Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De bewijsmotivering
[slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ).
15 september 2023 feitelijk is voorgevallen. Zo heeft hij, zowel tijdens het politieverhoor in Bulgarije als tijdens het verhoor door de rechter-commissaris, verklaard dat hij op voornoemde datum staande werd gehouden door een motoragent, dat hem een boete werd aangezegd in verband met het overtreden van een inhaalverbod, dat de motoragent het boetebedrag op een briefje schreef, dat hem door de motoragent werd verteld dat hij de boete contant moest voldoen en dat hij vervolgens naar een pinautomaat werd begeleid alwaar hij een bedrag heeft gepind en heeft overhandigd aan de motoragent. Een aantal van deze handelingen en de tijd en plaats worden door de verdachte ook bevestigd in
zijnlezing van deze gebeurtenissen. De verklaring van [slachtoffer 2] komt naar het oordeel van de rechtbank authentiek over. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaring van [slachtoffer 2] veel overeenkomsten met de verklaring van aangever [slachtoffer 1] (feit 1) bevat, terwijl [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] elkaar niet kennen en zij geen enkele wetenschap hebben gehad van hetgeen zij afzonderlijk hebben verklaard. Dit draagt voor de rechtbank bij aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] en wijst naar het oordeel van de rechtbank op een specifieke handelwijze van verdachte. Tot slot wordt de betrouwbaarheid van de belastende verklaring versterkt door het gegeven dat niet is gebleken van aanknopingspunten dat er voor [slachtoffer 2] enige aanleiding bestond om verdachte ten onrechte te beschuldigen van het tenlastegelegde. De verklaringen van [slachtoffer 2] bevatten weliswaar enige discrepanties voor wat betreft (de hoogte van) het boetebedrag en het door hem gepinde bedrag, maar dat maakt niet direct dat zijn verklaring als geheel onbetrouwbaar moet worden beschouwd. Dat de verklaringen op dit punt enigszins afwijken, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden bezien in het licht van het grote tijdsverloop tussen de twee verhoormomenten, het feit dat de verklaringen telkens met tussenkomst van een tolk tot stand zijn gekomen, de wijze van vraagstelling van de rechter-commissaris en de verwarrende omstandigheden waaronder de ‘boete’ door [slachtoffer 2] is voldaan. Die factoren in aanmerking nemende, bevreemden de discrepanties tussen de verklaringen de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is en (als uitgangspunt) voor het bewijs kan worden gebruikt. Het feit dat op de opgevraagde bankafschriften van [slachtoffer 2] geen afschrijving van € 400,-- te zien is, maakt dat niet anders. Hij heeft immers niet verklaard van welke bankrekening hij het bedrag heeft opgenomen. Datzelfde geldt voor hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot het al dan niet gelden van het inhaalverbod op het door [slachtoffer 2] gereden traject.
Kijk de sporen van de andere vrachtwagens, dit is zijn lokaas plaats”, “
Nu nog transactiekosten betalen”,“
Contant 100 euro”en “
Ik heb 100 euro genomen”. Verdachte rijdt, gevolgd door [slachtoffer 1] , naar de geldautomaat aan de Rembrandtlaan in Almelo. [slachtoffer 1] neemt bij deze geldautomaat een bedrag van € 100,-- op en overhandigt dit aan verdachte. Verdachte stopt het geld in zijn jaszak en rijdt uiteindelijk weg.
€ 100,-- bij een geldautomaat in Almelo heeft gepind. Daarnaast maakt de rechtbank voor de bewezenverklaring gebruik van zogenoemd schakelbewijs. Dit is een wijze van bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidende feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Daarvan is in deze zaak sprake. Het bewijsmateriaal voor de feiten 1 en 2 vertoont op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen en duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte. De overeenkomsten zijn als volgt. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn allebei chauffeurs van Oost-Europese komaf. Verdachte was tijdens beide feiten werkzaam als motoragent. Hij heeft beide chauffeurs staandegehouden op een vluchtstrook. Verdachte heeft hen een boete aangezegd en daarbij gemeld dat de boete contant voldaan moest worden. Vervolgens heeft hij beide chauffeurs begeleid naar een geldautomaat – weliswaar op verschillende plekken – en hen aldaar een geldbedrag laten pinnen en laten afgeven. Er is dan ook sprake van een herkenbaar en gelijksoortig patroon – een kenmerkende modus operandi –in de aan de verdachte verweten feiten. Het gevolg hiervan is dat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de gepleegde oplichtingen van [slachtoffer 2] ook dienen als bewijs voor de oplichting van [slachtoffer 1] .
primair
primair
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van verdachte
6.De op te leggen straf of maatregel
8.De beslissing
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren;
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;