Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3455

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
84.166293.23 (en gevoegd ttz 84.166097.23) (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 323a SrArt. 343 SrArt. 344a SrArt. 225 lid 2 SrArt. 2:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor subsidiefraude, faillissementsfraude en schending administratieplicht

De rechtbank Overijssel heeft op 18 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van subsidiefraude, faillissementsfraude en het niet naleven van de administratieplicht bij [bedrijf 1] B.V. en het opzettelijk gebruik van valse geschriften bij [bedrijf 2] B.V.

Uit het onderzoek bleek dat verdachte als feitelijke leidinggever van [bedrijf 1] B.V. subsidiegelden van de NOW-regeling en TVL-regeling onrechtmatig heeft aangewend voor andere doeleinden dan loonkosten. Tevens heeft hij als (feitelijk) bestuurder geldbedragen onttrokken aan de boedel terwijl het faillissement voorzienbaar was, en heeft hij niet voldaan aan de administratieplicht, waardoor de afhandeling van het faillissement werd bemoeilijkt.

Daarnaast werd verdachte verweten feitelijke leiding te hebben gegeven aan het gebruik van vervalste bankafschriften door [bedrijf 2] B.V. voor het verkrijgen van subsidies. De rechtbank sprak verdachte vrij van het bestanddeel dat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de geschriften vals waren, waardoor hij voor dat feit werd ontslagen van rechtsvervolging.

De rechtbank achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend en veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 240 uur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. De straf weerspiegelt de ernst van de feiten, het misbruik van overheidssteun en de bemoeilijking van het faillissementsproces.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 240 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden wegens subsidiefraude, faillissementsfraude en schending van de administratieplicht.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.166293.23 (en gevoegd ttz 84.166097.23) (P)
Datum vonnis: 18 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, volgens eigen opgave verblijvende in [plaats] (België) aan de [adres].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. T. Sandrk, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
parketnummer 84.166293.23
feit 1: in de periode van 7 april 2020 tot en met heden feitelijke leiding heeft gegeven aan
het door [bedrijf 1] B.V. (mede)plegen van het opzettelijk en wederrechtelijk
aanwenden van subsidiegelden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn
verstrekt;
feit 2: in de periode van 8 september 2020 tot en met 2 maart 2021 als bestuurder van
[bedrijf 1] B.V., welke op 2 maart 2021 in staat van faillissement is
verklaard, tezamen en in verenging meerdere geldbedragen heeft onttrokken aan de boedel, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;
feit 3: in de periode van 3 oktober 2019 tot en met 2 maart 2021 als (feitelijk) bestuurder van [bedrijf 1] B.V., welke op 2 maart 2021 in staat van faillissement is verklaard, opzettelijk niet heeft voldaan aan de administratie- en bewaarplicht;
parketnummer 84.166097.23
op 23 juni 2021 feitelijke leiding heeft gegeven aan [bedrijf 2] B.V., welke toen tezamen en in vereniging opzettelijk gebruik heeft gemaakt van meerdere valse/vervalste bankafschriften door toezending van die geschriften aan het UVW.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
parketnummer 84.166293.23
1
[bedrijf 1] B.V. op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 april
2020 tot en met heden te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) opzettelijk en wederrechtelijk,
middelen die met een bepaald doel door de overheid zijn verstrekt, te weten
subsidiegelden inzake:
- de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van
werkgelegenheid (publicatie 01-04-2020);
- de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van
werkgelegenheid (publicatie 25-06-2020), en/of
- de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van
werkgelegenheid (publicatie 09-10-2020),
in elk geval subsidiegelden,
heeft aangewend en/of heeft doen aanwenden voor (een) ander(e) doeleinde(n) dan
waarvoor zij zijn/is verstrekt, te weten (het de werkgever tegemoet komen in) de
betaling van de loonkosten, als bedoeld in artikel 3 van Pro genoemde regeling(en),
immers heeft [bedrijf 1] B.V. telkens (een deel van) de uitgekeerde
subsidiegelden (totaal uitgekeerd 214.616 EUR) aangewend anders dan voor
loonkosten van en/of loonbetalingen aan werknemer(s) van [bedrijf 1] B.V.,
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte telkens
opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedragingen
verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;
2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 8 september 2020 tot en
met 2 maart 2021, te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
als feitelijk bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf 1] B.V., welke op
2 maart 2021 door de Rechtbank Amsterdam in staat van faillissement is verklaard,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen,
voor bovengenoemd faillissement,
- op 2 december 2020 een geldbedrag van (ongeveer) € 17.500, althans een
geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] B.V. naar
rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [verdachte];
- op 2 december 2020 één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van
(ongeveer) € 20.500, althans een geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke
rekening van [bedrijf 1] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en
[rekeningnummer 3] ten name van [medeverdachte];
- op 3 december 2020 een geldbedrag van (ongeveer) € 1.250, althans een
geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] B.V. naar
rekeningnummer [rekeningnummer 3] ten name van [medeverdachte];
- op 24 december 2020 een geldbedrag van (ongeveer) € 10.000, althans een
geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] B.V. naar
rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [verdachte];
- op 24 december 2020 één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van
(ongeveer) € 13.500, althans een geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke
rekening van [bedrijf 1] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en
[rekeningnummer 3] ten name van [medeverdachte];
- op 25 januari 2021 een geldbedrag van (ongeveer) € 10.000, althans een
geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] B.V. naar
rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [verdachte];
- op 25 januari 2021 één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van
(ongeveer) € 11.500, althans een geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke
rekening van [bedrijf 1] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en
[rekeningnummer 3] ten name van [medeverdachte];
- op 29 januari 2021 een geldbedrag van (ongeveer) € 10.000, althans een
geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] B.V. naar
rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [verdachte], en/of
- op 29 januari 2021 één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van
(ongeveer) € 13.500, althans een geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke
rekening van [bedrijf 1] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en
[rekeningnummer 3] ten name van [medeverdachte],
waardoor hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) enig goed aan de boedel
heeft onttrokken,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat hierdoor één of
meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;
3
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 3 oktober 2019 tot en met
2 maart 2021, te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf 1] B.V., welke
op 2 maart 2021 door de Rechtbank Amsterdam in staat van faillissement is
verklaard,
opzettelijk,
niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke
verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de
daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge
waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt;
parketnummer 84.166097.23
[bedrijf 2] B.V. op of omstreeks 23 juni 2021 te Schiedam en/of
Amsterdam, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of alleen,
(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van acht (8), in elk geval een of meer,
valse of vervalste geschriften, te weten:
- een afbeelding van een bankafschrift met overschrijvingen van [bedrijf 2]
B.V. naar [naam 1] (DOC-001-07, p. 103 van het procesdossier);
- een afbeelding van een bankafschrift met overschrijvingen van [bedrijf 2]
B.V. naar [naam 1] (DOC-001-08, p. 104 van het procesdossier);
- een afbeelding van een bankafschrift met overschrijvingen van [bedrijf 2]
B.V. naar [naam 1] (DOC-001-09, p. 105 van het procesdossier);
- een afbeelding van een bankafschrift met overschrijvingen van [bedrijf 2]
B.V. naar [naam 2] (DOC-001-10, p. 106 van het procesdossier);
- een afbeelding van een bankafschrift met overschrijvingen van [bedrijf 2]
B.V. naar [naam 2] (DOC-001-11, p. 107 van het procesdossier);
- een afbeelding van een bankafschrift met overschrijvingen van [bedrijf 2]
B.V. naar [naam 3] (DOC-001-12, p. 108 van het procesdossier);
- een afbeelding van een bankafschrift met overschrijvingen van [bedrijf 2]
B.V. naar [naam 3] (DOC-001-13, p. 109 van het procesdossier), en/of
- een afbeelding van een bankafschrift met overschrijvingen van [bedrijf 2]
B.V. naar [naam 4] en/of [naam 5] (DOC-001-14, p. 110 van
het procesdossier),
zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,
als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken
hierin dat zij, verdachte en/of haar mededader(s), voornoemde bankafschrift(en)
heeft verstuurd en/of doen versturen en/of ingediend en/of doen indienen bij het
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,
bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op voornoemde bankafschrift(en) –
in strijd met de waarheid – is vermeld dat salarisbetalingen aan werknemers zijn
verricht,
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte (telkens)
opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedragingen
verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

3.De bewijsmotivering

parketnummer 84.166293.23 [1]
3.1
Inleiding en aanleiding onderzoek
Verdachte (hierna ook [verdachte]) was samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna [medeverdachte]) als volgt gelieerd aan de onderneming [bedrijf 1] B.V. (hierna [bedrijf 1]).
