Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3409

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
08.099608.25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 279 SrArt. 282 SrArt. 38v SrArt. 51f Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen ontvoering en onttrekking uithuisgeplaatste kinderen

De rechtbank Overijssel heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het met geweld ontvoeren van haar uithuisgeplaatste kinderen en het onttrekken van hen aan het opzicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel. De kinderen verbleven sinds 2021 in een gezinshuis en stonden onder toezicht van de jeugdbescherming. Op 31 maart 2025 hebben verdachte en medeverdachte de kinderen zonder toestemming meegenomen naar België, waarbij geweld en bedreiging met geweld zijn gebruikt.

De rechtbank oordeelde dat verdachte en medeverdachte zich bewust waren van de onrechtmatigheid van hun handelen, gezien de voorbereidingen zoals het verkennen van routes, het gebruik van een huurauto en vermommingen. De verklaring van het slachtoffer en een onafhankelijke getuige werden als betrouwbaar beoordeeld. De verdediging voerde onder meer vormverzuim en vrijspraak aan, maar deze werden verworpen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 17 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Daarnaast werden contact- en locatieverboden opgelegd en een immateriële schadevergoeding van €3.000 aan de dochter toegekend. Andere benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen wegens gebrek aan rechtstreekse schade.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 17 maanden voorwaardelijk, met contact- en locatieverboden en een schadevergoeding van €3.000 aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.099608.25 (P)
Datum vonnis: 18 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1979 in [geboorteplaats 1] ,
wonende aan de [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 mei 2026 en 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. D.C.O. Ayinla, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring en van de namens [getuige 1] voorgedragen slachtofferverklaring. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna [slachtoffer 2] ) door
mr. D. van Bommel, advocaat in Arnhem, is aangevoerd en van wat namens de benadeelde partijen [getuige 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door mr. A.C. van de Vosse, advocaat in Zwolle, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025, samen met een ander:
feit 1:haar minderjarige kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft ontvoerd;
feit 2:haar minderjarige kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft onttrokken aan het wettig gezag of aan het opzicht dat over hen werd uitgeoefend, terwijl de kinderen jonger waren dan twaalf jaar en terwijl er bij de onttrekking geweld is gebruikt en/of bedreigd is met geweld;
feit 3: een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
zij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te Dalfsen en/of [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
- [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en/of
- (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets af te trappen en/of te duwen (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en/of
- (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en/of medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken/sleuren en/of haar (vervolgens) in die auto te duwen/plaatsen en/of
- (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en/of (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en/of
- (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en/of
- (vervolgens) [slachtoffer 2] uit de auto van diens pleegmoeder te tillen en/of in de bij verdachte en/of medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en/of
- (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] weg te voeren van de woning van de pleegmoeder en/of
- (vervolgens) voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette (huur)auto en/of
- (vervolgens) te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en/of pijn zou worden gedaan en/of
- (vervolgens) [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België te vervoeren (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en/of kleding en/of andere attributen) en/of
- (volgens) [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door verdachte en/of medeverdachte gehuurd appartement;
2.
zij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te Dalfsen en/of [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,(meermalen) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013), heeft onttrokken aan het wettig over hem/haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van
degene die dit desbevoegd over hem/haar uitoefende, terwijl die minderjarige(n) beneden de twaalf jaren oud was/waren en terwijl verdachte en/of medeverdachte geweld en/of bedreiging met geweld heeft/hebben gebezigd, immers hebben verdachte en/of medeverdachte
- [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en/of
- (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets getrapt en/of geduwd (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en/of
- (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en/of medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en/of gesleurd en/of haar (vervolgens) in die auto te geduwd en/of geplaatst en/of
- (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en/of (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en/of
- (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en/of
- (vervolgens) [slachtoffer 2] uit de auto van diens pleegmoeder getild en/of in de bij verdachte en/of medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en/of
- (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] weggevoerd van de woning van de pleegmoeder en/of
- (vervolgens) voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette (huur) auto en/of
- (vervolgens) gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en/of pijn zou worden gedaan en/of
- (vervolgens) [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België vervoerd (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en/of kleding en/of andere attributen) en/of
- (volgens) [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door verdachte en/of medeverdachte gehuurd appartement;
3.
zij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te Dalfsen en/of [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

