Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3475

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
20 juni 2026
Zaaknummer
11845822 \ CV EXPL 25-2511
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 3:61 lid 2 BWArt. 6:160 BWArt. 6:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting voor gebruik tankpas door ex-bestuurder PC Nederland

In deze civiele zaak vordert [partij A] betaling van kosten voor brandstof en consumptiegoederen die met tankpassen zijn afgenomen door PC Nederland. De tankpassen werden verstrekt aan PC Nederland, waarbij een overkoepelende afspraak bestond dat gebruik van de pas tot betalingsverplichting leidde. PC Nederland betwist de betalingsverplichting en stelt dat zij de tankpassen op 27 december 2024 heeft laten blokkeren, waardoor zij niet meer aansprakelijk zou zijn voor kosten daarna.

De kantonrechter overweegt dat PC Nederland de bewijslast draagt om aan te tonen dat zij de tankpas heeft geblokkeerd. Daarnaast wordt geoordeeld dat het gebruik van de tankpas door de ex-bestuurder, die niet meer bevoegd was, toch aan PC Nederland kan worden toegerekend vanwege de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Het beroep op redelijkheid en billijkheid om betaling te weigeren wordt verworpen.

Ook is vastgesteld dat [partij A] geen afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht, ondanks het uitreiken van creditfacturen aan het bedrijf van de ex-bestuurder. De zaak wordt aangehouden om PC Nederland in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren van de blokkering van de tankpas. Afhankelijk van het bewijs zal de kantonrechter de vorderingen toewijzen of afwijzen.

Uitkomst: PC Nederland moet bewijzen dat zij de tankpas heeft laten blokkeren; zaak wordt aangehouden voor bewijslevering.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11845822 \ CV EXPL 25-2511
Vonnis van 9 juni 2026
in de zaak van
[partij A] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. J. Tukker,
tegen
PC NEDERLAND B.V.,
te Kampen,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: PC Nederland,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1
[partij A] heeft een tankpas verstrekt aan PC Nederland. Tussen december 2024 en februari 2025 is deze tankpas gebruikt voor de aanschaf van brandstof en consumptiegoederen. In geschil is tussen partijen of PC Nederland hiervoor moet betalen. De kantonrechter zal PC Nederland in dit tussenvonnis in de gelegenheid stellen om te bewijzen dat zij de tankpas heeft laten blokkeren. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie met een productie,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 26 maart 2026,
- de spreekaantekeningen van [partij A] .
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
3.1
[partij A] exploiteert een aantal benzinestations in [vestigingsplaats 1] en [vestigingsplaats 2] .
3.2
PC Nederland houdt zich bezig met service en onderhoud van computers en computersystemen.
3.3
Op 23 oktober 2023 heeft [partij A] aan PC Nederland twee tankpassen verstrekt: pas 01 en pas 02. Pas 01 ligt sinds de uitgifte bij [partij A] achter de balie. De persoon die de pas wil gebruiken moet deze opvragen bij de balie en vervolgens de pincode intoetsen.
3.4
In de periode van 23 oktober 2023 tot en met 2 december 2024 heeft PC Nederland de facturen van [partij A] die zien op de afgenomen brandstof en consumptiegoederen met de twee tankpassen betaald.
3.5
Sinds het najaar van 2024 is [naam 1] (hierna: [naam 1] ) de bestuurder van PC Nederland. Hij volgde de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) op.
3.6
In de periode van 2 december 2024 tot en met 26 februari 2025 heeft [partij A] aan PC Nederland zes facturen gestuurd ( [factuurnummer 1] , [factuurnummer 2] , [factuurnummer 3] , [factuurnummer 4] , [factuurnummer 5] en [factuurnummer 6] ) voor de levering van brandstof en consumptiegoederen via de tankpassen en daarbij een totaalbedrag van € 3.439,18 in rekening gebracht.
3.7
Op 2 mei 2025 heeft [naam 1] het gedeelte van factuur [factuurnummer 1] dat betrekking heeft op het gebruik van tankpas 02 in de periode 2 december 2024 tot en met 25 december 2024, te weten een bedrag van € 798,77, betaald aan [partij A] .