[bedrijf 1] is op 10 februari 2006 opgericht en dreef een restaurant. Met ingang van 3 oktober 2019 tot 3 augustus 2020 was [verdachte] de bestuurder van [bedrijf 1] en vanaf 3 augustus 2020 was [medeverdachte] de bestuurder van [bedrijf 1]. [verdachte] was (samen met iemand anders) aandeelhouder van [bedrijf 1] tot 18 december 2020. Vanaf 18 december 2020 was [medeverdachte] de (enig) aandeelhouder. [2]
[bedrijf 1] is op 2 maart 2021 failliet verklaard. In dit faillissement werd mr. [curator] tot curator benoemd. [3]
Op 21 mei 2021 ontving de Opsporingsdienst van de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: ODNLA) een rapport van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna UWV) met fraudemeldingen welke betrekking hadden op [bedrijf 1]. Daarna werd op 9 september 2021 door de curator melding gedaan van faillissementsfraude. Uiteindelijk heeft de ODNLA een strafrechtelijk onderzoek ingesteld onder de naam Sugar Valley.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte van de ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Voor feit 1 is aangevoerd dat alleen voor de subsidiegelden van de derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (hierna NOW) kan worden aangetoond dat deze gelden voor andere doeleinden zijn aangewend, zodat partiële vrijspraak dient te volgen voor de subsidiegelden van NOW 1 en NOW 2. Verder kan [bedrijf 1] niet worden aangemerkt als pleger van dit feit en verdachte dus ook niet als feitelijke leidinggever. Ten aanzien van feit 2 is de verdediging van mening dat vrijspraak dient te volgen, omdat het faillissement niet voorzienbaar was. Voor feit 3 is aangevoerd dat de administratie pas vanaf maart 2020 niet meer inzichtelijk was en dat verdachte na 3 augustus 2020 geen bestuurder meer was. Niet kan worden vastgesteld dat de afhandeling van het faillissement is bemoeilijkt door gebrekkige administratie over die korte periode.
3.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Feit 1
De NOW was een subsidieregeling waarbij het UWV tijdens de coronapandemie een voorschot verleende aan werkgevers op basis van het aangegeven verwachte omzetverlies en de loonsom. Het betrof een tegemoetkoming die door de overheid aan ondernemers werd verstrekt om ze te helpen met het doorbetalen en in dienst houden van hun personeel (loonkosten).
Uit het dossier blijkt dat driemaal (te weten op 7 april 2020, 7 juli 2020 en 16 december 2020) een NOW-subsidie is aangevraagd op naam van [bedrijf 1]. [4] Ook blijkt daaruit dat op basis van deze aanvragen het UWV in de periode van 14 april 2020 tot en met 29 januari 2021 in totaal € 214.616,-- bij wijze van voorschot aan [bedrijf 1] heeft uitbetaald. [5]
Subsidiegelden aanwenden voor andere doeleinden
Wel staat ter discussie in hoeverre deze subsidiegelden voor andere doeleinden dan loonkosten zijn aangewend. De rechtbank overweegt als volgt.
De ODNLA heeft de transactiegegevens van de bankrekening ten name van [bedrijf 1] onderzocht en kwam daarbij tot de conclusie dat over de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 van de overgemaakte NOW-subsidies een totaalbedrag van € 113.250,87
aan loonkosten was besteed. [6]
Meer specifiek is door de ODNLA vastgesteld dat ten aanzien van de subsidiegelden die betrekking hebben op de eerste en tweede NOW-aanvraag een bedrag van € 29.914,13 (van het totaal uitgekeerde bedrag van € 143.165,00) niet aan loonkosten was besteed. Dit geld was onder meer besteed aan energiekosten, inkoopkosten, een incassobureau en diverse overboekingen naar bankrekeningen op naam van [verdachte] en [medeverdachte]. [7] Dat een deel wel is aangewend voor de betaling van loonkosten en dat niet nader is onderzocht waaraan het restant specifiek is besteedt, doet hieraan niet af. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw dat verdachte hiervan partieel dient te worden vrijgesproken.
Voor wat betreft de subsidiegelden van de derde NOW-aanvraag is door het ODNLA geconstateerd dat het de uitgekeerde subsidiegelden met een totaalbedrag van € 71.451,00 in zijn geheel niet aan loonkosten is besteed, maar is overgeboekt naar bankrekeningen op naam van [verdachte] en [medeverdachte], zoals hierna ook onder feit 2 nader aan de orde komt. [8]
Daderschap van [bedrijf 1]
Het aanvragen van subsidies viel binnen de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 1]. Het verkrijgen van de subsidiegelden is [bedrijf 1] dienstig geweest, nu de vennootschap hierdoor meer gelden tot haar beschikking kreeg om te kunnen aanwenden (en aldus heeft bijgedragen aan een verbetering van de financiële positie en liquiditeit van de onderneming). Gelet hierop concludeert de rechtbank dat de verboden gedragingen plaatsvonden in de sfeer van [bedrijf 1] en daarom redelijkerwijs aan haar kunnen worden toegerekend. Dit betekent dat [bedrijf 1] kan worden aangemerkt als dader van het onder 1 ten laste gelegde.
