Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3504

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
08-200871-24 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 138ab SrArt. 9a SrArt. 359 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling motoragent voor oplichting en computervredebreuk jegens buitenlandse vrachtwagenchauffeurs

De rechtbank Overijssel heeft op 22 juni 2026 een 60-jarige motoragent veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren wegens oplichting en computervredebreuk. Verdachte hield twee buitenlandse vrachtwagenchauffeurs staande, zei hen onterecht boetes aan en dwong hen op slinkse wijze contant te betalen. Daarnaast maakte hij zich schuldig aan computervredebreuk door onbevoegd in te loggen in politiecomputers en niet-werkgerelateerde bevragingen uit te voeren.

De rechtbank achtte de verklaringen van de slachtoffers betrouwbaar en ondersteund door getuigenverklaringen, bankafschriften en beeldmateriaal. De verdediging voerde onder meer aan dat verklaringen niet bruikbaar waren wegens gebrek aan ondervragingsrecht, maar de rechtbank oordeelde dat het proces eerlijk was verlopen en gebruikte ook schakelbewijs vanwege de gelijkenissen in de handelwijze.

De rechtbank benadrukte het misbruik van gezag en het ernstige vertrouwen dat verdachte als politieagent heeft geschonden. Gezien de ernst van de feiten, het ontbreken van eerdere veroordelingen en de overschrijding van de redelijke termijn, legde de rechtbank een taakstraf op die hoger is dan geëist. Verdachte werd tevens veroordeeld tot vervangende hechtenis bij niet-nakoming.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en vervangende hechtenis van 120 dagen wegens oplichting en computervredebreuk.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-200871-24 (P)
Datum vonnis: 22 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting 8 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. L.E. de Rode, advocaat in Zutphen, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt, kort en zakelijk weergegeven, erop neer dat verdachte:
feiten 1 en 2:(primair) vrachtwagenchauffeurs [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft opgelicht, (subsidiair) hen met misbruik van gezag heeft gedwongen tot de afgifte van geld;
feit 3:computervredebreuk heeft gepleegd.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 26 oktober 2023 te Almelo, althans in Nederland,
met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen,
door één of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels,
een persoon, te weten de heer [slachtoffer 1] (uit Litouwen),
heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag ad 100 euro, althans een
geldbedrag,
immers heeft verdachte, terwijl hij, verdachte, werkzaam was als motoragent,
met genoemd oogmerk, (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in
strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven –
- die [slachtoffer 1] , die toen als vrachtwagenchauffeur op de A1 nabij Almelo reed, diens
vrachtwagen aan de kant van de weg stil laten zetten;
- die [slachtoffer 1] een bekeuring aangezegd voor een niet door die [slachtoffer 1] begane
overtreding,
- die [slachtoffer 1] duidelijk gemaakt dat de bekeuring direct en contant, aan hem,
verdachte, diende te worden voldaan;
- die [slachtoffer 1] naar een geldautomaat in Almelo begeleid en/of
- genoemd geldbedrag van die [slachtoffer 1] aangenomen,
waardoor er bij die [slachtoffer 1] een valse voorstelling van zaken is gewekt en/of
waardoor die [slachtoffer 1] werd bewogen tot voornoemde afgifte (zaaksdossier 1);
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 oktober 2023 te Almelo, althans in Nederland,
als politie-ambtenaar,
een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door misbruik van gezag, heeft gedwongen iets
te doen, niet te doen of te dulden,
immers heeft verdachte, terwijl hij, verdachte, toen werkzaam was als motoragent,
- die [slachtoffer 1] , die toen als vrachtwagenchauffeur op de A1 nabij Almelo reed, diens
vrachtwagen aan de kant van de weg stil laten zetten;
- die [slachtoffer 1] een bekeuring aangezegd voor een door die [slachtoffer 1] niet begane
overtreding,
- die [slachtoffer 1] duidelijk gemaakt dat de bekeuring direct en contant, aan hem,
verdachte, diende te worden voldaan;
- die [slachtoffer 1] naar een geldautomaat in Almelo begeleid en/of
- genoemd geldbedrag van die [slachtoffer 1] aangenomen (zaaksdossier 1);
2
hij op of omstreeks 15 september 2023 te Oldenzaal, althans in Nederland,
met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen,
door één of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels,
een persoon, te weten de heer [slachtoffer 2] (uit Bulgarije),
heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag ad 389 euro, althans een
geldbedrag,
immers heeft verdachte, terwijl hij, verdachte, werkzaam was als motoragent,
met genoemd oogmerk, (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in
strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven –
- die [slachtoffer 2] , die daar toen als vrachtwagenchauffeur op de snelweg ter hoogte van
Oldenzaal reed, diens vrachtwagen aan de kant van de weg stil laten zetten;
- die [slachtoffer 2] een bekeuring aangezegd voor een door die [slachtoffer 2] niet begane
overtreding,
- die [slachtoffer 2] duidelijk gemaakt dat de bekeuring direct en contant, aan hem,
verdachte, diende te worden voldaan;
- die [slachtoffer 2] naar een geldautomaat in Oldenzaal begeleid en/of
- een geldbedrag van die [slachtoffer 2] aangenomen,
waardoor er bij die [slachtoffer 2] een valse voorstelling van zaken is gewekt en/of
