Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3459

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
18.278809-24 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 6:106 BWArt. 36f SrArt. 361 lid 2 SvArt. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal door middel van valse sleutel en misbruik internetbankieren in sekswerkcontext

Verdachte heeft samen met een ander op 13 juni 2023 in Leeuwarden een diefstal gepleegd door middel van een valse sleutel, waarbij zonder toestemming van het slachtoffer gebruik is gemaakt van diens internetbankieren en pincode om €16.000 over te maken naar eigen rekeningen.

De rechtbank acht het bewezen dat verdachte en haar mededader de bankrekening van het slachtoffer hebben geplunderd tijdens een seksafspraak, waarbij zij misbruik maakten van de vertrouwensrelatie en de telefoon van het slachtoffer. Verdachte is vrijgesproken van andere tenlastegelegde feiten wegens gebrek aan bewijs.

De rechtbank legt een taakstraf van 180 uur op en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld tot betaling van €16.000 schadevergoeding en proceskosten. De vordering van een tweede benadeelde partij wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf, 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en betaling van €16.000 schadevergoeding voor diefstal door middel van valse sleutel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 18.278809-24 (P)
Datum vonnis: 18 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats],
wonende aan [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3 maart 2026 en 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. B. Hartman, advocaat in Diemen, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] door
mr. H.M. Hueting, advocaat in Brielle, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en bondig weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: omstreeks 13 juni 2023 in Leeuwarden samen met een ander door middel van valse sleutels € 16.000,-- van [slachtoffer 1] heeft gestolen;
feit 2: omstreeks 13 juni 2023 in Leeuwarden samen met een ander [slachtoffer 1] door (bedreiging met) geweld of enige andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het overmaken van geldbedragen;
feit 3: op 16 september 2023 in [plaats] samen met een ander € 23.005,-- van [slachtoffer 2] heeft gestolen (
primair), dan wel samen met een ander [slachtoffer 2] door (bedreiging met) geweld of enige andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het overmaken van geldbedragen (
subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1
zij op of omstreeks 13 juni 2023 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van ongeveer 16.000,00 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door
- zonder toestemming van die [slachtoffer 1] gebruik te maken van zijn internetbankieren met bijbehorende pincode, en
- vervolgens meerdere geldbedragen over te maken naar haar/hun eigen bankrekeningen;
feit 2
zij op of omstreeks 13 juni 2023 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer 1], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft/hebben gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden,
te weten het overmaken van meerdere geldbedragen, door
- die [slachtoffer 1] cocaïne, althans een verdovend middel, aan te bieden met als doel om hem in een staat te brengen waarin hij niet of onvolkomen in staat is zijn wil te bepalen, kenbaar te maken en/of weerstand te bieden,
- welk middel die [slachtoffer 1] vervolgens heeft ingenomen, als gevolg waarvan hij in eerder genoemde staat terechtkwam, en
- vervolgens misbruik te maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die [slachtoffer 1];
feit 3 primair
zij op of omstreeks 16 september 2023 te [plaats], gemeente [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van ongeveer 23.005,00 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 3 subsidiair
zij op of omstreeks 16 september 2023 te [plaats], gemeente [plaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer 2], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft/hebben gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het overmaken van meerdere geldbedragen, door
- op intimiderende en/of dwingende manier heel dicht op die [slachtoffer 2] te staan, en
- vervolgens misbruik te maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeien overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die [slachtoffer 2].

3.De bewijsoverwegingen

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt het onder feit 1 en feit 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Van het onder feit 2 en feit 3 primair ten laste gelegde moet verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs worden vrijgesproken.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs integraal van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde
De rechtbank komt op grond van de redengevende feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen [1] zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde. De rechtbank overweegt als volgt.