Feitelijke leidinggeven
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of [verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.
Zoals onder de inleiding is benoemd, was [verdachte] formeel bestuurder tot 3 augustus 2020. In de periode dat [verdachte] formeel bestuurder was, was hij ook feitelijk betrokken bij de dagelijkse gang van zaken. De rechtbank leidt uit het dossier af dat hij een belangrijke rol vervulde in de bedrijfsvoering en op de werkvloer. Zo bekostigde [verdachte] (samen met iemand anders) de aankoop/overname van [bedrijf 1] [9] en regelde hij in januari 2020 op naam van [bedrijf 1] een krediet bij ING Bank N.V., waarbij [verdachte] zich persoonlijk borg heeft gesteld. [10] Daarnaast schoot hij volgens [medeverdachte] regelmatig dingen voor. [11] Verder nam [verdachte] de keuken en inkoop voor zijn rekening en fungeerde hij als aanspreekpunt voor personeel (“ik werd platgebeld door werknemers omdat er van alles aan de hand was”). [12]
In de periode dat verdachte geen formeel bestuurder meer was (dus na 3 augustus 2020) bleef [verdachte] feitelijk betrokken bij de bedrijfsvoering. Zo tekende [verdachte] op 13 augustus 2020 een vaststellingsovereenkomst met [bedrijf 3] B.V. over de ontstane huurachterstand van [bedrijf 1], waarbij [verdachte] zich persoonlijk garant heeft gesteld. [13]
[verdachte] heeft zelf over de periode na 3 augustus 2020 onder meer verklaard dat hij aanwezig was voor personeel, vooral voor de rust van het personeel en omdat [medeverdachte] hem had gevraagd of hij tot het eind van het jaar wilde blijven. Hij zorgde nog steeds voor de inkoop en was iemand aan het inwerken. In oktober 2020, toen het restaurant weer moest worden gesloten, bleek [medeverdachte] in Egypte te zitten en werd hij gebeld door personeel waarna hij het een en ander heeft moeten regelen. [14]
Uit communicatie tussen [verdachte] en [medeverdachte], zoals aangetroffen op de in beslag genomen telefoon van [medeverdachte], bleek dat [verdachte] in december 2020 aan [medeverdachte] vroeg om het contract van een werknemer te verlengen zodat er met terugwerkende kracht over september, oktober en november subsidie kon komen. Ook bleek uit deze communicatie dat [verdachte] en [medeverdachte] in de periode van november 2020 tot 2 maart 2021 onderling afspraken maakten over schuldeisers en hoe deze buiten de deur te houden. Verder bleek hieruit dat [verdachte] en [medeverdachte] in december 2020 de derde NOW-aanvraag en de loonaangifte van [bedrijf 1] hebben besproken. [15] Op 11 november 2020 stuurde [verdachte] aan [medeverdachte] berichten met de teksten “Kan jij er niet achteraan gaan hoe dat zit wanneer dat geld komt” en “We kunnen toch ook een nieuwe aanvraag doen? Of hebben we die al gedaan” waarop [medeverdachte] antwoorde “Gaan we ook doen in dec”. Op 12 december 2020 stuurde [verdachte] aan [medeverdachte] een bericht met de tekst “Had jij al iets gehoord van now3?” waarop [medeverdachte] antwoorde dat hij nog niets had gehoord. Enkele weken later, op 22 december 2020, vroeg [verdachte] aan [medeverdachte] of [medeverdachte] hierover kan bellen met het UWV. [medeverdachte] berichtte [verdachte] later die dag dat er ‘vrijdag 23 k’ op de rekening staat en ‘71k total’, waarop [verdachte] antwoorde “in januari nog een keer” waarop [medeverdachte] een afbeelding met een duimpje omhoog terugstuurde. [16]
De boekhouder [naam 6] (hierna [naam 6]) heeft verklaard dat [medeverdachte] hem opdracht heeft gegeven tot het indienen van de NOW-aanvragen en dat [verdachte] met betrekking de aanvraag van 16 december 2020 informatie heeft langsgebracht (zijnde de verklaring over omzetverlies en dat lonen worden doorbetaald). Verder heeft [naam 6] verklaard dat hij ook met [verdachte] contact had over andere aangelegenheden van [bedrijf 1], zoals over de verhuurder die beslag wilde leggen. [17]
[medeverdachte] heeft bevestigd dat hij met hulp van [naam 6] NOW-aanvragen heeft ingediend, dat hij toegang had tot de bankrekening waarop deze gelden werden uitbetaald, dat hij zorg droeg voor betalingen aan werknemers en leveranciers en dat hij de subsidiegelden, die in december 2019 en januari 2021 werden uitbetaald, heeft aangewend voor zowel zakelijke als privé doeleinden en dat hij ook subsidiegelden aan [verdachte] heeft overgeboekt. [18]
Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat [verdachte] als feitelijke leidinggever van [bedrijf 1] is aan te merken. Hoewel [verdachte] tegenover de ODNLA betrokkenheid heeft ontkend bij de NOW-aanvragen en de aanwending van deze subsidiegelden voor andere doeleinden dan loonkosten, acht de rechtbank op grond van voornoemd feitencomplex zijn betrokkenheid hierbij bewezen. De rechtbank acht hierbij van doorslaggevend belang de onderlinge correspondentie hierover met [medeverdachte], de verklaring van de boekhouder, en het feit dat dat verdachte van meet af aan als investeerder/aandeelhouder en formeel bestuurder en nadien als feitelijke leidinggever zich wezenlijk heeft bezig gehouden met de financiële aspecten van de onderneming.
Gelet op voorgaand feitencomplex is naar het oordeel van de rechtbank sprake van vol opzet van [verdachte] en kan dit handelen worden toegerekend aan [bedrijf 1].
Geen medeplegen
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tezamen en in vereniging plegen mét de vennootschap, omdat feitelijk leidinggeven aan eigen (mede)plegen niet mogelijk is.
De rechtbank acht evenmin bewezen dat [bedrijf 1] dit feit samen met een of meer andere (rechts)perso(o)n(en) heeft gepleegd.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] het ten laste gelegde feit heeft begaan, maar zal daarbij de pleegperiode eindigen op 29 januari 2021 (zijnde de dag van de laatste overboeking van subsidiegelden/onttrekking en welke datum ook is opgenomen in tenlastelegging onder feit 2).
Feit 2
Onder dit feit wordt [verdachte], als feitelijk bestuurder van [bedrijf 1], verweten dat hij samen met [medeverdachte] gelden heeft onttrokken aan de boedel door het overboeken van diverse geldbedragen van de bankrekening van [bedrijf 1] naar de bankrekening van hemzelf en [medeverdachte] in de periode van 8 september 2020 tot en met 2 maart 2021.