waardoor die [slachtoffer 2] werd bewogen tot voornoemde afgifte (zaaksdossier 2);
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 september 2023 te Oldenzaal, althans in Nederland,
als politie-ambtenaar,
een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door misbruik van gezag, heeft gedwongen
iets te doen, niet te doen of te dulden,
immers heeft verdachte, terwijl hij, verdachte, toen werkzaam was als motoragent,
- die [slachtoffer 2] , die toen als vrachtwagenchauffeur op de A1 nabij Almelo reed, diens
vrachtwagen aan de kant van de weg stil laten zetten;
- die [slachtoffer 2] een bekeuring aangezegd voor een volgens verdachte door die
[slachtoffer 2] beweerdelijk begane overtreding,
- die [slachtoffer 2] duidelijk gemaakt dat de bekeuring direct en contant, aan hem,
verdachte, diende te worden voldaan;
- die [slachtoffer 2] naar een geldautomaat in Almelo begeleid en/of
- genoemd geldbedrag van 400 euro van die [slachtoffer 2] aangenomen, en deze daarna
11 euro retour gegeven (zaaksdossier 2);
3
hij in of omstreeks de periode van 14 maart 2019 tot en met 10 oktober 2023, op één
meerdere plaatsen in Nederland,
meermalen, opzettelijk en wederrechtelijk,
met behulp van een of meer valse sleutels en/of signalen en/of door het aannemen
van een of meer valse hoedanigheden en/of het onbevoegd gebruik van een
gebruikersnaam en/of wachtwoord-combinatie,
is binnengedrongen in één of meer (delen van) geautomatiseerde werken, te weten
één of meer (delen van) servers van de politie,
namelijk door (telkens) op onbevoegde wijze gebruik te maken van een
gebruikersnaam of wachtwoord en/of door zich met een gebruikersnaam en/of
wachtwoord toegang te verschaffen tot (delen van de) servers van de politie met een
ander doel dan waarvoor die gebruikersnaam en/of dat wachtwoord ter beschikking
stond en/of waarvoor hem die toegang was toegestaan,
door (telkens) met behulp van het hem toegekende of ter beschikking staande
gebruikersaccount bij de politie (personeelsnummer [personeelsnummer] ) in te loggen in de
beveiligde Citrix-omgeving en/of zijn, verdachtes, beveiligde diensttelefoon,
en zich vervolgens toegang te verschaffen tot de systemen/applicaties Meer
Effectief Op Straat (MEOS) en/of Basis Voorziening Handhaving (BVH) en/of Basis
Voorziening Informatie Integrale Bevragingen (BVI-IB) en/of Blueview en/of
Bluespot Monitor (BSM) en/of tot die (delen van) servers waarop genoemde
systemen/applicaties waren geplaatst,
zijnde systemen/applicaties, waarop voor verdachte informatie beschikbaar was
met een ander doel dan waarvoor hem, verdachte, zijn gebruikersaccount ter
beschikking stond en/of waarvoor hem de toegang tot die systemen/ applicaties
was toegestaan en/of (vervolgens) gegevens die waren opgeslagen en/of verwerkt
en/of overgedragen door middel van (delen van) die geautomatiseerde werken voor
zichzelf en/of een ander over te nemen en/of inzichtelijk te maken en/of de inhoud
daarvan aan een daartoe niet-gerechtigde persoon/derde te verstrekken en/of te
openbaren,
en die systemen/applicaties (telkens) te gebruiken voor niet-werkgerelateerde
bevragingen, althans met een ander doel dan waarvoor hem zijn gebruikersaccount
ter beschikking was gesteld en waarvoor hem de toegang tot die
systemen/applicaties was toegestaan, zoals bevragingen rond
- zichzelf en/of eigen voertuigen;
- eigen familieleden en/of buren en/of kennissen en/of
- één of meer leden van een zogenaamde OMG;
(zaaksdossier 6).

3.De bewijsmotivering

De rechtbank zal in deze bewijsmotivering afwijken van de volgorde van de tenlastelegging en de feiten op chronologische volgorde (van de pleegdata) bespreken.
3.1
Feit 3
3.1.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, met uitzondering van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de bevragingen van leden van een zogenaamde OMG (Outlaw Motorcycle Gang).
3.1.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde bevragingen van de OMG-leden en heeft zich ten aanzien van het overige ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.1.3
Het oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
De rechtbank komt, behoudens het hierna toegelichte onderdeel, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Partiële vrijspraak
Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de bevragingen van één of meer leden van een zogenaamde OMG niet wettig en overtuigend bewezen te verklaren, nu niet kan worden vastgesteld dat deze bevragingen niet werkgerelateerd waren. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
3.2
Feit 2
3.2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie acht de verklaringen van verdachte ongeloofwaardig en gaat uit van de verklaring van aangever
[slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ).
3.2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn en niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, dan wel dat op basis van die verklaringen niet de overtuiging kan worden verkregen dat verdachte enig strafbaar feit heeft gepleegd jegens [slachtoffer 2] . Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is. De verdediging stelt dat er geen sprake is van oplichting in de zin van artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), omdat de in de tenlastelegging opgenomen feitelijkheden niet zijn te kwalificeren als verdichtsels of listige kunstgrepen, zoals bedoeld in de wet. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat een aantal van de ten laste gelegde feitelijkheden niet in Oldenzaal, maar in Almelo plaats zouden hebben gevonden, zodat verdachte van die feitelijkheden vrijgesproken dient te worden.