4.Het geschil

In conventie
4.1
[partij A] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter PC Nederland zal veroordelen om aan haar betalen:
I. een bedrag van € 3.210,48, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 2.640,41 met ingang van 1 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening en - voor het geval voldoening van de buitengerechtelijke incassokosten niet binnen veertien dagen na de datum van het vonnis plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van
€ 389,04 tot aan de dag van algehele voldoening,
II. de proceskosten - en voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het vonnis plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van algehele voldoening,
III. de nakosten.
4.2
PC Nederland voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.
4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
4.4
PC Nederland vordert dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat zij met de betaling van € 798,77 aan al haar verplichtingen heeft voldaan, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.
4.5
[partij A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van PC Nederland, met veroordeling van PC Nederland in de proceskosten.
4.6
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
5.2
[partij A] vordert in deze procedure betaling van het gebruik van tankpas 01 in de periode van 2 december 2024 tot en met 26 februari 2025. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij A] de tankpas aan PC Nederland heeft verstrekt. Wel is in geschil of PC Nederland hiervoor moet betalen.
PC Nederland moet bewijzen dat zij tankpas 01 op of omstreeks 27 december 2024 geblokkeerd heeft
5.3
Uit de stellingen van [partij A] volgt dat het verstrekken van tankpassen aan PC Nederland, volgens haar tot gevolg heeft gehad dat telkens als er met die tankpassen bij haar brandstof en consumptiegoederen werden afgenomen PC Nederland verplicht was daarvoor te betalen. De kantonrechter begrijpt het standpunt van [partij A] daarmee zo dat aan de afgifte van de tankpassen een overkoepelende afspraak ten grondslag lag, die inhield dat als er met de tankpas bij [partij A] getankt werd, PC Nederland automatisch tot betaling gehouden was. Door het gebruik van de tankpassen ontstonden vervolgens losse (koop)overeenkomsten. Het bestaan en de inhoud van de overkoepelende afspraak wordt als zodanig niet door PC Nederland betwist. Wel vindt PC Nederland dat zij in dit geval om verschillende redenen niet hoeft te betalen. Zo voert PC Nederland allereerst aan dat op haar geen betalingsverplichting rust omdat zij op 27 december 2024 beide tankpassen geblokkeerd heeft. De kantonrechter begrijpt dat PC Nederland daarmee heeft bedoeld aan te voeren dat door het blokkeren van tankpas 01 de overkoepelende overeenkomst is geëindigd in die zin dat door het gebruik van deze tankpas geen nieuwe betalingsverplichtingen voor PC Nederland konden ontstaan.
5.4
De kantonrechter overweegt als volgt. PC Nederland stelt dat zij op 27 december 2024 telefonisch beide tankpassen heeft laten blokkeren omdat zij vanaf eind 2024 geen brandstofauto’s meer in haar bezit had, maar uitsluitend elektrische voertuigen. Bij dit telefoongesprek waren volgens PC Nederland aanwezig: de heer [naam 3] (vertegenwoordiger van [partij A] ), [naam 1] , mevrouw [naam 4] (partner van [naam 1] en werknemer van PC Nederland) en een andere collega van [naam 1] . [partij A] ontkent op haar beurt dat zij een verzoek heeft ontvangen om de tankpassen te blokkeren. Hoewel het in theorie mogelijk is om een tankpas telefonisch te laten blokkeren, heeft er in dit geval geen telefoongesprek plaatsgevonden, aldus [partij A] .
5.5
Omdat partijen hun standpunten over en weer voldoende hebben toegelicht en omdat PC Nederland zich op het rechtsgevolg, de beëindiging van de overeenkomst tussen partijen, beroept, draagt zij op grond van artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: “Rv”) van die stelling de bewijslast. De kantonrechter draagt PC Nederland daarom op om te bewijzen dat zij op of omstreeks 27 december 2024 aan [partij A] heeft medegedeeld tankpas 01 te willen blokkeren.
Er is sprake van rechtsgeldige vertegenwoordiging
5.6