(feitelijk) bestuurder
Zoals onder de inleiding ook is benoemd, is [bedrijf 1] is op 2 maart 2021 failliet verklaard en was [verdachte] van 3 oktober 2019 tot 3 augustus 2020 formeel bestuurder.
De rechtbank ziet zich in het kader van de ten laste gelegde periode van 8 september 2020 tot en met 2 maart 2021 dan ook allereerst voor de vraag gesteld of verdachte kan worden aangemerkt als
feitelijkbestuurder van [bedrijf 1]. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
In artikel 348a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is bepaald dat onder bestuurder van een rechtspersoon voor de toepassing van de bepalingen in de titel XXVI ‘Benadeling van schuldeisers of rechthebbenden’ mede moet worden begrepen degene die feitelijk optreedt als bestuurder van een rechtspersoon. Het komt bij de beoordeling of hiervan sprake is dus aan op de maatschappelijke realiteit. Voor het antwoord op de vraag of een persoon kan worden aangemerkt als feitelijk bestuurder is onder meer bepalend of de betrokkene het beleid van de rechtspersoon heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder van de rechtspersoon. [19] Het gaat hier dus in beginsel om het optreden in algemene zin, al kan ook een enkele handeling al beleidsbepalend zijn indien en voor zover die handeling is gericht op een essentieel en ingrijpend punt van de bedrijfsvoering.
De rechtbank heeft onder feit 1 al enige relevante feiten en omstandigheden vastgesteld over het optreden van [verdachte] in algemene zin, te weten:
  • dat [verdachte] [bedrijf 1] op 3 oktober 2019 heeft aangekocht;
  • dat [verdachte] feitelijk verantwoordelijk was voor de keuken en inkoop;
  • dat [verdachte] in januari 2020 een kredietfaciliteit voor [bedrijf 1] heeft geregeld bij de ING, waarbij hij zich persoonlijk borg heeft gesteld;
  • dat [verdachte] feitelijk als aanspreekpunt voor personeel fungeerde;
  • dat [verdachte] ook na 3 augustus 2020, toen hij formeel geen bestuurder meer was, aanwezig was voor het personeel en dat [medeverdachte] hem had gevraagd of hij tot het eind van het jaar wilde blijven;
  • dat [verdachte] ook na 3 augustus 2020 nog zorgdroeg voor de inkoop;
  • dat [verdachte] na 3 augustus 2020 een personeelslid aan het inwerken was,
  • dat [verdachte] op 13 augustus 2020 een vaststellingsovereenkomst/betalingsregeling tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] B.V. heeft ondertekend over de ontstane huurachterstand van [bedrijf 1], waarbij [verdachte] zich persoonlijk garant heeft gesteld;
  • dat [verdachte] in oktober 2020 feitelijk de bedrijfsvoering op zich heeft genomen tijdens de afwezigheid van [medeverdachte] gedurende diens verblijf in Egypte;
  • dat uit aangetroffen correspondentie op de telefoon van [medeverdachte] blijkt dat [verdachte] aan [medeverdachte] in december 2020 aan [medeverdachte] vroeg om het contract van een werknemer te verlengen, zodat er met terugwerkende kracht over september, oktober en november subsidie zou komen;
  • dat uit aangetroffen correspondentie op de telefoon van [medeverdachte] blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] in de periode van november 2020 tot 2 maart 2021 onderling afspraken maakten over schuldeisers en hoe deze buiten de deur te houden;
  • dat uit aangetroffen correspondentie op de telefoon van [medeverdachte] blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] in december 2020 de derde NOW-aanvraag en de loonaangifte van [bedrijf 1] hebben besproken en dat beiden hierover contact met UVW hebben gehad;
  • dat boekhouder [naam 6] heeft verklaard dat [verdachte] met betrekking de NOW- aanvraag van 16 december 2020 informatie bij hem heeft langsgebracht en dat hij met [verdachte] ook contact had over andere aangelegenheden van [bedrijf 1] zoals over de verhuurder die beslag wilde leggen.
In aanvulling op voornoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank over het optreden van [verdachte] verder nog uit het dossier af dat:
- op 8 en 9 september 2020 [verdachte] (namens [bedrijf 1]) en de advocaat van de energieleverancier/ schuldeiser Main Energie B.V. met elkaar per e-mail hebben gecorrespondeerd over een dreigende faillissementsaanvraag, waarna partijen een betalingsregeling zijn overeengekomen [20] ;
- uit aangetroffen correspondentie op de telefoon van [medeverdachte] blijkt dat [verdachte] op 27 november 2020 een link heeft toegestuurd aan [medeverdachte] van de website https://www.rvo.nl/subsidie-en-financieringswijzer/tvl [21] ;
- dat pas in december 2020 de aandelen van [bedrijf 1] door [verdachte] c.s. aan [medeverdachte] zijn overgedragen [22] ;
- uit aangetroffen correspondentie op de telefoon van [medeverdachte] blijkt dat [verdachte] op 19 februari 2021 aan [medeverdachte] bericht dat hij met RVO heeft gebeld “voor de TVL aanvraag hoe de behandeling is” [23] .
Op grond van voornoemd feitencomplex constateert de rechtbank dat [verdachte] eerst formeel betrokken was bij de bedrijfsvoering en de werkvloer en dit ook feitelijk bleef doen nadat [medeverdachte] hem als formeel bestuurder opvolgde. [verdachte] hield zich bezig met relatiebeheer, personeelszaken, het debiteurenbeleid, de liquiditeit en de financiering van de onderneming. Hij werd door [medeverdachte] betrokken bij de vraag welke schuldeisers wel en niet zouden worden betaald. [verdachte] kreeg geen instructies van [medeverdachte], maar zij overlegden met elkaar op gelijke voet. [verdachte] presenteerde zich verder naar buiten toe als vertegenwoordiger van de vennootschap (zoals jegens de verhuurder [bedrijf 3] B.V. en schuldeiser Main Energie). Op basis van dit één en ander, bezien in onderling verband, stelt de rechtbank vast dat verdachte in de ten laste gelegde periode op allerlei fronten van de bedrijfsvoering beslissingen nam en (mede) het beleid van de onderneming heeft bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte dan ook aan te merken als feitelijk bestuurder van [bedrijf 1].
Bedrieglijke bankbreuk bij rechtspersonen
Voor een bewezenverklaring van artikel 343 Sr Pro is vereist dat vast komt te staan dat [verdachte] als (feitelijk) bestuurder opzet heeft gehad op de benadeling van de schuldeisers.