3.2.3
Het oordeel van de rechtbank
3.2.3.1 De verklaring van verdachte
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 2] op 15 september 2023 staande heeft gehouden in verband met het (meermalen) overtreden van een inhaalverbod en het rijden zonder kenteken op zijn aanhanger. Verdachte heeft [slachtoffer 2] op de vluchtstrook een bekeuring aangezegd. [slachtoffer 2] heeft vervolgens gevraagd of hij de bekeuring contant kon betalen. Daarop heeft verdachte [slachtoffer 2] , op diens verzoek, naar een geldautomaat gebracht, door met zijn politiemotor voor het voertuig van [slachtoffer 2] uit te rijden. [slachtoffer 2] is naar de pinautomaat gelopen en heeft uiteindelijk een bedrag van € 250,-- overhandigd aan verdachte. Dit was niet voldoende om de bekeuring te voldoen. Verdachte heeft daarop gezegd dat de bekeuring werd omgezet in een waarschuwing, de kwitantie verscheurd en het geldbedrag teruggeven aan [slachtoffer 2] .
3.2.3.2 De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2]
De rechtbank is van oordeel dat de door [slachtoffer 2] afgelegde belastende verklaringen betrouwbaar zijn. [slachtoffer 2] heeft gedetailleerd en consistent verklaard over wat er op
15 september 2023 feitelijk is voorgevallen. Zo heeft hij, zowel tijdens het politieverhoor in Bulgarije als tijdens het verhoor door de rechter-commissaris, verklaard dat hij op voornoemde datum staande werd gehouden door een motoragent, dat hem een boete werd aangezegd in verband met het overtreden van een inhaalverbod, dat de motoragent het boetebedrag op een briefje schreef, dat hem door de motoragent werd verteld dat hij de boete contant moest voldoen en dat hij vervolgens naar een pinautomaat werd begeleid alwaar hij een bedrag heeft gepind en heeft overhandigd aan de motoragent. Een aantal van deze handelingen en de tijd en plaats worden door de verdachte ook bevestigd in
zijnlezing van deze gebeurtenissen. De verklaring van [slachtoffer 2] komt naar het oordeel van de rechtbank authentiek over. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaring van [slachtoffer 2] veel overeenkomsten met de verklaring van aangever [slachtoffer 1] (feit 1) bevat, terwijl [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] elkaar niet kennen en zij geen enkele wetenschap hebben gehad van hetgeen zij afzonderlijk hebben verklaard. Dit draagt voor de rechtbank bij aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] en wijst naar het oordeel van de rechtbank op een specifieke handelwijze van verdachte. Tot slot wordt de betrouwbaarheid van de belastende verklaring versterkt door het gegeven dat niet is gebleken van aanknopingspunten dat er voor [slachtoffer 2] enige aanleiding bestond om verdachte ten onrechte te beschuldigen van het tenlastegelegde. De verklaringen van [slachtoffer 2] bevatten weliswaar enige discrepanties voor wat betreft (de hoogte van) het boetebedrag en het door hem gepinde bedrag, maar dat maakt niet direct dat zijn verklaring als geheel onbetrouwbaar moet worden beschouwd. Dat de verklaringen op dit punt enigszins afwijken, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden bezien in het licht van het grote tijdsverloop tussen de twee verhoormomenten, het feit dat de verklaringen telkens met tussenkomst van een tolk tot stand zijn gekomen, de wijze van vraagstelling van de rechter-commissaris en de verwarrende omstandigheden waaronder de ‘boete’ door [slachtoffer 2] is voldaan. Die factoren in aanmerking nemende, bevreemden de discrepanties tussen de verklaringen de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is en (als uitgangspunt) voor het bewijs kan worden gebruikt. Het feit dat op de opgevraagde bankafschriften van [slachtoffer 2] geen afschrijving van € 400,-- te zien is, maakt dat niet anders. Hij heeft immers niet verklaard van welke bankrekening hij het bedrag heeft opgenomen. Datzelfde geldt voor hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot het al dan niet gelden van het inhaalverbod op het door [slachtoffer 2] gereden traject.
3.2.3.3 De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Op 15 september 2023 rijdt [slachtoffer 2] , afkomstig uit Bulgarije, als vrachtwagenchauffeur met zijn vrachtwagen op de A1. Hij wordt door verdachte, die op dat moment werkzaam is als motoragent, staande gehouden. [slachtoffer 2] brengt zijn vrachtwagen tot stilstand op de vluchtstrook. Verdachte zegt [slachtoffer 2] een bekeuring aan in verband met het beweerdelijk overtreden van het inhaalverbod, welke overtreding echter niet daadwerkelijk door [slachtoffer 2] is begaan. Verdachte maakt [slachtoffer 2] duidelijk dat hij de bekeuring direct en contact dient te voldoen, waarna verdachte [slachtoffer 2] naar een geldautomaat in Oldenzaal begeleidt. Buurtbewoner [getuige] (hierna: [getuige] ) vindt deze situatie opmerkelijk en maakt daarom tussen 16:23 uur en 16:25 uur een aantal foto’s van de geparkeerde vrachtwagen van [slachtoffer 2] aan de [adres 2] . Vervolgens pint [slachtoffer 2] een geldbedrag en overhandigt hij een geldbedrag aan verdachte. Verdachte neemt het geldbedrag van [slachtoffer 2] aan en overhandigt [slachtoffer 2] een kwitantie. Daarna scheiden hun wegen. Uit de gegevens van de geldautomaat aan de [adres 2] blijkt dat om 16:26 uur een bedrag van € 400,-- is opgenomen met een Bulgaarse mastercard.