PC Nederland voert nog aan dat zij niet voor de kosten die gemaakt zijn met tankpas 01 hoeft te betalen omdat deze kosten zijn gemaakt door ex-bestuurder [naam 2] , op het moment dat hij geen bestuurder meer was. Voor zover PC Nederland hiermee aanvoert dat er geen sprake was van (rechts)geldige vertegenwoordiging, gaat de kantonrechter daar niet in mee. Hiervoor is overwogen dat sinds 2023 (het moment van de uitgifte van de tankpassen) tussen partijen de afspraak bestond dat PC Nederland moest betalen als er met de tankpassen getankt werd. Op het moment dat die overkoepelende afspraak tot stand kwam, was [naam 2] nog bestuurder van PC Nederland en vertegenwoordigingsbevoegd. In het najaar van 2024 heeft er een bestuurswissel plaatsgevonden. Vast staat dat [naam 2] in ieder geval vanaf december geen bestuurder meer was en ook niet op grond van enige volmacht bevoegd was om namens PC Nederland betalingsverplichtingen aan te gaan. Dit neemt niet weg dat het eventuele gebruik van tankpas 01 door [naam 2] toch aan PC Nederland kan worden toegerekend, zodat er door het gebruik van de tankpas toch (koop)overeenkomsten konden ontstaan. Zoals in de stellingen van [partij A] besloten ligt, had [naam 2] namelijk de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 3:61 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek, hierna: ‘‘BW’’). In dit geval staat vast dat [partij A] aanvankelijk de tankpas, met bijbehorende pincode, aan PC Nederland heeft verstrekt en dat deze tankpas was gekoppeld aan PC Nederland. Hoewel PC Nederland tijdens de zitting heeft aangevoerd dat enkel [naam 2] beschikte over de pincode en zij de tankpas niet kon gebruiken, wordt hieraan voorbijgegaan. PC Nederland miskent hiermee dat dit een interne aangelegenheid betreft en voor haar rekening en risico komt. Verder is niet in geschil dat partijen al meer dan 15 jaar zaken met elkaar hebben gedaan en er structureel gebruik is gemaakt van de tankpas. PC Nederland heeft daarbij ook tot aan 2 december 2024 de facturen die betrekking hadden op het gebruik van deze tankpas betaald aan [partij A] . Gelet op deze omstandigheden volgt de kantonrechter [partij A] in haar standpunt dat zij er in beginsel gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat door het gebruik van tankpas 01 betalingsverplichtingen zijn aangegaan namens PC Nederland.
5.7
Het argument van PC Nederland dat [partij A] al in december 2024 wist dat [naam 2] niet meer vertegenwoordigingsbevoegd was, maakt dit niet anders. Dit komt namelijk gelet op de betwisting van [partij A] niet vast te staan. Weliswaar verklaart PC Nederland dat [partij A] in december al wist van de bestuurswissel, maar [partij A] heeft dit weersproken en daartegenover gezet dat zij hiervan pas op de hoogte raakte toen PC Nederland in april 2025 haar facturen niet meer betaalde. Het had vervolgens op de weg van PC Nederland gelegen om toe te lichten hoe [partij A] al in december 2024 moest weten dat [naam 2] geen bestuurder meer was. Dat heeft zij niet gedaan, zodat de kantonrechter hieraan voorbij gaat.
Betaling is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar
5.8
Voor zover PC Nederland met een beroep op artikel 6:248 BW Pro heeft willen aanvoeren dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als zij de facturen moet betalen omdat zij de tankpas niet zelf heeft gebruikt, gaat dit verweer niet op.
5.9
Bij het toepassen van de maatstaf uit artikel 6:248 BW Pro past de nodige terughoudendheid. De enkele omstandigheid dat PC Nederland, naar eigen zeggen, geen gebruik heeft gemaakt van de tankpas en het dus oneerlijk zou zijn om de kosten voor haar rekening te laten komen is in dit geval voor een geslaagd beroep op artikel 6:248 BW Pro onvoldoende. Het zou namelijk eveneens oneerlijk zijn om de kosten van de afgenomen benzine en de genoten consumptie volledig voor rekening te laten komen van de verstrekker van de tankpas. Dat in dit geval de kosten uiteindelijk betaald moeten worden door de partij die de meeste invloed heeft op de wijze waarop de verstrekte tankpas wordt gebruikt is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet onaanvaardbaar. Overigens neemt dat niet weg dat die uitkomst vervelend en ongewenst is voor PC Nederland, maar ook dat gegeven is nog niet voldoende om te oordelen dat een en ander naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
[partij A] heeft geen afstand gedaan van haar vorderingsrecht
5.1