In dat verband is voorwaardelijk opzet voldoende. Aangenomen wordt dat dit impliceert dat
ten tijde van de tenlastegelegde handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement
moet hebben bestaan, waarbij een aanmerkelijke kans in dit verband een redelijke mate van
waarschijnlijkheid is, of dat als gevolg van die handelingen een redelijke mate van
waarschijnlijkheid van een faillissement is ontstaan. Het (voorwaardelijk) opzet op het
faillissement zelf is geen zelfstandig vereiste. Met andere woorden, ten tijde van de
tenlastegelegde handelingen moet het faillissement voor verdachte voorzienbaar zijn
geweest.
Zicht op faillissement
Volgens de verdediging was het faillissement voor [verdachte] niet voorzienbaar. De rechtbank verwerpt dit verweer gelet op voornoemde e-mailwisseling tussen [verdachte] en de advocaat van energieleverancier/ schuldeiser Main Energie B.V op 8 en 9 september 2020 waarin uitdrukkelijk wordt benoemd dat bij gebreke van een reactie op 8 september 2020 rekening moet worden gehouden met een faillissementsaanvraag, hetgeen heeft geresulteerd in de totstandkoming van een betalingsregeling. De rechtbank komt tot het oordeel dat vanaf 8 september 2020 een faillissement van [bedrijf 1] voor [verdachte] voorzienbaar voor was.
Onttrekkingen aan de boedel
Zoals ook onder feit 1 is benoemd, heeft de ODNLA de transactiegegevens van bankrekening ten name van [bedrijf 1] onderzocht.
Ten aanzien van de ten laste gelegde geldtransacties op 2 en 3 december 2020 is vastgesteld dat deze betrekking hebben op het doorboeken van subsidiegelden welke zijn verkregen in het kader van de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) voor ondernemers met omzetverlies door de coronamaatregelen. Op 2 december werd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna RVO) een bedrag van € 41.687,85 overgemaakt op de bankrekening van [bedrijf 1]. Dezelfde dag werd een bedrag van € 17.500 ,-- overgeboekt vanaf die bankrekening naar de bankrekening van [verdachte] en € 20.500,-- naar de bankrekening van [medeverdachte]. De dag erna, op 3 december 2020, werd nog bedrag van € 1.250,-- van de bankrekening van [bedrijf 1] aan [medeverdachte] overgeboekt. [24]
Ten aanzien van de ten laste gelegde geldtransacties van 24 december 2020 tot en met 29 januari 2021 geldt dat deze betrekking hebben op het doorboeken van subsidiegelden in het kader van de NOW.
Op 24 december 2020 werd door het UWV een voorschot van € 23.817,-- overgemaakt op de bankrekening van [bedrijf 1]. Diezelfde dag werd € 10.000,-- naar de bankrekening van [verdachte], € 10.000 ,-- naar de bankrekening van [medeverdachte] en € 3.500,-- via een tussenrekening naar [medeverdachte] overgeboekt.
Op 25 januari 2021 werd door het UWV een voorschot van € 23.817,-- overgemaakt op de bankrekening van [bedrijf 1] en weer dezelfde dag werd € 10.000,-- naar de bankrekening van [verdachte], € 10.000,-- naar de bankrekening van [medeverdachte] en € 1.500,-- via een tussenrekening naar [medeverdachte] overgeboekt.
Op 29 januari 2021 werd door het UWV een voorschot van € 23.817,-- overgemaakt op de bankrekening van [bedrijf 1] en dezelfde dag werd € 10.000,-- naar de bankrekening van [verdachte], € 10.000,-- naar de bankrekening van [medeverdachte] en € 3.500,-- via een tussenrekening naar [medeverdachte] overgeboekt. [25]
[medeverdachte] heeft over de geldtransacties verklaard dat hij de subsidiegelden naar zijn bankrekening en de bankrekening van [verdachte] heeft overgemaakt. Het geld dat op zijn bankrekening terecht is gekomen, heeft hij gebruikt voor zakelijke doeleinden (zoals zwarte betalingen aan werknemers en leveranciers) en privé doeleinden. [26]
Voor de geldtransacties heeft de curator in de administratie geen zakelijke onderbouwing gevonden. De curator heeft [verdachte] in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat deze zagen op de terugbetaling van voorgeschoten kosten, maar de onderbouwing hiervan was niet sluitend. De curator kwam uiteindelijk tot de conclusie dat de betalingen onverplicht hebben plaatsgevonden. [27] Naar het oordeel van de rechtbank zijn de ten laste gelegde geldtransacties dan ook aan te merken als onttrekkingen aan de boedel.
Benadeling schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden
De rechtbank stelt vast dat vanaf 2 december 2020 onttrekkingen zijn verricht, terwijl [verdachte] vanaf 8 september 2020 wist dat een faillissement van [bedrijf 1] voorzienbaar was.
Dat de onderneming in zwaar weer verkeerde, weerhield [verdachte] en [medeverdachte] er niet van
de uitgekeerde subsidiegelden opzettelijk naar zichzelf over te boeken en aldus aan te wenden voor andere doeleinden dan waarvoor de subsidies bedoeld waren. Door dat geld op die wijze uit het bedrijf te halen, was er voor de schuldeisers in het faillissement minder te verdelen. Met dit handelen is het opzet op de verkorting van de rechten van schuldeisers gegeven.
Medeplegen
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte].
Conclusie
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank dit ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
Administratieplicht
De rechtbank overweegt dat een bestuurder van een rechtspersoon op grond van artikel 2:10
van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht is een administratie te voeren en de daartoe
behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat
te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Uit
jurisprudentie blijkt dat aan de administratieplicht is voldaan indien het mogelijk is om snel
inzicht te krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie. Daarnaast dienen deze posities en
de stand van de liquiditeiten een redelijk inzicht te geven in de vermogenspositie van de
rechtspersoon (vgl. Hoge Raad 13 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:713; Hoge Raad 10 oktober
Bestuurder
De rechtbank stelt vast dat verdachte in de ten last gelegde periode van 3 oktober 2019 tot en met 2 maart 2021 is aan te merken als (feitelijk) bestuurder en verwijst in dat kader naar hetgeen zij hierover onder feit 2 heeft overwogen.