De feiten en omstandigheden
[slachtoffer 1] verklaart in zijn aangifte op 22 juni 2023 bij de politie dat hij meerdere keren een afspraak heeft gehad met zijn WhatsApp-contact “[alias 1]”, bij hem thuis. Hij kent [alias 1] al ongeveer anderhalf jaar via de website Kinky.nl. In de avond van 13 juni 2023 neemt [alias 1] een vriendin mee die zichzelf voorstelt als “[alias 2]”. [slachtoffer 1] en [alias 1] spreken af dat zij tussen 21:30 uur en 22:00 uur bij hem komen, voor twee uren sekswerk, voor € 800,--. Omstreeks 22:30 uur arriveren beide dames. [slachtoffer 1] krijgt van “[alias 1]” een tikkie (een betaalverzoek) van € 800,--, die hij vóóraf moet voldoen. [slachtoffer 1] maakt dit geldbedrag direct over via internetbankieren met de ING Bank-app op zijn mobiele telefoon naar het rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van mevrouw [medeverdachte]. [alias 2] vraagt aan hem of hij wel eens cocaïne gebruikt. [slachtoffer 1] zag dat [alias 2] het opgevouwen papiertje voor hem hield en tegen hem zei dat hij het goedje wat in het papiertje zat op moest snuiven. [slachtoffer 1] doet dit en merkt dat hij er heel erg warm van wordt en voelt dat zijn hartslag omhoog gaat. Hij merkt dat hij relaxter en ongeremder wordt en dat het lustopwekkend werkt. [alias 2] zegt vervolgens tegen [slachtoffer 1], terwijl zij hem met een sip gezicht aankijkt, dat dit goedje eigenlijk € 50,-- kost en wel moet worden betaald. [slachtoffer 1] vindt dit geen probleem, waarop [alias 2] hem een tikkie stuurt. Hij betaalt genoemd bedrag gelijk via de ING Bank-app op zijn mijn mobiele telefoon. Het bedrag wordt overgeschreven naar het rekeningnummer van [alias 2], [rekeningnummer 2] ten name van [naam]. Daarna kletsen [slachtoffer 1], [alias 1] en [alias 2] nog wat met zijn drieën en weten zij hem over te halen om hun bezoek met nogmaals twee uren te verlengen. [slachtoffer 1] ontvangt daartoe van [alias 1] en [alias 2] een tikkie, die hij ook direct voldoet. Hij maakt € 400,-- over naar het bankrekeningnummer van [alias 1] en ook € 400,-- naar het banrekeningnummer van [alias 2]. Op het moment dat [slachtoffer 1] die transacties verricht, zitten beide dames naast hem op de bank. [slachtoffer 1] verklaart dat [alias 1] en [alias 2] hebben kunnen zien welke handelingen hij voor het overmaken van de bedragen heeft verricht. [slachtoffer 1] en [alias 2] gaan samen naar zijn slaapkamer. Hij laat zijn mobiele telefoon op de salontafel in de woonkamer liggen. [alias 1] blijft in de woonkamer en komt af en toe bij [slachtoffer 1] en [alias 2] in de slaapkamer. “We wisselen steeds van samenstelling en af”, aldus [slachtoffer 1]. [alias 2] blijft vrijwel de hele nacht bij [slachtoffer 1] en [alias 1] verblijft vaker een poos alleen in de woonkamer. Omdat [alias 1] op een gegeven moment niet meer actief meedoet, zegt zij tegen [slachtoffer 1] dat [alias 2] het voor haar betaalde deel wel op kan maken zodat de dames dus langer kunnen blijven dan is afgesproken. Net na half zeven ’s ochtends wil [alias 1] plotseling naar buiten. Zij zegt een joint te gaan roken. [alias 2] pakt vervolgens haar spullen op, kijkt [slachtoffer 1] niet meer aan en vertrekt. Het bevreemdt [slachtoffer 1] dat [alias 1] en [alias 2] zo plotseling weggaan. Hij heeft er een slecht gevoel bij. [slachtoffer 1] ziet dat zijn mobiele telefoon nog op de salontafel ligt. Als [slachtoffer 1] op zijn telefoon via de ING Bank-app naar het saldo op zijn bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 3] kijkt, ziet hij dat meerdere bedragen zijn afgeschreven. [slachtoffer 1] heeft die bedragen niet zelf overgemaakt. Om 02:07:21 uur is € 1.000,-- overgemaakt naar het rekeningnummer [rekeningnummer 4] ten name van [verdachte]. Daarna, om zowel 06:34:04 uur als 06:34:34 uur, is € 4.000,-- overgemaakt naar het rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [naam] met als omschrijving “gift voor jou”. Vervolgens is daarna nog eens € 4.000,-- en om 06:35:56 uur € 3.000,-- naar datzelfde rekeningnummer overgemaakt. [slachtoffer 1] ziet dat de beide dames wegrijden. Hij wordt heel erg boos en pakt snel zijn mobiele telefoon om [alias 1] te appen. [slachtoffer 1] ziet dat alle WhatsApp-berichten die zij hem vanaf 13 juni 2024 had gestuurd, zijn verwijderd. Hij ziet dat haar mobiele telefoonnummer ook uit zijn contacten is verwijderd. [slachtoffer 1] ziet de mobiele telefoonnummers van [alias 2] nog wel in zijn telefoon staan. Hij stuurt haar om 06.55 uur een WhatsApp-bericht met de tekst: “Veel plezier met mijn geld, aangifte is onderweg” met daarbij een boze smiley. [2]
Op de rekening van [slachtoffer 1] in de periode 13 en 14 juni 2023 is te zien dat een aantal betalingen zijn verricht aan de hand van betaalverzoeken van [medeverdachte] en verdachte. Het gaat om geldbedragen van € 700,--, € 800,--, € 50,-- en € 400,--. Daarna zijn bedragen (in totaal € 16.525,--) van de spaarrekeningen naar de lopende rekening van [slachtoffer 1] verplaatst. Het intoetsen van een code of gezichtsherkenning is daartoe vereist. Vervolgens worden vier grote bedragen overgemaakt naar de rekening van [naam]. Deze rekening staat op naam van verdachte. Het betreft driemaal € 4.000,-- en eenmaal € 3.000,--. [3]
Vervolgens wordt een aantal van deze bedragen overgemaakt naar [rekeningnummer 1]. [4]
Het rekeningnummer [rekeningnummer 1] staat op naam van [medeverdachte]. [5] [medeverdachte] verklaart op
7 december 2023 bij de politie dat dit rekeningnummer van haar is. [6] Het rekeningnummer [rekeningnummer 2] betreft een ZZP-rekening van [naam] en staat op naam van verdachte. [7] Het rekeningnummer [rekeningnummer 4] staat eveneens op naam van verdachte. [8]
Verdachte verklaart ter zitting dat zij “[alias 2]” is en dat zij samen met “[alias 1]” op 13 juni 2023 voor een seksafspraak bij [slachtoffer 1] in huis was. “We waren de hele tijd met z’n drieën”, aldus verdachte. [9] Voorts verklaart verdachte dat “[alias 1]” medeverdachte [medeverdachte] is.
Feit 1: Diefstal door twee personen door middel van valse sleutels
De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1]
De rechtbank gaat voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde uit van wat [slachtoffer 1] in zijn aangifte heeft verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van zijn verklaring en acht deze dan ook betrouwbaar. De verklaring van [slachtoffer 1] wordt door andere bewijsmiddelen ondersteund, namelijk een screenshot van een WhatsApp-appgesprek met [alias 2], de screenshots van de bankoverschrijvingen en het proces-verbaal van bevindingen over de geldstroom vanaf de rekening van [slachtoffer 1] op 13 en 14 juni 2023. De rechtbank acht daarin onder meer van belang wat [slachtoffer 1] verklaart over de door “[alias 2]” en “[alias 1]” aangeboden cocaïne, wat steun vindt in de bankoverschrijving van € 50,- om 23.30 uur naar de rekening van verdachte, terwijl verdachte deze bankoverschrijving van € 50,- niet kan verklaren.