PC Nederland heeft nog aangevoerd dat zij door het betalen van een bedrag van € 798,77 aan al haar betalingsverplichting tegenover [partij A] heeft voldaan. Dat dit het geval is volgt volgens PC Nederland uit het feit dat [partij A] op enig moment creditfacturen aan PC Nederland heeft uitgereikt en de facturen van tankpas 01 heeft toegezonden aan het bedrijf van [naam 2] . De kantonrechter moet dus beoordelen of [partij A] afstand heeft gedaan van haar vordering in deze procedure.
5.11
Op grond van artikel 6:160 BW Pro gaat een verbintenis teniet door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij schuldeiser, hier [partij A] , van zijn vorderingsrecht afstand doet. Voor afstand is dus vereist dat de wil van [partij A] erop was gericht haar vorderingsrecht prijs te geven en dat zij dit ook heeft verklaard aan PC Nederland. Nu [partij A] heeft betwist dat zij afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht gaat de kantonrechter ervan uit dat [partij A] niet de wil had om haar recht prijs te geven. Als die wil ontbreekt, kan desondanks worden aangenomen dat [partij A] afstand heeft gedaan van haar recht, als PC Nederland er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [partij A] wel afstand van haar recht wilde doen. Daarbij is het uitgangspunt dat er niet te snel op mag worden vertrouwd dat een partij, zonder dat daar iets tegenover staat, afstand wil doen van haar recht.
5.12
[partij A] heeft betwist dat de uitgereikte creditfacturen als kwijtschelding zijn aan te merken. [partij A] heeft toegelicht dat zij deze uitsluitend heeft verstrekt op aanwijzing van PC Nederland omdat PC Nederland stelde dat [naam 2] de brandstof en goederen had afgenomen. Vervolgens heeft zij het bedrijf van [naam 2] tot betaling aangesproken. Nadat [naam 2] heeft aangegeven niet tot betaling te zullen overgaan omdat hij geen contractspartij is, heeft [partij A] de verzonden facturen aan [naam 2] gecrediteerd en de oorspronkelijke facturen aan PC Nederland gehandhaafd. Gelet op deze feitelijke gang van zaken, die door PC Nederland niet is weersproken, kan niet gezegd worden dat er sprake is geweest van een ondubbelzinnige verklaring van [partij A] aan PC Nederland op basis waarvan PC Nederland mocht afleiden dat [partij A] afstand wilde doen van haar vorderingsrecht. Het verweer van PC Nederland gaat dan ook niet op.
Hoe nu verder?
5.13
Hiervoor is overwogen dat [partij A] geen afstand heeft gedaan van haar vorderingen. De gestelde overeenkomst op grond waarvan PC Nederland door het betalen van € 798,77 aan al haar verplichtingen heeft voldaan is dus niet komen vast te staan. De tegenvordering (de eis van reconventie) van PC Nederland die hierop betrekking heeft, zal dan ook bij eindvonnis worden afgewezen. Voordat de kantonrechter eindvonnis zal wijzen, zal PC Nederland eerst in de gelegenheid worden gesteld om haar stelling te bewijzen dat zij tankpas 01 heeft geblokkeerd (zoals verwoord in 5.5).
5.14
Voor het geval PC Nederland in haar bewijsopdracht slaagt, overweegt de kantonrechter alvast dat dit betekent dat de overkoepelende overeenkomst op enig moment in december 2024 is geëindigd, zodat PC Nederland niet verplicht was te betalen voor de kosten die vervolgens met tankpas 01 zijn gemaakt. De vorderingen, voor zover deze zien op kosten die na het moment van blokkeren zijn gemaakt, zullen dan in principe worden afgewezen.
5.15
Indien PC Nederland niet in haar bewijsopdracht slaagt, dan is de kantonrechter van oordeel dat het gebruik van de tankpas 01 aan PC Nederland kan worden toegerekend. In dat geval liggen de vorderingen van [partij A] in beginsel voor toewijzing gereed in een eindvonnis.
5.16
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1
draagt PC Nederland op te bewijzen dat zij op of omstreeks 27 december 2024 aan [partij A] heeft medegedeeld tankpas 01 te willen blokkeren,
6.2
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
dinsdag 7 juli 2026voor uitlating door PC Nederland of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
6.3
bepaalt dat, als PC Nederland geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
6.4
bepaalt dat, als PC Nederland
getuigenwil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
augustustot en met
november 2026dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
6.5
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. M.O. Frentrop, in het gerechtsgebouw te Zwolle, Schuurmanstraat 2,
6.6
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
6.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.