Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3509

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
12136288 \ EJ VERZ 26-88
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 7:954 BWArt. 1019w RvArt. 1019z RvArt. 1019aa lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aansprakelijkheid werkgever voor val van trap tijdens decoratiewerkzaamheden

Op 3 oktober 2023 is de werknemer tijdens haar werkzaamheden bij de werkgever van een trap gevallen en heeft daarbij haar linkerarm op drie plaatsen gebroken. De werknemer stelde de werkgever aansprakelijk voor de geleden en nog te lijden schade. De werkgever betwistte de aansprakelijkheid.

De kantonrechter oordeelde dat de werkgever een zorgplicht heeft op grond van artikel 7:658 BW Pro, maar dat deze niet inhoudt dat de werkgever absolute veiligheid moet bieden. De val was het gevolg van een misstap bij het afdalen van een huishoudtrap, een alledaagse handeling waarvoor geen bijzondere waarschuwingen of instructies nodig zijn.

De arbeidsomstandighedenregelgeving werd in acht genomen en het gebruik van een trap was gerechtvaardigd gezien de korte gebruiksduur en de locatie. De werkgever hoefde geen hoogwerker in te zetten. De kantonrechter concludeerde dat de werkgever aan haar zorgplicht had voldaan en wees het verzoek af.

De kosten van de deelgeschilprocedure werden begroot op €4.500 exclusief btw, vermeerderd met griffierecht, maar de werkgever werd niet tot betaling veroordeeld zolang haar aansprakelijkheid niet vaststaat.

De beschikking werd uitgesproken door kantonrechter E. Horsthuis op 17 juni 2026.

Uitkomst: De kantonrechter wijst het verzoek af omdat de werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan en niet aansprakelijk is voor de val van de werknemer.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer / rekestnummer: 12136288 \ EJ VERZ 26-88
Beschikking van 17 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. T.M. Spoler,
tegen