Bevindingen curator
De curator van [bedrijf 1] heeft in haar melding van faillissementsfraude en in haar verklaring tegenover de ODNLA verklaard dat zij de boekhouding in eerste instantie had opgevraagd bij [verdachte] en [medeverdachte], maar deze uiteindelijk heeft ontvangen van de boekhouder (administratiekantoor Boomgaart en Schaijk) omdat [verdachte] en [medeverdachte] geen boekhouding in hun bezit bleken te hebben. De curator constateerde dat de aangeleverde administratie vanuit de boekhouder niet compleet was; vanaf 1 maart 2020 was er geen kasboek aanwezig. De boekhouder heeft aan de curator verklaard dat per 31 augustus 2020 de dienstverlening was beëindigd omdat de administratie onvolledig was. [28]
Verklaringen verdachten [verdachte] en [medeverdachte]
[verdachte] heeft tegenover de ODNLA verklaard dat hij met [medeverdachte] had afgesproken dat [medeverdachte] zorg droeg voor de administratie van [bedrijf 1] en dat de boekhouder [medeverdachte] daarbij hielp op basis van de spullen die [medeverdachte] aanleverde. [29]
[medeverdachte] heeft tegenover de rechter-commissaris bevestigd dat hij de administratie van [bedrijf 1] voor zijn rekening nam en dat de boekhouder hem daarbij hielp tot het moment dat de samenwerking werd opgezegd. Na gebeurtenissen in zijn privéleven in maart 2020 heeft hij veel laten lopen en kon hij zich er niet toe zetten de gevraagde informatie aan de boekhouder te sturen. [30]
Opzet
De rechtbank overweegt dat [verdachte] als formeel en nadien als feitelijk bestuurder van [bedrijf 1] de (mede) verantwoordelijkheid droeg voor de algemene gang van zaken van de rechtspersoon en daarmee ook voor het financiële beleid en meer in het bijzonder de administratieplicht zoals benoemd in artikel 2:10 BW Pro. Ondanks voornoemde taakverdeling tussen [verdachte] en [medeverdachte], bleef [verdachte] individueel verantwoordelijk voor het (laten) voeren van een deugdelijke administratie. Uit het voorgaande volgt dat verdachte in deze verantwoordelijkheid is tekortgeschoten. Dat verdachte – naar eigen zeggen – niets heeft geweten van de onregelmatigheden van de administratie, ontslaat verdachte niet van zijn voornoemde verplichting als bestuurder ex artikel 2:10 BW Pro en de plicht tot adequaat toezicht en controle op de administratievoering door [medeverdachte] en de ingeschakelde boekhouder. Verdachte heeft nagelaten zich te vergewissen van de juistheid van de boekhouding en heeft ten onrechte vertrouwd op de deugdelijkheid van de werkzaamheden van [medeverdachte]. Niet is gesteld en/of gebleken dat [verdachte] op enige moment om inzage heeft gevraagd in de boekhouding en/of contact heeft opgenomen met de boekhouder en/of zich op andere wijze actief heeft ingespannen om de situatie in kaart te brengen, terwijl hij wist dat de onderneming in zwaar weer verkeerde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] door zo te handelen minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat niet werd voldaan aan de administratieplicht.
Ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement is bemoeilijkt
Door een onvolledige administratie is het voor een curator over het algemeen onmogelijk om correct vast te kunnen stellen welke (eventuele) baten er zijn en onder wie die moeten worden verdeeld. Ook het kunnen onderkennen van eventuele onregelmatigheden in het zicht van het faillissement om daarna via acties als de Pauliana of onrechtmatige daad de daardoor veroorzaakte schade op te heffen of te verminderen, wordt door dergelijke handelen ernstig bemoeilijkt dan wel gefrustreerd. De curator heeft verklaard dat zij door de gebrekkige administratie en ontbrekende administratie is bemoeilijkt in de afhandeling van het faillissement. [31] De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging op dit onderdeel.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dit ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
parketnummer 84.166097.23 [32]
3.5
Inleiding en aanleiding onderzoek
[verdachte] was naast voornoemde onderneming [bedrijf 1] ook gelieerd aan de onderneming [bedrijf 2] B.V. (hierna [bedrijf 2]). [bedrijf 2] is op 23 mei 2000 opgericht en houdt zich bezig met het verkopen van reinigingsproducten. [verdachte] is vanaf 1 juni 2017 bestuurder van [bedrijf 2] en vanaf 10 januari 2019 enig aandeelhouder. [33]
Naar aanleiding van voornoemd onderzoek inzake [bedrijf 1] heeft het UWV ook onderzoek gedaan naar de NOW-subsidies die zijn verstrekt aan [bedrijf 2]. In het kader van dit onderzoek vroeg het UWV aan [bedrijf 2] om nadere informatie. Na verstrekking van deze informatie rees bij het UWV het vermoeden dat namens [bedrijf 2] gebruik was gemaakt van vervalste bankrekeningafschriften. De ODNLA heeft vervolgens een strafrechtelijk onderzoek ingesteld onder de naam ‘Avera’.
3.6
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
3.7
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, omdat [bedrijf 2] en verdachte geen opzet hebben gehad op de valsheid van de geschriften en niet is tenlastegelegd dat verdachte “wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de geschriften vals waren”.
3.8
Het oordeel van de rechtbank
Opzettelijk gebruikmaken van valse geschriften
Op 23 juni 2021 ontving het UWV van [naam 6], boekhouder van [bedrijf 2], de ten laste gelegde bankafschriften. Het UWV constateerde onregelmatigheden in die aangeleverde geschriften. Na vergelijking met originele bankafschriften van de ING Bank N.V. (hierna ING) bleek een deel van de salarissen niet te zijn uitbetaald aan de werknemers. [34] De ODNLA heeft daarna ook de aan de UWV aangeleverde bankafschriften vergeleken met de originele bankafschriften van de ING en constateerde eveneens onjuistheden in de door [bedrijf 2] aangeleverde stukken. [35]
Ter zitting heeft de verdediging niet betwist dat sprake is van valse geschriften en dat [bedrijf 2] hiervan gebruik heeft gemaakt door deze stukken via de boekhouder aan het UWV te verstrekken. De raadsvrouw heeft ter zitting verklaard dat de verdachte desgevraagd de geschriften van ‘de administratie’ heeft gekregen, dat verdachte er foto’s van heeft gemaakt en deze één op één heeft doorgestuurd aan [naam 6].
Verdachte heeft tegenover het UWV kenbaar gemaakt dat ‘iemand’ deze geschriften heeft gemaakt, dat hij die persoon niet meer aan de telefoon krijgt, dat hij de naam van deze persoon niet wil noemen en deze persoon eerst zelf wil spreken. [36]
[naam 6] heeft verklaard dat hij de geschriften van [verdachte] heeft ontvangen en dat hij deze geschriften heeft doorgestuurd aan het UWV. [37]
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat de ten laste gelegde geschriften valselijk zijn opgemaakt, al dan niet door een onbekend persoon die feitelijk dan wel formeel werkzaam was voor [bedrijf 2].