3.2.3.4 De overwegingen van de rechtbank
Zoals hiervoor reeds overwogen, zal de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 2] als uitgangspunt voor het bewijs nemen. Deze verklaring vindt allereerst steun in de verklaring verdachte, waarin hij erkent dat hij de motoragent is die [slachtoffer 2] heeft staande gehouden en met hem bij het pinautomaat was. De verklaring van [slachtoffer 2] vindt ook steun in de verklaring van onafhankelijke getuige [getuige] . [getuige] heeft verklaard dat hij meermalen, op verschillende data, heeft gezien dat een motoragent met een vrachtwagen voorzien van een buitenlands kenteken naar de pinautomaat in zijn straat reden, dat de vrachtwagenchauffeur dan telkens een bedrag pinde en geld overhandigde aan de motoragent, waarna de chauffeur een papiertje terugkreeg. Zo ook op 15 september 2023, waarop [getuige] heeft besloten foto’s van de motoragent en de vrachtwagenchauffeur te maken. Daarnaast wordt de verklaring van [slachtoffer 2] ondersteund door de gegevens van de bankautomaat aan de [adres 2] , waaruit blijkt dat enkele minuten nadat [slachtoffer 2] zijn vrachtwagen had geparkeerd een geldbedrag van € 400,-- werd opgenomen met een Bulgaarse betaalkaart. De verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 2] op het allerlaatste moment slechts een waarschuwing heeft gegeven en het geld heeft teruggegeven, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt door het feit dat verdachte niets heeft gemuteerd of geverbaliseerd over de (uitvoerige) interactie met [slachtoffer 2] .
De rechtbank zal vervolgens de vraag beantwoorden of dit handelen van verdachte kan worden aangemerkt als de oplichtingsmiddelen “samenweefsel van verdichtsels” en “listige kunstgreep”. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, met zijn handelingen en (valse) mededelingen, door een samenweefsel van verdichtsels en listige kunstgrepen bij de [slachtoffer 2] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven waardoor [slachtoffer 2] is bewogen tot de afgifte van een geldbedrag. Verdachte heeft namelijk – terwijl hij aan het werk was als motoragent – [slachtoffer 2] bewogen tot het contant betalen van een geldbedrag, waarbij verdachte heeft gefingeerd dat [slachtoffer 2] een boete aan de Nederlandse Staat heeft betaald voor een (vermeende) verkeersovertreding. Dit levert bij uitstek een oplichtingssituatie op.
Conclusie
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
3.3
Feit 1
3.3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Het Openbaar Ministerie gaat, gelet op de aangifte, de door [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) opgenomen beelden en geluidsfragmenten, zonder enige twijfel uit van de verklaring van [slachtoffer 1] en wordt hierin gesterkt door de verklaring van [slachtoffer 2] over een identieke werkwijze. Gelet op het voorgaande stelt het Openbaar Ministerie dat er geen sprake is van een verklaring die “sole and decisive” is, zodat het verweer van de raadsman verworpen moet worden.
3.3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 1] niet tot het bewijs kan worden gebezigd, omdat [slachtoffer 1] een voor de verdachte belastende getuige betreft, en de verdediging geen mogelijkheid heeft gehad [slachtoffer 1] te ondervragen. Als de verklaring van [slachtoffer 1] desondanks zou worden gebruikt voor het bewijs, dan is er geen sprake van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De verdediging stelt ter onderbouwing hiervan dat [slachtoffer 1] niet “unreachable” was, dat zijn getuigenverklaring “sole and decisive” is en de verdediging het ondervragingsrecht niet behoorlijk en effectief heeft kunnen uitoefenen terwijl het proces hiervoor onvoldoende “counterbalancing” factors bevat. Indien de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] wél tot het bewijs bezigt, wordt door de verdediging aangevoerd dat niet de overtuiging kan worden verkregen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair en subsidiair ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde, omdat daar onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor aanwezig is. De verdediging stelt dat er geen sprake is van oplichting in de zin van artikel 326 Sr Pro, omdat de in de tenlastelegging opgenomen feitelijkheden niet zijn te kwalificeren als verdichtsels of listige kunstgrepen, zoals bedoeld in de wet.
3.3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.3.1 De verklaring van verdachte
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] staande heeft gehouden en een boete heeft aangezegd. Gelet op het feit dat [slachtoffer 1] geen EU-inwoner is, heeft verdachte gezegd dat hij de boete in principe gelijk moest betalen. Op verzoek van [slachtoffer 1] heeft verdachte hem vervolgens naar de pinautomaat aan de Rembrandtlaan in Almelo gebracht. Toen [slachtoffer 1] terugkwam de het geldautomaat bleek dat hij niet voldoende geld had. Verdachte heeft het geld, nadat hij dit had geteld, aan [slachtoffer 1] teruggegeven en gezegd dat hij verder kon rijden.
3.3.3.2 De bruikbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1]
In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang:
(i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt,
(ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en
(iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat a. een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en b. er zo nodig compenserende factoren zijn.