1.[verweerder] B.V.,

te [vestigingsplaats],
hierna te noemen: [verweerder],
2.
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
te Apeldoorn,
hierna te noemen: Achmea,
verwerende partijen,
gemachtigde: mr. B.M. Stroetinga.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift,
- het verweerschrift,
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op 3 oktober 2023 is [verzoeker] tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden in dienst van [verweerder] van een trap gevallen. Daarbij heeft zij haar linkerarm op drie plaatsen gebroken.
2.2.
Op 3 november 2023 heeft [verzoeker] [verweerder] aansprakelijk gesteld voor de door haar in verband met de val geleden en nog te lijden schade.
2.3.
In het door [verzoeker] als productie 5 overgelegde “rapport toedrachtonderzoek” van Achmea is als verklaring van [verzoeker] onder meer opgenomen:
(...)
Rond 12.00 a 12.30 uur, met tussendoor een (lunch)pauze, ben ik begonnen met het decoreren van het frame dat aan het plafond hing. Het frame hangt op een hoogte van circa 3,60m ten opzichte van de vloer. Op de vloer was een soort van podium c.q. verhoging gemaakt, waarop een tafel (decoratief) stond. Het podium (verhoging) heeft een hoogte van 20 centimeter. De tafel die op deze verhoging stond heb ik samen met een collega weggehaald, zodat ik voldoende bewegingsruimte had om bij het te decoreren frame te kunnen komen. Het frame bestaat uit een metalen draadrooster. Dit frame was al opgehangen en diende enkel gedecoreerd te worden met guirlandes, verlichting en andere versieringen. Ik had hierin alle vrijheid, tijd en ruimte en had zelf de regie hoe ik dit frame wilde decoreren. Vanwege de hoogte heb ik zelf een trap gepakt, zodat ik goed en makkelijk bij het frame kon komen. Er zijn twee soorten trappen. Ik heb bewust gekozen voor de lichtgewicht trap, zodat ik deze makkelijk en zelfstandig kon verplaatsen en gebruiken. (...) Tijdens de afdaling hield ik de trap vast met mijn beiden handen en waren mijn handen verder leeg. Ik dacht dat ik er was en mijn voet op de grond terecht zou komen, maar ik had mij klaarblijkelijk vergist waardoor ik mij misstapte. Ik moest kennelijk nog twee treden naar beneden. Ik zakte met mijn rechtervoet verder naar beneden dan ik dacht, waardoor ik mijn evenwicht/balans verloor. Ik heb wel geprobeerd mijzelf nog te corrigeren/herpakken, maar tevergeefs. Doordat ik mijn balans verloor, kantelde ik naar links en viel daarbij van het podium/verhoging af en kwam ongelukkig op mijn linkerzijde op de grond terecht. (...) Het ongeval vond rond 14.30 uur plaats. (...)
2.4.
[verweerder] heeft betwist aansprakelijk te zijn.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van het ongeval op 3 oktober 2023 en haar kosten te begroten op € 5.300, te vermeerderen met btw en met het griffierecht, met hoofdelijke veroordeling van [verweerder] en Achmea in deze kosten.
3.2.
[verweerder] c.s. verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Op hetgeen zij in dat verband heeft aangevoerd, wordt zo nodig in het navolgende ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
De kantonrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Enschede, is– zoals tussen partijen overigens ook niet in geschil is – bevoegd van het op artikel 7:658 BW Pro gegronde geschil tussen [verzoeker] en [verweerder] kennis te nemen. Het verzoek van [verzoeker] jegens Achmea (overigens in deze procedure beperkt tot de proceskosten) is gebaseerd op
artikel 7:954 BW Pro. Deze vordering is in beginsel ter beoordeling voorbehouden aan de rechtbank, kamer voor handelszaken. Het komt de kantonrechter in dit geval echter uiterst inefficiënt en onpraktisch voor indien de beslissing niet door dezelfde rechter wordt genomen. [verzoeker] kan Achmea op grond van artikel 7:954 BW Pro immers alleen rechtstreeks aanspreken uit de door [verweerder] afgesloten verzekering indien Achmea een uitkering aan [verweerder] verschuldigd is. Daarvoor is (in ieder geval) nodig dat [verweerder] aansprakelijk is tegenover [verzoeker] op grond van artikel 7:658 BW Pro. De kantonrechter ziet daarom af van de ambtshalve verwijzing naar de rechtbank, kamer voor handelszaken. Daarmee wordt voorkomen dat de zaken bij verschillende rechters komen. Partijen hebben overigens ook geen bezwaar tegen afdoening door de kantonrechter.
Deelgeschilprocedure
4.2.
[verzoeker] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
4.3.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
4.4.
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de aansprakelijkheid van [verweerder] als werkgever ex artikel 7:758 BW Pro. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken.
Inhoudelijke beoordeling; schending zorgplicht?
4.5.
Artikel 7:658 lid 1 BW Pro [1] roept een zorgplicht voor de werkgever in het leven ten aanzien van veilige arbeidsomstandigheden voor zijn werknemers. Komt vast te staan dat de werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, dan is de werkgever in beginsel op grond van artikel 7:658 lid 2 BW Pro [2] aansprakelijk. De op de werkgever rustende zorgplicht gaat (dus) ver, maar niet zo ver dat de werkgever zijn werknemers tegen iedere vorm van gevaar moet beschermen en hen absolute veiligheid moet bieden bij de uitoefening van hun werkzaamheden. Anders gezegd; het artikel houdt een schuldaansprakelijkheid in, geen risicoaansprakelijkheid.
4.6.
Vast staat dat [verzoeker] een ongeval is overkomen in de uitoefening van haar werkzaamheden en dat zij daardoor schade heeft geleden. Daarvoor is [verweerder] in beginsel aansprakelijk tenzij zij aantoont dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Van (een beroep op) opzet of roekeloosheid is in deze zaak geen sprake.
4.7.
De toedracht van het ongeval is niet in geschil; [verzoeker] heeft bij het op hoogte decoreren van een frame een (huishoud)trap met acht treden gebruikt, is deze bij herhaling op- en afgegaan en heeft zich, toen ze naar eigen zeggen “bijna klaar” was (punt 4 spreekaantekeningen), bij het afdalen “verstapt/vergist” bij de (voor)laatste trede van de trap, waarna ze is gevallen. Enig verband met de staat van de (volgens [verweerder] veilige, volgens [verzoeker] wellicht onveilige (want niet gekeurde)) trap is gesteld noch gebleken. De vraag is of [verweerder] maatregelen had moeten treffen of aanwijzingen had moeten geven om een ongeval als dit te voorkomen. Volgens [verweerder] is dat niet het geval, hetgeen [verzoeker] betwist. [verweerder] had veiligheidsinstructies (en waarschuwingen) moeten geven, veiligheidsmaatregelen moeten treffen en toezicht moeten houden op de naleving van die instructies en maatregelen, aldus [verzoeker].
4.8.