3.De voorvragen

3.1
Preliminair verweer
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie met betrekking tot feit 3 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De vervolging van de verdachte is op grond van het specialiteitsbeginsel beperkt tot de strafbare feiten waarvoor de verdachte is overgeleverd. De overlevering is alleen verzocht voor de eerste twee ten laste gelegde feiten, niet voor het derde.
3.2
Het oordeel van de rechtbank
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
In de Overleveringswet is onder andere geregeld hoe een persoon in verband met een strafrechtelijk onderzoek door justitiële autoriteiten van de ene lidstaat van de Europese Unie aan de justitiële autoriteiten van een andere lidstaat overgeleverd kan worden. Artikel 14 van Pro de Overleveringswet bepaalt het volgende: “
Overlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd, tenzij (…)”.Na de tenzij-bepaling volgen zeven uitzonderingen op die hoofdregel (onderdelen a-g).
De uitlevering van verdachte heeft plaatsgevonden op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). In het EAB verzocht Nederland aanhouding en overlevering van de verdachte in verband met een verdenking van, kortgezegd, wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1) en het onttrekken aan het gezag (feit 2). In het EAB is niet het voorhanden hebben van een stroomstootwapen opgenomen (feit 3). Nu de overlevering niet zag op dit feit, kan verdachte hiervoor in beginsel niet voor worden vervolgd en gestraft. De rechtbank overweegt dat van een uitzondering zoals opgenomen in artikel 14, eerste lid, a tot en met g van de Overleveringswet geen sprake is. Dat de Belgische procureur des Konings (de Belgische officier van justitie) de officier van justitie in Nederland om vervolging van het wapenfeit heeft verzocht, is geen omstandigheid die onder de uitzonderingen valt en doet niet af aan de beperkingen van de vervolging. De rechtbank verklaart de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk in zijn vervolging van het ten laste gelegde feit 3.