De verdediging heeft de rechter-commissaris verzocht om [slachtoffer 1] als getuige te horen. Dit verzoek is op 22 mei 2025 toegewezen. Uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 9 januari 2026 volgt dat de rechter-commissaris navraag heeft gedaan bij het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) Oost-Nederland over het al dan niet bestaan van een rechtshulprelatie met Wit-Rusland alwaar [slachtoffer 1] verblijft. Hierop heeft de liaison-officer van het IRC geantwoord dat het opmaken van een rechtshulpverzoek voor het horen van [slachtoffer 1] zinloos is, omdat er geen rechtshulprelatie is tussen Nederland en Wit-Rusland. De rechtbank oordeelt dat er hiermee een goede reden was waarom het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend. Voorts is van belang dat het bewijs niet in overwegende mate is gebaseerd op de verklaring van [slachtoffer 1] , omdat er ook andere bewijsmiddelen beschikbaar zijn, die betrekking hebben op die onderdelen die door verdachte zijn betwist. De rechtbank wijst in dit verband op (1) het proces-verbaal met de uitwerking van de door [slachtoffer 1] opgenomen beelden en geluidsfragmenten, (2) het bankafschrift van het gepinde bedrag, (3) de verklaring van verdachte dat hij het geld van [slachtoffer 1] – weliswaar volgens verdachte slechts voor zeer korte duur – daadwerkelijk heeft aangenomen en (4) de verklaringen van [getuige] en [slachtoffer 2] , welke verklaringen door de rechtbank mede redengevend voor onderhavig feit worden geacht, zoals de rechtbank hierna in het kader van schakelbewijs nader zal overwegen. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat, ondanks dat de verdediging [slachtoffer 1] niet als getuige heeft kunnen ondervragen, geen sprake is van een verklaring die “sole and decisive” is en dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. De rechtbank zal de verklaring van [slachtoffer 1] dan ook voor het bewijs gebruiken.
3.3.3.3 De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Op 26 oktober 2023 rijdt [slachtoffer 1] , afkomstig uit Wit-Rusland, in het kader van zijn werk als vrachtwagenchauffeur met zijn vrachtwagen over de A1 ter hoogte van Oldenzaal. Verdachte, die op dat moment werkzaam is als motoragent, laat [slachtoffer 1] de vrachtwagen stil zetten en zegt hem een bekeuring aan voor een overtreding die niet door [slachtoffer 1] is begaan. Verdachte maakt [slachtoffer 1] duidelijk dat hij de bekeuring direct moet betalen en [slachtoffer 1] moet achter verdachte aanrijden naar een geldautomaat. Vanaf het moment dat zij Almelo binnenrijden, maakt [slachtoffer 1] een filmopname met zijn telefoon. Gedurende de filmopname is te horen dat [slachtoffer 1] onder meer zegt “
Kijk de sporen van de andere vrachtwagens, dit is zijn lokaas plaats”, “
Nu nog transactiekosten betalen”,
Contant 100 euro”en “
Ik heb 100 euro genomen”. Verdachte rijdt, gevolgd door [slachtoffer 1] , naar de geldautomaat aan de Rembrandtlaan in Almelo. [slachtoffer 1] neemt bij deze geldautomaat een bedrag van € 100,-- op en overhandigt dit aan verdachte. Verdachte stopt het geld in zijn jaszak en rijdt uiteindelijk weg.
3.3.3.4 De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de belastende verklaring van [slachtoffer 1] steun vindt in de eigen verklaring van verdachte, waarin hij een deel van de feitelijke handelingen zoals ten laste gelegd heeft erkend, en de (uitwerking van de) door [slachtoffer 1] gemaakte film- en geluidsopname. Ook vindt de verklaring steun in het door [slachtoffer 1] aangeleverde bankafschrift, waaruit volgt dat hij op 26 oktober 2023 daadwerkelijk een geldbedrag van
€ 100,-- bij een geldautomaat in Almelo heeft gepind. Daarnaast maakt de rechtbank voor de bewezenverklaring gebruik van zogenoemd schakelbewijs. Dit is een wijze van bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidende feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Daarvan is in deze zaak sprake. Het bewijsmateriaal voor de feiten 1 en 2 vertoont op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen en duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte. De overeenkomsten zijn als volgt. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn allebei chauffeurs van Oost-Europese komaf. Verdachte was tijdens beide feiten werkzaam als motoragent. Hij heeft beide chauffeurs staandegehouden op een vluchtstrook. Verdachte heeft hen een boete aangezegd en daarbij gemeld dat de boete contant voldaan moest worden. Vervolgens heeft hij beide chauffeurs begeleid naar een geldautomaat – weliswaar op verschillende plekken – en hen aldaar een geldbedrag laten pinnen en laten afgeven. Er is dan ook sprake van een herkenbaar en gelijksoortig patroon – een kenmerkende modus operandi –in de aan de verdachte verweten feiten. Het gevolg hiervan is dat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de gepleegde oplichtingen van [slachtoffer 2] ook dienen als bewijs voor de oplichting van [slachtoffer 1] .
Al hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en in samenhang bezien, leidt tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde handelingen. Dit brengt met zich dat de rechtbank ook ten aanzien van dit feit de verklaring van verdachte over het omzetten van de bekeuring in een waarschuwing en het teruggeven van het geld aan [slachtoffer 1] als ongeloofwaardig terzijde schuift.
Voor wat betreft het door de raadsman gevoerde verweer met betrekking tot de oplichtingsmiddelen verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor – ten aanzien van de oplichting van [slachtoffer 2] (feit 1) – reeds heeft overwogen.