Bij de beantwoording van de vraag of [verweerder] aan haar zorgplicht heeft voldaan, geldt als uitgangspunt dat de omvang van deze zorgplicht in de eerste plaats en in elk geval wordt bepaald door hetgeen op grond van de arbeidsomstandighedenregelgeving van de werkgever gevergd wordt. [3] Zou de zorgplicht inhouden dat [verweerder], gelet op de omstandigheden waaronder [verzoeker] moest werken, een hoogwerker had moeten inzetten, dan staat daarmee (afdoende) het causaal verband tussen schending van deze zorgplicht en het ongeval vast. Bij inzet van een hoogwerker zou immers, naar (uiteraard) niet in geschil is, van “misstappen” van een trap geen sprake zijn.
4.9.
Artikel 3.16 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bepaalt dat bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat zo mogelijk een veilige steiger, stelling, of iets dergelijks moet zijn aangebracht. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat in ieder geval valgevaar bestaat bij aanwezigheid van risicovolle omstandigheden, of als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen. In lid 4 staat dat het eerste lid niet van toepassing is op arbeid onder omstandigheden waarin het gebruik van ladders en trappen is toegestaan als bedoeld in artikel 7.23, tweede lid.
Artikel 7.23 lid 2 bepaalt dat – met inachtneming van artikel 7.23 lid 1 – het gebruik van ladders en trappen als arbeidsplaatsen op hoogte wordt beperkt tot omstandigheden waarin het gebruik van andere, veiliger arbeidsmiddelen niet gerechtvaardigd is in verband met het geringe risico en (a) vanwege de korte gebruiksduur, of (b) de bestaande kenmerken van de locaties die de werkgever niet kan veranderen.
4.10.
Gelet op de hoogte van het plateau van de ladder (1,84 meter vanaf het podium en 2,14 meter vanaf de grond) gaat het bepaalde in artikel 3.16 lid 2 laatste onderdeel van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet op. Naar het oordeel van de kantonrechter is evenmin sprake van een situatie waarin het gebruik van ladders en trappen niet is toegestaan.
Daarbij is in aanmerking genomen dat [verzoeker] naar eigen zeggen telkens kort op de trap werkte (zij is de trap volgens de spreekaantekeningen zo’n 30 à 40 keer op- en afgegaan), zij de trap op zichzelf niet al te lang hoefde te gebruiken (zij is gestart met de werkzaamheden om 12.00-12.30u en was ten tijde van het ongeval om 14.30uur “bijna klaar”) en het geplaatste podium de inzet van een hoogwerker op die plek onmogelijk maakte (aldus [verweerder] (onbetwist)).
4.11.
Dat [verweerder] aan de arbeidsomstandighedenregelgeving heeft voldaan, is echter niet voldoende om aan te kunnen nemen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Welke maatregelen de werkgever (“bovenop” de van hem in het kader van voormelde regelgeving te vergen maatregelen) moet nemen om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. [4]
4.12.
Gelet op de hiervoor onder 4.10 genoemde omstandigheden hoefde [verweerder] in redelijkheid geen hoogwerker in te zetten voor de werkzaamheden. Dat zij in het ongeval aanleiding heeft gezien om dat nadien wel te doen, maakt dit niet anders. Beoordeeld moet immers worden of de inzet van een hoogwerker reeds voordat het ongeval plaatsvond voor de hand lag.
4.13.
De volgende vraag is of [verweerder] [verzoeker] had moeten waarschuwen voor het risico dat zij zich bij het afdalen van de trap zou vergissen in het aantal treden dan wel haar op dat punt instructies had moeten geven. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit niet het geval. Het afdalen van een huishoudtrap is een alledaagse handeling die naar mag worden aangenomen ook vele malen in de huiselijke sfeer plaatsvindt. Ook voor niet gewaarschuwde mensen is het duidelijk dat je van een trap kan vallen. [5] Een (nadere) instructie van [verweerder] hoe een dergelijke trap af te dalen is dan ook redelijkerwijs niet noodzakelijk te achten. Dat [verzoeker] deze trap bij herhaling heeft moeten afdalen, maakt het voorgaande niet anders. Daarbij wordt nog opgemerkt dat [verzoeker] volgens haar eigen verklaring “alle vrijheid, tijd en ruimte” had om het frame te decoreren.
4.14.
Uit het voorgaande volgt dat [verweerder] aan haar zorgplicht heeft voldaan en dat de door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht niet wordt toegewezen.
Kosten deelgeschil
4.15.
De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
4.16.
Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.17.
[verzoeker] maakt aanspraak op € 5.300,00, te vermeerderen met btw en met het griffierecht. Daarbij is uitgegaan van 20 uren tegen een uurtarief van € 265,00. [verweerder] voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is.
4.18.
Hoewel [verzoeker] in het verzoekschrift heeft vermeld dat “een specificatie van de verrichte werkzaamheden nog wordt toegestuurd”, is dat nagelaten. Zij heeft het gelaten bij de volgende vermelding in haar spreekaantekeningen:
“De uren zien niet alleen op het opstellen van het verzoekschrift (15 uur incl. bespreking en reistijd), maar ook op deze zittingsdag inclusief reistijd (alleen al een halve dag), het bestuderen en bespreken van het verweerschrift (19 kantjes) met cliënte en de voorbereiding op deze zitting zelf (8 uren)”.
4.19.
Het had naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [verzoeker] gelegen om een deugdelijke specificatie over te leggen. Met voormelde vermelding in haar spreekaantekeningen heeft zij dat niet gedaan. Desalniettemin ziet de kantonrechter aanleiding om uit te gaan van het door [verzoeker] opgegeven aantal van 20 bestede uren. Het tarief zal wel gematigd worden tot € 225,-, omdat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om van een hoger (specialisten)tarief uit te gaan. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op 20 uren × € 225,00 (exclusief btw), dus op € 4.500,00, te vermeerderen met btw en met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 265,00.
4.20.
Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en [verweerder] niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door [verweerder] te worden betaald, als haar aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.
4.21.
De kantonrechter zal deze uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals [verzoeker] vraagt, omdat niet rechtstreeks tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure kan worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de verzochte verklaring voor recht af,
5.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 4.500,00, te vermeerderen met btw en met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 265,00.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
2.De werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
3.HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129.
4.HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519
5.HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7423