwaarde dat de diagnose moet zijn gesteld binnen tien jaar na de laatste blootstelling aan chroom-6 bij defensie. In dit geval is de diagnose COPD van [eiser] volgens de verklaring van de huisarts gesteld in 2020, terwijl [eiser] in 2006 uit militaire dienst is ontslagen. Daarmee voldoet [eiser] niet aan de voorwaarde van artikel 3, derde lid, van de regeling.
6.3.
Uit de toelichting [3] bij artikel 3 van Pro de Regeling volgt waarom is gekozen voor een latentieperiode van 10 jaar:
“Volgens het RIVM-onderzoek [4] geldt bij COPD een maximale latentieperiode van vijf jaar. Dat wil zeggen: als de COPD zich meer dan vijf jaar na de laatste blootstelling aan chroom-6 heeft geopenbaard, is niet aannemelijk dat de COPD (mede) daardoor is veroorzaakt. Dit houdt verband met het herstellend vermogen van de longen. Omdat men niet altijd direct naar de arts gaat of de diagnose niet altijd direct wordt gesteld, geldt voor de regeling dat de diagnose binnen tien jaar na de laatste blootstelling moet zijn gesteld (derde lid).”.
6.4.
Gelet op bovenstaande toelichting volgt de rechtbank [eiser] niet in zijn standpunt dat de latentieperiode van 10 jaar te kort is. Immers, bij een openbaarbaring van COPD meer dan vijf jaar na de laatste blootstelling aan chroom-6, is het al niet meer aannemelijk dat de COPD (mede) daardoor is veroorzaakt. Omdat een diagnose niet altijd direct wordt gesteld is er in de regeling gekozen voor een langere latentieperiode van 10 jaar. [eiser] heeft in deze procedure geen informatie in het geding gebracht, waaruit zou kunnen blijken dat de onderzoeksbevindingen van het RIVM onjuist zijn.
6.5.
Uit het Formulier Medische Informatie bij het aanvraagformulier van [eiser] blijkt dat hij sinds 2020 (afgezien van eenmalig atrovent gebruik in 2016) klachten heeft van COPD. De COPD heeft zich in dit geval dus meer dan 5 jaar na de laatste blootstelling aan chroom-6 in 2006 geopenbaard, daarmee is het gelet op het RIVM onderzoek niet aannemelijk dat zijn COPD (mede) daardoor is veroorzaakt. Dat collega’s van [eiser], zoals hij stelt, wél financiële compensatie hebben gekregen óf vroegtijdig overleden zijn, kan hem in deze procedure niet helpen, omdat de rechtbank niets weet van de specifieke en concrete omstandigheden van deze collega’s, doordat [eiser] daarover aan de rechtbank geen enkele informatie heeft gegeven.
6.6.
Verder stelt de rechtbank vast dat de verwijzing van [eiser] naar de Regeling tegemoetkoming Stoffen gerelateerde Beroepsziekten geen doel treft, omdat dit niet de regeling is op grond waarvan hij in deze zaak een aanvraag heeft gedaan. Ook het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn hoeft niet verder behandeld te worden omdat [eiser] deze grond ter zitting heeft laten vallen in verband met de door hem ontvangen dwangsom van € 15.000,00.
6.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris het verzoek om schadevergoeding van [eiser] op goede gronden heeft kunnen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A.G. Bulte, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Zie Wijziging Regeling uitkering chroom-6 Defensie in Staatscourant 2021, nummer 28073, d.d. 07-06-2021
4.Onderzoek naar blootstelling aan chroom-6 en arbeidsomstandigheden op Defensielocaties; periode 1970–2015 (RIVM Rapport 2021-0066)