Conclusie
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
primair
hij op 26 oktober 2023 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen,
door één of meer listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels,
een persoon, te weten de heer [slachtoffer 1] ,
heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag ad 100 euro,
immers heeft verdachte, terwijl hij, verdachte, werkzaam was als motoragent,
met genoemd oogmerk, valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in
strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven –
- die [slachtoffer 1] , die toen als vrachtwagenchauffeur op de A1 nabij Almelo reed, diens
vrachtwagen aan de kant van de weg stil laten zetten;
- die [slachtoffer 1] een bekeuring aangezegd voor een niet door die [slachtoffer 1] begane
overtreding,
- die [slachtoffer 1] duidelijk gemaakt dat de bekeuring direct en contant, aan hem,
verdachte, diende te worden voldaan;
- die [slachtoffer 1] naar een geldautomaat in Almelo begeleid en
- genoemd geldbedrag van die [slachtoffer 1] aangenomen,
waardoor er bij die [slachtoffer 1] een valse voorstelling van zaken is gewekt en
waardoor die [slachtoffer 1] werd bewogen tot voornoemde afgifte;
2
primair
hij op 15 september 2023 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door één of meer listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels,
een persoon, te weten de heer [slachtoffer 2] (uit Bulgarije),
heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag,
immers heeft verdachte, terwijl hij, verdachte, werkzaam was als motoragent,
met genoemd oogmerk, valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in
strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven –
- die [slachtoffer 2] , die daar toen als vrachtwagenchauffeur op de snelweg ter hoogte van
Oldenzaal reed, diens vrachtwagen aan de kant van de weg stil laten zetten;
- die [slachtoffer 2] een bekeuring aangezegd voor een door die [slachtoffer 2] niet begane
overtreding,
- die [slachtoffer 2] duidelijk gemaakt dat de bekeuring direct en contant, aan hem,
verdachte, diende te worden voldaan;
- die [slachtoffer 2] naar een geldautomaat in Oldenzaal begeleid en
- een geldbedrag van die [slachtoffer 2] aangenomen,
waardoor er bij die [slachtoffer 2] een valse voorstelling van zaken is gewekt en
waardoor die [slachtoffer 2] werd bewogen tot voornoemde afgifte;
3
hij in de periode van 14 maart 2019 tot en met 10 oktober 2023 in Nederland, meermalen, opzettelijk en wederrechtelijk, met behulp van een valse sleutel, te weten door het onbevoegd gebruik van een gebruikersnaam en wachtwoord-combinatie,
is binnengedrongen in één of meer (delen van) geautomatiseerde werken, te weten
één of meer (delen van) servers van de politie,
namelijk door (telkens) op onbevoegde wijze gebruik te maken van een
gebruikersnaam of wachtwoord en door zich met een gebruikersnaam en
wachtwoord toegang te verschaffen tot (delen van de) servers van de politie met een
ander doel dan waarvoor die gebruikersnaam en dat wachtwoord ter beschikking
stond en waarvoor hem die toegang was toegestaan,
door (telkens) met behulp van het hem toegekende of ter beschikking staande
gebruikersaccount bij de politie (personeelsnummer [personeelsnummer] ) in te loggen in de
beveiligde Citrix-omgeving en zijn, verdachtes, beveiligde diensttelefoon,
en zich vervolgens toegang te verschaffen tot de systemen/applicaties Meer
Effectief Op Straat (MEOS) en Basis Voorziening Handhaving (BVH) en Basis
Voorziening Informatie Integrale Bevragingen (BVI-IB) en Blueview en
Bluespot Monitor (BSM) en tot die (delen van) servers waarop genoemde
systemen/applicaties waren geplaatst,
zijnde systemen/applicaties, waarop voor verdachte informatie beschikbaar was
met een ander doel dan waarvoor hem, verdachte, zijn gebruikersaccount ter
beschikking stond en waarvoor hem de toegang tot die systemen/applicaties
was toegestaan en/of vervolgens gegevens die waren opgeslagen en/of verwerkt
en/of overgedragen door middel van (delen van) die geautomatiseerde werken voor
zichzelf inzichtelijk te maken en die systemen/applicaties telkens te gebruiken voor niet-werkgerelateerde bevragingen, zoals bevragingen rond
- zichzelf en/of eigen voertuigen;
- eigen familieleden en/of buren en/of kennissen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 138ab en 326 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feiten 1 en 2, primair
telkens, het misdrijf: oplichting;
feit 3
het misdrijf: computervredebreuk, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, rekening houdend met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a Sr, indien er enkel een bewezenverklaring voor het onder feit 3 ten laste gelegde volgt. Indien de rechtbank ook tot een bewezenverklaring van het onder feiten 1 en 2 primair dan wel subsidiair ten laste gelegde komt, is een geheel voorwaardelijke straf passend en geboden.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft tijdens zijn werkzaamheden als motoragent twee Oost-Europese vrachtwagenchauffeurs staande gehouden, ten onrechte een bekeuring aangezegd en hen op slinkse wijze bewogen tot het direct pinnen en betalen van de boetebedragen. De door de bestuurders betaalde bedragen heeft verdachte in zijn eigen zak gestoken. Dit gedrag van verdachte getuigt van een doortrapte manier van handelen, waarbij hij slechts aan zijn eigen financieel gewin heeft gedacht en geen enkel probleem had met het voorliegen van de buitenlandse beroepschauffeurs. Verdachte heeft daarbij misbruik gemaakt van zijn positie als politieagent, en hiermee de reputatie van het Nederlandse politieapparaat en het vertrouwen dat men in de betrouwbaarheid en integriteit van de politie heeft, en moet kunnen hebben, op een zeer kwalijke manier aangetast. Ook heeft hij het door de politie in hem gestelde vertrouwen ernstig beschaamd. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat verdachte hiervoor nog altijd geen enkele verantwoordelijkheid neemt en het ter zitting zelfs (ten onrechte) wilde doen voorkomen alsof hij de slachtoffers uit goedheid heeft laten wegkomen met een waarschuwing.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk. Hij heeft in zijn hoedanigheid als politieambtenaar gedurende een lange periode een aanzienlijk aantal bevragingen gedaan in de computersystemen van de politie zonder dat daartoe vanuit de uitoefening van de politietaak enige aanleiding bestond. Hiermee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de privacy van de personen die hij heeft opgezocht. Ook dit soort handelingen schaden het vertrouwen van de samenleving in de politie en ook hierover heeft verdachte ter zitting laten zien dat hij geen enkel inzicht heeft in het kwalijke van zijn handelen. Dit alles wordt verdachte zeer stevig aangerekend.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 15 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van 3 juli 2025 en 12 mei 2026. Hierin staat onder meer het volgende. Verdachte is sinds 2025 ontslagen bij de politie. Hij heeft depressieve klachten ontwikkeld, waarvoor hij inmiddels psychologische hulp krijgt. Verdachte heeft recentelijk stappen ondernomen richting een nieuwe baan en hoopt in de toekomst aan de slag te kunnen als beroepschauffeur. Er zijn geen problemen aanwezig op de verschillende leefgebieden, behoudens de dagbesteding en het psychosociaal functioneren van verdachte. Na het afronden van onderhavige strafzaak ontstaat er ook op deze leefgebieden mogelijk meer stabiliteit. Verdachte heeft een sterk familienetwerk en er is sprake van een gezonde financiële situatie. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De reclassering ziet geen noodzaak tot het inzetten van interventies of toezicht.