4.De bewijsmotivering

4.1
Inleiding
Op maandag 31 maart 2025 om 08.13 uur ontvangt de politie een telefonische melding van [getuige 1] dat de elfjarige [slachtoffer 1] en de zesjarige [slachtoffer 2] zijn meegenomen door hun ouders. De ouders betreffen [verdachte] (verdachte) en [medeverdachte] (medeverdachte). De kinderen zijn sinds 12 april 2021 uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Overijssel. Ze verbleven in het kader van hun uithuisplaatsing in een gezinshuis in [plaats 1] bij gezinshuisouder [getuige 1] .
Na deze melding is de politie een grootschalig opsporingsonderzoek gestart. De ouders reden in een Mitsubishi, welke auto omstreeks 08.25 uur leeg werd aangetroffen op een parkeerplaats bij het treinstation in Dalfsen. Aan het begin van de middag is er een landelijk
AMBER Alertuitgegeven. Het opsporingsonderzoek leidt de politie uiteindelijk naar [plaats 2] in België. In de nacht van 1 april 2025 worden verdachten met de kinderen aangetroffen in een appartement in [plaats 2] .
Vanuit de Raad voor de Kinderbescherming lag een advies om het gezag van de ouders te beëindigen. Het wettelijk gezag lag nog bij de ouders. Zij meenden op dat moment in hun recht te staan om de kinderen op te halen en mee te nemen naar België. Inmiddels is het gezag van de verdachten over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] sinds 10 juni 2025 beëindigd.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte heeft deze feiten samen met medeverdachte [medeverdachte] gepleegd, zodat er sprake is van medeplegen.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit primair integrale vrijspraak. Subsidiair bepleit de raadsman verdachte vrij te spreken van de onderdelen in de tenlastelegging die zien op geweldshandelingen.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en van wat ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte heeft op 31 maart 2025 samen met medeverdachte [medeverdachte] hun kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opgehaald en meegenomen naar België. De kinderen waren op dat moment al bijna vier jaar uit huis geplaatst en zij stonden onder toezicht van JBOV. De kinderen verbleven in het kader van hun uithuisplaatsing in een gezinshuis in [plaats 1] op een voor verdachten geheim adres bij de gezinshuisouder [getuige 1] . JBOV was niet op de hoogte van de plannen van verdachte om de kinderen mee te nemen naar België.
Op maandagmorgen 31 maart 2025 fietste de elfjarige [slachtoffer 1] naar school. Op enig moment werd zij geblokkeerd door een auto. Medeverdachte [medeverdachte] bestuurde de auto en verdachte was bijrijder. Verdachte stapte uit de auto en duwde [slachtoffer 1] van haar fiets waardoor [slachtoffer 1] viel. Verdachte trok [slachtoffer 1] vervolgens over de grond richting hun auto en duwde [slachtoffer 1] erin. Dit gebeurde terwijl [slachtoffer 1] om hulp schreeuwde en zich afzette tegen de auto. Verdachte hield haar hand voor de mond van [slachtoffer 1] om het schreeuwen te stoppen. [slachtoffer 1] werd in de auto richting de grond geduwd door verdachte. [slachtoffer 1] moest meewerken, anders zouden ze haar pijn doen. Vervolgens reden verdachten naar het gezinshuis waar de kinderen verbleven. Daar aangekomen, zagen ze dat hun zesjarige zoon [slachtoffer 2] in de auto van gezinshuisouder [getuige 1] zat. Medeverdachte [medeverdachte] stapte uit zijn auto en liep naar de auto van [getuige 1] . Hij opende het portier, tilde [slachtoffer 2] uit de auto van [getuige 1] en plaatste [slachtoffer 2] vervolgens in hun eigen auto. Verdachten reden vervolgens met hun kinderen weg en wisselden hun auto bij het station in Dalfsen voor een huurauto die daar eerder klaargezet was. Medeverdachte [medeverdachte] heeft een auto gehuurd om een voorsprong op de Nederlandse politie te krijgen, zodat ze niet tegengehouden konden worden. Verdachten reden vervolgens met de kinderen via Hardenberg de grens over naar Duitsland naar hun huurappartement in België. Verdachten hadden voor de kinderen en voor henzelf andere kleding, nepbrillen en pruiken mee die als vermomming dienden om herkenning te voorkomen. Die middag kwamen verdachten met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan in hun huurappartement in België, waar zij die nacht 1 april 2025 zijn aangetroffen.
Overwegingen van de rechtbank
Op het moment van het meenemen van de kinderen stonden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel (JBOV). JBOV is in dat kader bevoegd opzichter over de kinderen. Daar komt bij dat de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinshuis bij beschikking van 5 juli 2024 heeft verlengd tot 5 juli 2025.
Door de kinderen mee te nemen, zonder toestemming van JBOV en zonder hen te informeren, en in strijd met de rechterlijke machtiging tot uithuisplaatsing de kinderen onderdak te verlenen in hun appartement in België, hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , hoewel zij nog ouderlijk gezag hadden, de kinderen onttrokken aan het bevoegd opzicht van JBOV.