Het door verdachte geschetste alternatieve scenario
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank het door verdachte geschetste scenario niet volgt. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat [slachtoffer 1] het geldbedrag van in totaal
€ 16.000,-- naar de bankrekeningen van [medeverdachte] en verdachte heeft overgemaakt wegens achterstallige betalingen in verband met eerder niet-betaalde diensten tijdens seksafspraken.. De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank ziet niets in het dossier dat duidt op eerdere sessies/diensten geleverd door verdachte en [medeverdachte] die niet door [slachtoffer 1] zijn betaald. Daar komt bij dat in de omschrijving van een drietal betalingen staat “gift”, wat niet duidt op een achterstallige betaling. De WhatsApp-berichten die verdachte na haar vertrek aan [slachtoffer 1] stuurde wijzen ook geenszins in de richting van achterstallige betalingen.
Het door verdachte geschetste scenario is de rechtbank niet aannemelijk geworden en is in het licht van de bewijsmiddelen en wat hierover reeds is overwogen ongeloofwaardig.
Diefstal met valse sleutel
In de avond van 13 juni 2023 heeft [slachtoffer 1] eerst zelf een aantal geldbedragen (2x € 400,--,
€ 50,-- en € 800,--) via betaalverzoeken (tikkies) naar bankrekeningen van [medeverdachte] en verdachte overgemaakt. Hierna heeft hij zijn telefoon in de woonkamer gelaten waarna hij zelf in de slaapkamer verbleef. Verdachte heeft geen handelingen verricht omtrent de duizenden euro’s die later in de nacht van 13 op 14 juni 2023 binnen zeer kort tijdsbestek en kort vóór het plotselinge vertrek van [medeverdachte] en verdachte naar verdachtes bankrekeningen zijn overgemaakt. Evenmin is gebleken dat [slachtoffer 1] daartoe aan verdachte of een ander toestemming heeft verleend. Om dergelijke geldbedragen via internetbankeren met de ING Bank-app op een mobiele telefoon naar andere bankrekeningen te kunnen overschrijven, is een handeling als bijvoorbeeld het intoetsen van een pincode vereist. [medeverdachte] en verdachte hebben kunnen zien welke handelingen [slachtoffer 1] op zijn telefoon heeft verricht voor het overmaken van de eerdergenoemde bedragen eerder die avond. Van andere aanwezigen in de woning van [slachtoffer 1] die nacht is niet gebleken. Het kan naar het oordeel van de rechtbank daarom niet anders zijn dan dat de telefoon van verdachte met daarop de ING Bank-app door [medeverdachte] en verdachte is gebruikt om zonder toestemming met de daartoe vereiste pincode een geldbedrag van in totaal € 16.000,-- naar verdachtes bankrekeningen over te maken, met het oogmerk om zich die geldbedragen wederrechtelijk toe te eigenen. Omdat onbevoegd gebruik is gemaakt van een sleutel (de pincode), is deze sleutel vals. [medeverdachte] en verdachte hebben de diefstal door middel van een valse sleutel samen uitgevoerd. Zij waren vóór, tijdens en ná het incident samen en hebben allebei meegedeeld in de buit en zichzelf hiermee wederrechtelijk bevoordeeld. Daarom is de rechtbank van oordeel dat tussen [medeverdachte] en verdachte sprake is geweest van een voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering en is daarmee het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2: Dwang
De rechtbank zal verdachte van het onder feit 2 ten laste gelegde vrijspreken. Van geweld of bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid is immers niet gebleken.
Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde
Primair: Diefstal door twee of meer verenigde personen
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen dat verdachte op 16 september 2023 in [plaats] samen met een ander € 23.005,-- van [slachtoffer 2] heeft gestolen. De rechtbank kan niet vaststellen dat door verdachte of een ander enige wegnemingshandeling ten aanzien van die geldsom is verricht. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zelf de overboekingen heeft verricht. De rechtbank zal verdachte van het onder feit 3 primair ten laste gelegde vrijspreken.
Subsidiair: Dwang
De rechtbank is van oordeel dat evenmin voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen dat verdachte op 16 september 2023 in [plaats] samen met een ander [slachtoffer 2] door (bedreiging met) geweld of enige andere feitelijkheid wederrechtelijk heeft gedwongen tot het overmaken van geldbedragen. Het is de rechtbank niet gebleken dat door verdachte of een ander geweldshandelingen zijn verricht of dat hiermee is gedreigd. De rechtbank kan ook niet vaststellen dat door verdachte of een ander handelingen zijn verricht die van zodanige aard zijn dat deze in de gegeven omstandigheden leiden tot een zodanige psychische druk dat [slachtoffer 2] hieraan geen weerstand kon bieden. Het dicht op [slachtoffer 2] staan en zijn mogelijke beïnvloedbaarheid vanwege zijn verstandelijke beperking acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. De rechtbank zal verdachte van het onder feit 3 subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
feit 1
zij omstreeks 13 juni 2023 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander,
een geldbedrag van € 16.000,--, dat aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en haar mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door zonder toestemming van [slachtoffer 1] gebruik te maken van zijn internetbankieren met bijbehorende pincode en vervolgens geldbedragen over te maken naar hun eigen bankrekeningen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 311 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

6.De motivering van de straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van honderdtwintig uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert geen strafmaatverweer.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van het gepleegde feit
Verdachte heeft zich samen met een ander in de nacht van 13 op 14 juni 2023 in Leeuwarden schuldig gemaakt aan een diefstal door middel van een valse sleutel. Als sekswerkers waren zij vanwege een betaalde seksafspraak in de woning van aangever aanwezig. Op een gewiekste handelwijze hebben verdachte en haar mededader de bankrekening van [slachtoffer 1] geplunderd. De telefoon van [slachtoffer 1] met daarop de ING Bank-app is op slinkse wijze gebruikt om zonder toestemming in een zeer kort tijdsbestek duizenden euro’s naar hun eigen bankrekeningen over te maken. Het betreft een totaalbedrag van € 16.000,--. Daarna zijn verdachte en haar mededader plotseling vertrokken. Door hun handelen hebben verdachte en haar mededader er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander. Diefstallen brengen niet alleen hinder en (financiële) schade met zich, maar veroorzaken ook gevoelens van onveiligheid en wantrouwen in de samenleving. Dat rekent de rechtbank verdachte aan. Daarnaast rekent de rechtbank het verdachte aan dat de diefstal plaats vond in de woning van aangever, terwijl dit bij uitstek de plaats zou moeten zijn waar hij zich veilig zou moeten kunnen voelen, en dat daarbij misbruik is gemaakt van een (veronderstelde) vertrouwensrelatie. De rechtbank vindt het stuitend dat verdachte heeft gehandeld vanuit haar eigen behoefte aan geld, en zich kennelijk niets heeft aangetrokken van de gevolgen voor (of belangen van) aangever. Het is algemeen bekend dat de aangiftebereidheid klein is in zaken als deze, mede als gevolg van de schaamte over de aard van de aangeboden diensten. Verdachte heeft op deze schaamte ingespeeld en haarzelf op berekende wijze bevoordeeld. Ook dat rekent de rechtbank verdachte aan.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 2 april 2026. Hieruit volgt dat verdachte in het (verre) verleden voor een gewelds- en vermogensdelict onherroepelijk is veroordeeld. Dit weegt de rechtbank niet strafvermeerderend mee.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op wat verdachte ter terechtzitting over haar persoonlijke omstandigheden heeft verklaard. Verdachte is alleenstaand en heeft vier (jonge) kinderen. Zij ontvangt een Wajong-uitkering. Verdachte is naar haar eigen zeggen gestopt met haar werk als sekswerker en heeft dus geen werk.