Daderschap [bedrijf 2] en feitelijke leiding geven
Het valselijk opmaken van de geschriften door vermoedelijk een onbekend gebleven werknemer van [bedrijf 2], en het opzettelijk gebruik maken daarvan door [bedrijf 2] passen in de normale bedrijfsvoering van de [bedrijf 2], omdat het voeren van dergelijke administratie behoort tot de reguliere taken van de onderneming. De gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest doordat op deze manier werd voldaan aan de informatievoorziening in het kader van de aangevraagde NOW-subsidies op naam van [bedrijf 2]. Ook is voldoende komen vast te staan dat [bedrijf 2] erover vermocht te beschikken of de verboden gedraging zouden plaatsvinden. [bedrijf 2] - bestuurd door verdachte - had namelijk zeggenschap over de werkzaamheden van de (administratieve) medewerker die de geschriften heeft aangeleverd/opgemaakt. Ook was [bedrijf 2], middels haar boekhouder, op de hoogte van het onderzoek door het UWV naar de aangevraagde NOW-subsidies. De rechtspersoon heeft [naam 6] als contactpersoon naar voren geschoven. [bedrijf 2] heeft zodoende de gedraging aanvaard. In het midden kan blijven welke werknemer de stukken heeft vervalst, nu gedragingen aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend en verdachte als feitelijke leidinggever is aan te merken. Verdachte is als enig (direct) bestuurder en aandeelhouder [bedrijf 2] verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering. Dat verdachte – naar eigen zeggen – niets heeft geweten van de valsheid van de geschriften en het opmaken daarvan, ontslaat verdachte niet van zijn plicht tot adequaat toezicht en controle op de administratie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zo te handelen minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat valsheid in geschrift werd gepleegd en dat van die stukken opzettelijk gebruik werd gemaakt.
Conclusie
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte op 23 juni 2021 feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk gebruik maken van de ten laste gelegde geschriften door [bedrijf 2].
De rechtbank spreekt verdachte wel vrij van het tezamen en in vereniging plegen mét de vennootschap, omdat feitelijk leidinggeven aan eigen (mede)plegen niet mogelijk is.
De rechtbank acht evenmin bewezen dat verdachte de valse geschriften samen met een of meer andere (rechts)perso(o)n(en) heeft opgemaakt.
3.9
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
parketnummer 84.166293.23
1
[bedrijf 1] B.V. op tijdstippen in de periode van 7 april 2020 tot en met 29 januari 2021 in Nederland, meermalen telkens opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel door de overheid zijn verstrekt, te weten subsidiegelden inzake:
- de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van
werkgelegenheid (publicatie 01-04-2020);
- de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van
werkgelegenheid (publicatie 25-06-2020), en/of
- de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van
werkgelegenheid (publicatie 09-10-2020),
heeft aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, te weten de
betaling van de loonkosten, als bedoeld in artikel 3 van Pro genoemde regelingen,
immers heeft [bedrijf 1] B.V. telkens een deel van de uitgekeerde
subsidiegelden (totaal uitgekeerd 214.616 EUR) aangewend anders dan voor
loonkosten van en/of loonbetalingen aan werknemers van [bedrijf 1] B.V.,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen
verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;
2
hij op meer tijdstippen in de periode 8 september 2020 tot en met 2 maart 2021 in Nederland
als feitelijk bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf 1] B.V., welke op 2 maart 2021 door de Rechtbank Amsterdam in staat van faillissement is verklaard,
tezamen en in vereniging met één ander, voor bovengenoemd faillissement,
- op 2 december 2020 een geldbedrag van € 17.500 heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] B.V. naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [verdachte];
- op 2 december 2020 een totaalbedrag van € 20.500 heeft overgeboekt van de zakelijke
rekening van [bedrijf 1] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en
[rekeningnummer 3] ten name van [medeverdachte];
- op 3 december 2020 een geldbedrag van € 1.250 heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] B.V. naar rekeningnummer [rekeningnummer 3] ten name van [medeverdachte];
- op 24 december 2020 een geldbedrag van € 10.000 heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] B.V. naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [verdachte];
- op 24 december 2020 een totaalbedrag van € 13.500 heeft overgeboekt van de zakelijke
rekening van [bedrijf 1] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en
[rekeningnummer 3] ten name van [medeverdachte];
- op 25 januari 2021 een geldbedrag van € 10.000 heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] B.V. naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [verdachte];
- op 25 januari 2021 een totaalbedrag van € 11.500 heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] ten name van [medeverdachte];
- op 29 januari 2021 een geldbedrag van € 10.000 heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] B.V. naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [verdachte], en
- op 29 januari 2021 een totaalbedrag van € 13.500 heeft overgeboekt van de zakelijke
rekening van [bedrijf 1] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en
[rekeningnummer 3] ten name van [medeverdachte],
waardoor hij, verdachte, en zijn mededader telkens enig goed aan de boedel
heeft onttrokken,
terwijl hij, verdachte, en zijn mededader telkens wisten dat hierdoor één of
meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;
3
hij op tijdstippen in de periode 3 oktober 2019 tot en met 2 maart 2021 in Nederland
als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf 1] B.V., welke
op 2 maart 2021 door de Rechtbank Amsterdam in staat van faillissement is
verklaard opzettelijk niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de
daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge
waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt;
parketnummer 84.166097.23
[bedrijf 2] B.V. op 23 juni 2021 in Nederland, telkens gebruik heeft gemaakt van acht vervalste geschriften, te weten afbeeldingen van bankafschriften met overschrijvingen van [bedrijf 2] B.V. naar [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4] en [naam 5],
zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,
als ware dat geschrift telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken
hierin dat zij, verdachte, voornoemde bankafschriften heeft doen indienen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op voornoemde bankafschriften – in strijd met de waarheid – is vermeld dat salarisbetalingen aan werknemers zijn verricht, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

parketnummer 84.166293.23
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 323a, 343 en 344a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt, aanwenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf:
tezamen en in vereniging met een ander, als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.
parketnummer 84.166097.23
Het bewezenverklaarde levert geen strafbaar feit op, omdat het bestanddeel “wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de geschriften vals waren” zoals bedoeld in artikel 225 lid 2 Sr Pro in de tenlastelegging en de bewezenverklaring ontbreekt. De rechtbank ontslaat verdachte daarom van alle rechtsvervolging voor dit feit.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafbepaling rekening te houden met het feit dat verdachte zijn medewerking heeft verleend aan het onderzoek van de curator en het daaropvolgende strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de omstandigheden dat verdachte is aan te merken als een first offender en dat het oudere feiten betreft. Gelet hierop dient volstaan te worden met een taakstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijk gevangenisstraf.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft in jaren 2019 tot en met 2021 zich als feitelijke leidinggever van [bedrijf 1] schuldig gemaakt aan subsidiefraude en - als bestuurder - zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude inzake het faillissement van [bedrijf 1]. Daarbij heeft hij als bestuurder tevens niet voldaan aan de administratieplicht van [bedrijf 1]. Als gevolg hiervan is het werk van de curator in aanzienlijke mate bemoeilijkt en was het niet mogelijk om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen, terwijl het maatschappelijke en economische verkeer verlangt dat faillissementen voortvarend en efficiënt worden afgewikkeld. Daarnaast hebben de schuldeisers van [bedrijf 1] financiële schade geleden.