De schending van de redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Verdachte is op 2 november 2023 in verzekering gesteld. De rechtbank zal in deze zaak dat moment als beginpunt van de redelijke termijn aanmerken. De rechtbank doet op 22 juni 2026 uitspraak. De redelijke termijn is met een periode van ruim zes maanden overschreden. In dit geval zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een dergelijke termijnoverschrijding kunnen billijken. De rechtbank zal dit dan ook meewegen bij de strafoplegging.
De op te leggen straf of maatregel
De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn gecompenseerd dient te worden door een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, die doorgaans – zonder termijnoverschrijding – voor dit soort strafbare feiten wordt opgelegd. Hoewel de rechtbank niet blind is voor het feit dat deze zaak een zware wissel heeft getrokken op het leven van verdachte, kan naar haar oordeel voor feiten als de onderhavige niet worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf zoals door de raadsman is bepleit. Ook de door de officier van justitie geëiste strafduur doet naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende recht aan de ernst van de onderhavige feiten. Met name het feit dat verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn positie als agent, weegt zwaar mee, ook vanuit het oogpunt van generale preventie. De rechtbank zal daarom een taakstraf van langere duur opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren passend en geboden is.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c, 22d en 57 Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feiten 1 en 2, primair
telkens, het misdrijf: oplichting;
feit 3
het misdrijf: computervredebreuk, meermalen gepleegd.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. de Waard, voorzitter, mr. R.A. Heblij en mr. P. de Mos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer S_TW236863 / ONSDA23008. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Feiten 1 en 2
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 juni 2026, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:
Op 16 september 2023 heb ik de vrachtwagenchauffeur uit Bulgarije (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) staande gehouden en hem een bekeuring aangezegd in verband met het overtreden van het inhaalverbod. Ik heb hem vervolgens naar een pinautomaat in Oldenzaal begeleid. Op 26 oktober 2023 heb ik vrachtwagenchauffeur [slachtoffer 1] staande gehouden en hem een boete aangezegd. Wij zijn naar de pinautomaat aan de Rembrandtlaan in Almelo gereden. Toen [slachtoffer 1] terugkwam van de geldautomaat heb ik een geldbedrag van hem aangenomen en geteld. Ik had in beide gevallen eigenlijk de verkeersofficier moeten bellen, maar dat heb ik niet gedaan. Ik heb in beide gevallen geen mutatie van het incident gemaakt.
2.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] inclusief bijlagen van 20 oktober 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 310-320:
V: Hoe ging dat op 21 september?
A: Er was mij iets opgevallen en ik wilde uw collega daar vragen over stellen. Ik vroeg mij af: is het normaal dat een buitenlandse vrachtwagen hier geparkeerd staat, dat de chauffeur geld pint bij de geldautomaat en dat dit geld overhandigd wordt aan een motoragent.
V. Wat heeft u doen besluiten om foto's te maken?
A: Het is niet één keer dat ik deze situatie zag. Voordat ik de foto's maakte, dat was op vrijdag 15 september 2023, heb ik dezelfde situatie 4 of 5 keer eerder gezien. Ik vertelde dat ik had gezien dat er geld werd overhandigd en dat de vrachtwagenchauffeur ook een papiertje terugkreeg. Ik vertelde ook aan uw collega dat een vrachtwagenchauffeur aan mij had gevraagd, in gebrekkig Duits, waar een pinautomaat was. Ik zag vervolgens ook dat deze vrachtwagenchauffeur die mij de vraag stelde ook het geld dat hij gepind had overhandigde aan de motoragent.
V: Elke keer zag u dat een vrachtwagen stopte, geld ging pinnen en naar de motoragent ging?
A: Ja ik zag steeds hetzelfde. Ik zag steeds dat geld werd overhandigd en de chauffeur kreeg dan een papiertje terug. Daarom heb ik de vijfde keer (de rechtbank begrijpt: op 15 september 2023) dat ik het zag ook foto's gemaakt.
V: Hoe zag dat papiertje eruit?
A: Dat weet ik niet meer. Ik zag wel dat de agent eerst op dat papier schreef.
V: We gaan even terug naar vrijdag 15 september, toen u foto's heeft gemaakt. Hoe ging dat in z'n werk?
O: Wij tonen bijlage 1, een plattegrond van Google Maps. De getuige tekent hierop waar hij zelf stond op het moment dat hij de foto's maakte, waar de motoragent zich bevond, waar de
vrachtwagen geparkeerd stond en waar de geldautomaat is.
