Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3498

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
12176080 \ CV EXPL 26-954
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:231 lid 2 BWOpiumwetGemeentewetWoningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontruimingsvordering na sluiting woning wegens illegale goederen

De stichting Jongeren Huisvesting Twente (SJHT) verhuurde sinds 2020 een kamer aan de huurder. Vanaf 2021 veroorzaakte de huurder voortdurend overlast. In 2026 trof de politie handelshoeveelheden softdrugs en wapens aan in de woning, waarna de burgemeester besloot de woning per 6 mei 2026 voor drie maanden te sluiten.

SJHT ontbond daarop de huurovereenkomst buitengerechtelijk en vorderde ontruiming van de woning binnen vijf dagen na opheffing van de sluiting, betaling van huurachterstand en een gebruiksvergoeding. De huurder verscheen niet in de procedure en verleende verstek.

De kantonrechter oordeelde dat SJHT terecht de huurovereenkomst mocht ontbinden op grond van artikel 7:231 lid 2 BW Pro, omdat de woning was gesloten op grond van de Opiumwet. De huurder had geen verweer gevoerd en had een opzeggingsverklaring ondertekend, wat instemming met beëindiging impliceert.

De gevorderde ontruiming werd toegewezen, evenals de betaling van de huurachterstand van €1.035,83 en de gebruiksvergoeding van €750,10 per maand vanaf 1 juni 2026 tot ontruiming. De huurder werd tevens veroordeeld in de proceskosten van €1.013,02. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen vijf dagen na opheffing van de sluiting en tot betaling van huurachterstand, gebruiksvergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12176080 \ CV EXPL 26-954
Vonnis in kort geding van 12 juni 2026
in de zaak van
de stichting
STICHTING JONGEREN HUISVESTING TWENTE,
gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,
eisende partij, hierna: SJHT,
gemachtigde: mr. R.F.A. Rorink,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij, hierna: [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding, en
  • de mondelinge behandeling van 29 mei 2026. [gedaagde] is niet verschenen en daarom is tegen hem verstek verleend.

2.De zaak in het kort

2.1
[gedaagde] huurt vanaf 2020 een woonruimte van SJHT. [gedaagde] veroorzaakte vanaf 2021 voortdurend overlast en in 2026 trof de politie meerdere illegale goederen – waaronder wapens – aan in de woning. De burgemeester heeft vervolgens besloten om de woning vanaf 6 mei 2026 te sluiten.
2.2
De kantonrechter oordeelt dat SJHT de huurovereenkomst tussen partijen mocht ontbinden en daarom moet [gedaagde] de woning binnen vijf dagen na opheffing van de burgemeesterssluiting ontruimen en ontruimd houden. Ook moet [gedaagde] tot het moment van ontruiming een gebruiksvergoeding betalen.

3.De feiten

3.1
Met ingang van 1 juli 2020 verhuurde SJHT een kamer: k-1, in het pand [adres 1] aan [gedaagde]. [gedaagde] is in december 2025 verhuisd naar de [adres 2] (hierna: de woning).
3.2
Door de jaren heen hebben omwonenden veel overlast van [gedaagde] ervaren. SJHT heeft [gedaagde] meerdere keren de kans gegeven om deze overlast te stoppen.
3.3
De burgemeester van de gemeente Enschede heeft SJHT bij brief van 23 april 2026 laten weten dat hij een bestuurlijke rapportage heeft ontvangen van de politie. Uit deze bestuurlijke rapportage bleek dat in de woning handelshoeveelheden softdrugs en wapens zijn aangetroffen. Vervolgens heeft de burgemeester op 30 april 2026 medegedeeld dat de woning per 6 mei 2026 voor de duur van drie maanden wordt gesloten.
3.4
SJHT heeft [gedaagde] bij brief van 4 mei 2026 medegedeeld dat de huurovereenkomst tussen SJHT en [gedaagde] per 6 mei 2026 buitengerechtelijk wordt ontbonden.
3.5
[gedaagde] heeft op 12 mei 2026 op het kantoor van SJHT een huuropzeggingsformulier ingevuld. Daarna heeft [gedaagde] eerder betaalde huurpenningen gestorneerd.

4.Het geschil

De vordering
4.1
SJHT vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] om binnen vijf dagen na opheffing van de burgemeesterssluiting de woning te ontruimen, in goede staat op te leveren en ontruimd te houden. Ook vordert SJHT veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de huurachterstand en tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 750,10 per maand. Tenslotte vordert zij veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2
SJHT voert hiertoe aan dat zij de huurovereenkomst buitengerechtelijk mocht ontbinden op grond van artikel 7:231 lid 2 BW Pro. Nu zij de huurovereenkomst per 6 mei 2026 buitengerechtelijk heeft ontbonden, heeft [gedaagde] geen recht of titel meer om in de woning te verblijven.

5.De beoordeling

Spoedeisendheid
5.1
Het spoedeisend belang volgt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende uit de stellingen van SJHT.
Beoordelingskader
5.2.
Een bij een voorlopige voorziening uitgesproken veroordeling tot ontruiming is een ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel. Gezien de ernst van de gevolgen voor de huurder kan een ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening daarom alleen worden uitgesproken indien voldoende aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure de huurovereenkomst zou ontbinden en de huurder tot ontruiming zou veroordelen.
5.2
Aan de orde is dan ook of de rechter in een bodemprocedure tot het oordeel komt dat SJHT de huurovereenkomst buitengerechtelijk mocht ontbinden en [gedaagde] de woning dus moet ontruimen en verlaten.
5.3
Uit artikel 7:231 lid 2 BW Pro volgt dat een verhuurder de huurovereenkomst buitengerechtelijk kan ontbinden indien de woning is gesloten op grond van de Gemeentewet, de Woningwet of de Opiumwet. Uit de stellingen van SJHT blijkt dat de woning is gesloten op grond van de Opiumwet en dat zij de huurovereenkomst daarom buitengerechtelijk mocht ontbinden. [gedaagde] heeft daartegen in deze procedure geen verweer gevoerd en uit het feit dat hij op 12 mei 2026 een opzeggingsverklaring heeft ondertekend leidt de kantonrechter af dat hij instemt met beëindiging van de huurovereenkomst.
5.4
Daarmee is voldoende aannemelijk dat een rechter in een bodemprocedure tot het oordeel komt dat SJHT de huurovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk mocht ontbinden en [gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van de woning.
Huurachterstand en gebruiksvergoeding
5.5
In de dagvaarding staat dat tot en met 31 mei 2026 een betalingsachterstand van € 1.035,83 is ontstaan. [gedaagde] heeft deze achterstand niet betwist en daarom is het gevorderde bedrag toewijsbaar. [gedaagde] moet ook een gebruiksvergoeding betalen vanaf 1 juni 2026 tot en met de dag van ontruiming.
Proceskosten
5.6
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SJHT worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
Totaal
1.013,02

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1
veroordeelt [gedaagde] om binnen 5 dagen na opheffing van de burgemeesterssluiting de woning staande en gelegen aan de Wenninkgaarde 43 105 in Enschede met al hetgeen daartoe behoort en met wie of wat daarin of daarop aanwezig is, te ontruimen, in goede staat op te leveren en deze vervolgens ontruimd te houden;
6.2
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan SJHT:
€ 1.035,83 aan achterstallige huur tot en met 31 mei 2026,
€ 750,10 per maand vanaf 1 juni 2026 tot en met de dag van ontruiming;
6.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.013,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.