Met de NOW-fraude en onttrekking van de TVL gelden aan de boedel heeft verdachte misbruik gemaakt van overheidssteun in een financieel onzekere tijd. De NOW-regeling was zodanig ingericht dat, middenin een pandemie waarin veel mensen en bedrijven zich zorgen maakten om hun respectievelijke inkomen en voortbestaan, snel en eenvoudig financiële steun kon worden aangevraagd en verkregen. Controle op de juistheid van de opgegeven gegevens zou daarom pas achteraf plaatsvinden. Van deze laagdrempelige toegang tot financiële ondersteuning hebben de verdachte en zijn mededaders misbruik gemaakt. Hierdoor is een groot bedrag aan overheidsgelden verdwenen, wat ten laste van de samenleving is gekomen. Dit alles neemt de rechtbank verdachte kwalijk, temeer nu van hem als bestuurder integer en professioneel handelen mocht worden verwacht.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 7 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Gezien het tijdsverloop en de overige omstandigheden acht de rechtbank de eis van de officier alleszins passend en geboden en zij zal daarom overeenkomstig beslissen. De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met wat zij in de zaak van de medeverdachte bewezen heeft verklaard en welke straf zij daarvoor heeft opgelegd, waarbij de rechtbank als uitgangspunt heeft gehanteerd: gelijke monniken, gelijke kappen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] een evenredige rol vervuld. Zij hebben allebei een substantiële bijdrage geleverd aan de strafbare gedragingen op basis van een (destijds) vriendschappelijke en zakelijke relatie en hebben een soortgelijk voordeel genoten van de uitgekeerde subsidiegelden.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 51, 57 Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
parketnummer 84.166293.23
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf
opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt, aanwenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf:
tezamen en in vereniging met een ander, als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
parketnummer 84.166097.23
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart dat het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat verdachte onder dit parketnummer van alle rechtsvervolging;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, en mr. R.P. van Campen en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Nederlandse Arbeidsinspectie (ODNLA) met zaaknummer 6640-2023-0084 en onderzoeksnaam Sugar Valley). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Geschriften, zijnde uittreksels van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 1] van 10 november 2021 en 22 maart 2023, genummerd als DOC-002-01 en DOC-002-02, pagina’s 246 t/m 248 en 254 en de aktes aandelen overdracht en levering van aandelen genummerd als DOC-003-11 en DOC-003-12, pagina’s 457, 462 t/m 464.
3.Een geschrift, zijnde het vonnis faillietverklaring van de rechtbank Amsterdam van 2 maart 2021, pagina 344.
4.Geschriften zijnde aanvragen NOW van 7 april 2020, 7 juli 2020 en 16 december 2020, genummerd als DOC-001-03 (pagina 223), DOC-001-04 (pagina 224) en DOC-001-05 (pagina 230).
5.Het proces-verbaal van bevindingen besteding NOW subsidies, genummerd als AMB-002-01, pagina 164.
6.Het proces-verbaal van bevindingen besteding NOW subsidies, genummerd als AMB-002-01, pagina 164.
7.Het proces-verbaal van bevindingen besteding NOW subsidies, genummerd als AMB-003-01, pagina 166 en 167.
8.Het proces-verbaal van bevindingen besteding NOW subsidies, genummerd als AMB-003-01, pagina’s 166 t/m 168.
9.Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 14 november 2023, genummerd als V-001, pagina 31.
10.Een geschrift zijnde een offerte kredietfaciliteit van de ING Bank N.V. van 13 januari 2020 (als bijlage achter DOC-003-16), pagina’s 486 t/m 491.
11.Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 25 mei 2021 tegenover de rechter-commissaris, pagina 408.
12.Het proces-verbaal van verhoor [verdachte] van 14 november 2023, genummerd als V-001, pagina’s 30 en 31.
13.Een geschrift, zijnde een vaststellingsovereenkomst tussen [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 1] en [verdachte] van 13 augustus 2020, genummerd als DOC-003-10, pagina’s 453 t/m 456.
14.Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 14 november 2023, genummerd als V-001, pagina 31.
15.Het proces-verbaal van bevindingen van 7 maart 2024, genummerd als AMB-001-02, pagina 157.
16.Het proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2023, genummerd als AMB-010, pagina’s 208 t/m 211.
17.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] van 25 september 2025 tegenover de rechter-commissaris, los nagezonden, pagina’s 1, 4, 5 en 6.
18.Het proces-verbaal van faillissementsverhoor van [medeverdachte] van 25 mei 2021 tegenover de rechter-commissaris, pagina’s 407 en 408.
19.Kamerstukken II 2013/14, 33994, 3, p. 17.
20.Geschriften, zijnde e-mails van 8 en 9 september 2020, pagina’s 299 en 301, gevoegd achter DOC-003-06.
21.Het proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2023, pagina 212, genummerd als AMB-010.
22.Een geschrift, zijnde de akte levering aandelen van 18 december 2020, pagina’s 457 t/m 460, genummerd als DOC-003-11.
23.Het proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2023, pagina 212, genummerd als AMB-010.
24.Het proces-verbaal van bevindingen van 17 november 2023, genummerd als AMB-04, pagina 141.
25.Het proces-verbaal van bevindingen besteding NOW subsidies, genummerd als AMB-003-01, pagina’s 166 t/m 168.
26.Het proces-verbaal van faillissementsverhoor van [medeverdachte] van 25 mei 2021 tegenover de rechter-commissaris, pagina 408.
27.Een geschrift, zijnde de melding faillissementsfraude van de curator, pagina 339 en genummerd als DOC-003-07 en het proces-verbaal van verhoor van de curator, pagina 143 en genummerd als G-001.
28.Een geschrift, zijnde melding van de curator, genummerd als DOC-003-01, pagina 267 en het proces-verbaal van verhoor van de curator, genummerd als G-001, pagina 145.
29.Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 14 november 2023, genummerd als V-001, pagina 31.
30.Het proces-verbaal van faillissementsverhoor van [medeverdachte] van 25 mei 2021 tegenover de rechter-commissaris, pagina’s 407 en 408.
31.Het proces-verbaal van verhoor van de curator tegenover de R-C van 25 september 2025, los nagezonden. pagina 5 onderaan.
32.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Nederlandse Arbeidsinspectie (ODNLA) met zaaknummer 6640-2021-0179 en onderzoeksnaam Avera. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
33.Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 2] B.V. van 10 november 2021, genummerd als DOC-002-01, pagina’s 111 t/m 112.
34.Een geschrift, zijnde een rapport bevindingen van het UWV van 6 september 2021, genummerd als DOC-001-01, pagina 69 t/m 73.
35.Het proces-verbaal van bevindingen van 7 december 2023, genummerd als AMB-001, pagina 58.
36.Een geschrift, zijnde een gespreksverslag van het UWV van 26 juli 2021, genummerd als DOC-001-05, pagina 100.
37.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 6] van 3 november 2023, genummerd als G-001-01, pagina 52.