[afbeelding]
3.
Het proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2024, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 117-120:
Tijdens het getuigenverhoor is door mij, verbalisant, ook gevraagd of de heer [getuige] de
broninformatie van de foto’s aan mij kon tonen. De broninformatie bevat onder andere informatie met een verwijzing.
[afbeelding]
[afbeelding]
3.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] door de rechter-commissaris van 8 januari 2026, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven:
Ik heb op 15 september 2023 door een agent een boete opgelegd gekregen ter hoogte van € 390,--. U vraagt mij of ik op 15 september 2023 door een politieagent op een motor of een
politieagent in een auto staande ben gehouden. Door een agent op een motor. Hij heeft mij een bord aangewezen waaruit zou blijken dat ik niet mocht inhalen. U vraagt mij welke instructie die agent mij vervolgens heeft gegeven. Ik moest het eerste bedrag uitbetalen. Hij zei dat ik niet met een bankpas kon betalen maar alleen cash. Daarna heeft hij gezegd dat ik met mijn vrachtwagen achter hem aan moest blijven rijden tot wij bij een bank aankwamen. Bij de bankautomaat zijn wij vervolgens gearriveerd. Ik heb het bedrag met een pinpas opgenomen en het geld afgegeven. Daarna heb ik de kwitantie van de agent gekregen. U vraagt mij hoeveel ik heb gepind op dat moment. Dat was € 400,--. U vraagt mij of ik dat bedrag aan de agent heb overhandigd. Ja. Hij gaf mij het resterende bedrag terug. U vraagt mij of ik die dag dat verbod heb overtreden. Nee. U vraagt mij of ik dat zeker weet. Ik ben 100% zeker.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen van 20 november 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 78-79:
Hierna worden de transacties / contante geldopnamen die met pinpassen van buitenlandse bankrekeningen werden verricht weergegeven:
[afbeelding]
5.
Het proces-verbaal van bevindingen van 8 november 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 42-43:
Op woensdag 1 november 2023 werd ik gebeld door teamchef [naam 1] van het basisteam [plaats] van de politie-eenheid Oost-Nederland. In het kort weergegeven verklaarde [naam 1] als volgt: Op 27 oktober 2023 hebben wij een terugbelverzoek ontvangen van een medewerker van het bedrijf [bedrijf] uit [vestigingsplaats] . Deze medewerker maakte melding van het feit dat een buitenlandse vrachtwagenchauffeur, welke voor hun bedrijf reed, op 26 oktober 2023 door een politiemotorrijder in Almelo staande was gehouden, een boete werd aangezegd, door de politiemotorrijder mee werd genomen naar een pinautomaat, moest pinnen en vervolgens de aangezegde boete contant af moest rekening.
6.
Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] van 7 november 2023 inclusief bijlagen, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 343-352:
Ik ben in de door mij bestuurde vrachtwagen de grens overgegaan op de snelweg A1 bij Oldenzaal. Ik werd daar aan de kant gezet door een politieagent op de motor. Ik heb geen overtreding begaan. Hij heeft mij aan de kant gezet op de vluchtstrook langs de snelweg. Hij heeft op een papier, een kleine blocnote, de cijfers 450 euro gezet. Een boete. Hij zei vervolgens: je moet 450 euro direct betalen. Toen moest ik achter hem aanrijden naar een geldautomaat. De politieagent heeft mij laten stoppen op een halte voor openbaar vervoer. Ik heb vlakbij de halte bij een geldautomaat 100 euro gepind. Ik heb hiervan een bankafschrift. Op het bankafschrift staat als tijdstip van pinnen 3:41 uur en de datum 28-10-2023, maar dat klopt niet. Het moment van pinnen was 26-10-2023 omstreeks 15:00 uur. Ik heb twee briefjes van 50 euro uit de geldautomaat gekregen. Ik heb het geld, beide briefjes van 50 euro, aan de politieagent gegeven. De politieagent stopte het geld in een zak van zijn jas, ter hoogte van de borst.
[afbeelding]
7.
Het proces-verbaal van bevindingen van 1 december 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 47-51:
Op 26 oktober 2023 werd door [naam 2] van [bedrijf] [vestigingsplaats] gevestigd aan de [adres 3] een melding gedaan dat een chauffeur van hem door een motoragent van politie aan de kant was gezet en een boete van 100 euro contant moest voldoen. Aangever [slachtoffer 1] heeft de route nadat hij Almelo binnenreed tot de overdracht geld en vertrek gefilmd met zijn telefoon. Gedurende deze filmopname werd er door de vrachtautochauffeur in het de Russische taal gesproken. Op woensdag 20 december 2023, omstreeks 10.00 uur werd door de tolk de gesprekken beluisterd. Op de filmopname was een mannenstem en een vrouwenstem te horen. De mannenstem was van de vrachtautochauffeur en de vrouwenstem was van de navigatie. Door verbalisant is de vertaling door de tolk en chronologisch volgorde hieronder weergegeven:
* Waar is hier een geldautomaat?
* Contant 100 euro.
* Ik heb 100 euro genomen
* Klootzak, nu rijdt hij terug
Feit 3
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 juni 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van bevindingen van 5 april 2024, pagina 149-168;
Het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2024, pagina 171-173;
Het proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2024, pagina 174-178;
Het proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2024, pagina 179-182;
Het proces-verbaal van bevindingen van 22 april 2024, pagina 186-199;
Het proces-verbaal van bevindingen van 26 april 2024, pagina 200-218;
Het proces-verbaal van bevindingen van 16 mei 2024, pagina 280-291.