De strafoplegging
De rechtbank acht minder feiten bewezen dan die de officier van justitie aan zijn strafeis ten grondslag heeft gelegd. Het door verdachte gepleegde feit is naar het oordeel van de rechtbank echter zodanig ernstig, dat zij de gevolgen van haar handelen moet voelen en dat ook in de richting van de samenleving duidelijk moet zijn dat een feit als dit niet wordt getolereerd. De rechtbank zal daarom een hogere straf opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank neemt daarbij in strafverzwarende zin in aanmerking dat verdachte zich geenszins schuldbewust heeft getoond en dat het feit op een slinkse wijze is gepleegd. De rechtbank zal daarentegen ook rekening houden met de ouderdom van het gepleegde feit. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw de fout ingaat, acht de rechtbank naast een forse onvoorwaardelijke taakstraf als stok achter de deur een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.
De rechtbank acht het, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. Dit betekent dat verdachte de gevangenisstraf nu niet hoeft uit te zitten, op voorwaarde dat zij niet binnen twee jaren nogmaals een strafbaar feit pleegt.
De taakstraf moet verdachte wel direct uitvoeren.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

7.1
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Verdachte wordt volledig van het onder feit 3 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken. De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 2] reeds daarom op grond van artikel 361 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en bepalen de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen, die ten aanzien van de vordering zijn gemaakt.
7.2
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich ten aanzien van feit 1 en feit 2 ten laste gelegde als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. [slachtoffer 1] vordert verdachte te veroordelen om € 19.000,-- aan schadevergoeding te betalen, bestaande uit € 16.000,-- materiële schade (de geldbedragen die vanaf zijn bankrekening zijn overgemaakt) en € 3.000,-- immateriële schade (smartengeld). Als proceskosten (rechtsbijstand) wordt een bedrag van € 5.175,78 gevorderd.
7.3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de door [slachtoffer 1] verzochte schadevergoeding toewijsbaar is tot een bedrag van € 16.000,--, bestaande uit materiële schade. De verzochte vergoeding wegens proceskosten is eveneens toewijsbaar.
7.4
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich vanwege de bepleite vrijspraak primair op het standpunt dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Mocht de rechtbank daar anders naar kijken, dan is de verdediging van mening dat de vordering van [slachtoffer 1] wat betreft de verzochte immateriële schadevergoeding onvoldoende is onderbouwd en in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het toe te wijzen bedrag aan proceskosten moet worden gematigd, met het verzoek om ten aanzien van de proceskosten geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.5
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat voldoende verband bestaat tussen het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gestelde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.
De materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadepost, die overigens niet door de verdediging is betwist, voldoende met bewijsstukken is onderbouwd en aannemelijk is. De gevorderde vergoeding voor materiële schade is daarom toewijsbaar voor een bedrag van € 16.000,--.
De immateriële schade
Op basis van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in de eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. De rechtbank stelt vast dat van lichamelijk letsel of een schending in zijn eer of goede naam geen sprake is. De vraag is vervolgens of de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast door het bewezen verklaarde handelen van verdachte en haar mededader. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde dit niet met concrete gegevens heeft onderbouwd. Het nader onderbouwen van dat deel van de vordering is een onevenredige belasting van dit strafproces. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering, te weten een bedrag van € 3.000,--, niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De toe te wijzen schade
De rechtbank zal op basis van het voorgaande de gevorderde schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 16.000,--. De benadeelde partij heeft niet gevorderd dit bedrag met de daartoe geldende wettelijke rente te vermeerderen, wat maakt dat de rechtbank geen wettelijke rente zal toewijzen.
Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met haar mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 105 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De proceskosten
De rechtbank zal verdachte ten slotte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. Omdat niet is gesteld noch onderbouwd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan afgeweken zou moeten worden van “het liquidatietarief”, is de rechtbank van oordeel dat voor de vaststelling van die vergoeding het bij de behandeling van civiele zaken gebruikelijke “liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2026” als uitgangspunt moet worden gehanteerd. Bij de berekening op grond van dat liquidatietarief heeft de rechtbank de verrichte werkzaamheden, te weten het opstellen en indienen van de schriftelijke vordering en het bijwonen van de zittingen op zowel 3 maart als 4 juni 2026, telkens gewaardeerd op één punt. Het bedrag van de gevorderde hoofdsom valt in de categorie tot € 20.000,-- van kantonzaken, zodat een tarief van € 432,-- per punt geldt. Daarmee komt aldus in aanmerking een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.296,--. De rechtbank zal dat bedrag toekennen en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen en de artikelen
9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 2, feit 3 primair en feit 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1
het misdrijf:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
180 (honderdtachtig) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
90 (negentig) dagen;
- veroordeelt verdachte ook tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende volgende algemene voorwaarde niet is nagekomen: de
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
- wijst de vordering van de
benadeelde partij [slachtoffer 1]ten aanzien van het onder feit 1 bewezen verklaarde toe tot een bedrag van
€ 16.000,-- (zestienduizend euro)en veroordeelt verdachte tot
(hoofdelijke) betalingvan dit bedrag, bestaande uit materiële schade, te weten dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 1.296,--, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat verdachte verplicht om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van de benadeelde partij, een bedrag te betalen van
€ 16.000,-- (zestienduizend euro), , en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt,
105 (honderdvijf) dagen gijzelingkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Het toepassen van gijzeling ontslaat verdachte niet van haar betalingsverplichting aan de Staat;
- bepaalt dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat der Nederlanden vervalt en omgekeerd;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het
overige deel niet-ontvankelijkis in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
- bepaalt dat de
benadeelde partij [slachtoffer 2]in het geheel
niet-ontvankelijkis in de vordering;
- bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen, die ten aanzien van deze vordering zijn gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Metgod, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. J. de Ruiter, rechters, in tegenwoordigheid van N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Noord-Nederland, zaaksregistratienummer PL0600-2024024960, van 21 mei 2024. Er wordt steeds verwezen naar documenten/bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, tenzij anders is vermeld.
2.Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 22 juni 2023, pagina 8, de vijfde tot en met de achtste regel, de vijftiende tot en met de twintigste regel, en de zesentwintigste regel onder het kopje “Verklaring”, pagina 9, de zesde, de achtste en de negende zin, de elfde tot en met de dertiende zin, de vijftiende tot en met de vijfentwintigste zin, de zevenentwintigste tot en met de eenendertigste zin van de eerste alinea en de tweede alinea, en pagina 10, de eerste alinea en de eerste en de derde zin van de derde alinea en de eerste, de tweede, de derde, de vijfde, de zesde en de zevende zin van de vierde alinea, inclusief de daaraan gevoegde screenshots van de bankoverschrijvingen, pagina’s 121, 123 en 124, en een screenshot van een WhatsApp-gesprek met “[alias 2]”, pagina 122.
3.Een proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2024, pagina 19.
4.Een proces-verbaal van bevindingen van 26 juni 2024, pagina 21.
5.Een proces-verbaal van bevindingen van 26 juni 2024, pagina 23, de eerste alinea onder het kopje “[rekeningnummer 1]”.
6.Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] van 7 december 2023, pagina 106, de laatste zin, en pagina 107, de eerste zin.
7.Een proces-verbaal van bevindingen van 26 juni 2024, pagina 21, de eerste alinea onder het kopje “[rekeningnummer 2]”.
8.Een proces-verbaal van bevindingen van 26 juni 2024, pagina 25, de eerste alinea onder het kopje “[rekeningnummer 4]”.
9.Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting op 3 maart 2026, pagina 2, de eerste twee zinnen van de tweede alinea.