De rechtbank is van oordeel dat de voorbereidingen die verdachten hebben getroffen en de wijze waarop de kinderen door verdachten zijn meegenomen, er op wijzen dat zij wel degelijk wisten dat wat zij deden juridisch ontoelaatbaar was. Verdachten hebben de kinderen meegenomen zonder overleg met JBOV, ze hebben de routes van de kinderen naar school eerder verkend, net als de wijze waarop de kinderen naar school gingen, dit terwijl de kinderen op een voor de ouders geheim adres verbleven. Verder hebben zij de huurauto en vermommingen gebruikt om uit handen van de politie te blijven. Dit alles wijst er op dat het voor verdachte en medeverdachte [medeverdachte] volstrekt duidelijk was dat zij niet gerechtigd waren om de kinderen zonder toestemming van JBOV mee te nemen en dat zij opzettelijk wederrechtelijk hebben gehandeld.
Verdachte stelt dat zij de instanties op de hoogte heeft gebracht van de verhuizing. Verdachte doelt daarmee op een e-mail die vanuit het e-mailadres van medeverdachte [medeverdachte] is verzonden naar de gemeente Dalfsen over een verhuizing naar het buitenland. Deze e-mail werd pas om 16.01 uur in de middag verzonden, terwijl de kinderen al rond 08.00 uur meegenomen waren door verdachte en [medeverdachte] . De e-mail bevatte bovendien geen nieuw adres of verblijfplaats van de kinderen. Deze stelling van verdachte kan de rechtbank dan ook niet volgen en neemt de wederrechtelijkheid van het handelen niet weg.
Door de feitelijke wijze van handelen hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zich ook schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de kinderen. De kinderen werden van hun vrijheid beroofd door hen, ongevraagd en bij [slachtoffer 1] zelfs uitdrukkelijk tegen haar zin, in de auto te zetten en mee te voeren naar België.
Hoewel verdachte ontkent geweld te hebben gebruikt of bedreigd te hebben met geweld, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring over de geweldshandelingen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring gedetailleerd en consistent. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring op concrete onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van getuige [getuige 2] . [getuige 2] wordt door de rechtbank als onafhankelijke en betrouwbare getuige beschouwd.
De verdediging heeft [slachtoffer 1] –​​ ondanks de initiatieven daartoe – niet kunnen ondervragen. De rechtbank komt tot het oordeel dat de procedure als geheel eerlijk is verlopen en overweegt in dat verband het volgende. De rechtbank heeft de verdediging geen ondervragingsgelegenheid geboden, omdat [slachtoffer 1] kwetsbaar en jong (13 jaar) is. Zoals eerder overwogen vindt haar verklaring steun in de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 2] . Hij verklaart onder andere over het hardhandig van de fiets duwen en over hoe het meisje hardhandig het voertuig werd ingetrokken. [slachtoffer 1] ’s verklaring vindt ook steun in de verklaring van verdachte zelf. Verdachte verklaart onder andere dat ze [slachtoffer 1] vastgepakt heeft, dat [slachtoffer 1] van haar fiets viel, dat [slachtoffer 1] de auto niet in wilde en worstelde, dat ze [slachtoffer 1] richting de auto heeft getrokken en dat ze een hand voor [slachtoffer 1] ’s mond hield tegen het schreeuwen. Daarnaast heeft [slachtoffer 1] na de gebeurtenissen haar verhaal gedaan bij onder andere getuigen [getuige 1] , [getuige 3] en [getuige 4] . Haar verhaal over de gebeurtenissen tegenover hen komt op grote lijnen overeen. Tot slot heeft het verhoor van [slachtoffer 1] plaatsgevonden door een gecertificeerd studio-verhoorder, in een kindvriendelijke verhoorstudio en het verhoor is audiovisueel vastgelegd. De verdediging is in de gelegenheid gesteld om het verhoor te bekijken, te beoordelen en te controleren.
De rechtbank acht, gelet op wat hiervoor is overwogen, dat er voldoende compensatie is geboden voor het ontbreken van de ondervragingsgelegenheid en is van oordeel dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, zodat sprake is van medeplegen.
Al met al acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.
4.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij in de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door
- [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en
- [slachtoffer 1] met kracht van haar fiets te duwen waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam en
- [slachtoffer 1] (over de grond) naar de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken en haar in die auto te duwen en
- [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en
- [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en
- vervolgens [slachtoffer 2] uit de auto van diens gezinshuisouder te tillen en in de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en
- met voornoemde auto [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weg te voeren van de woning van de gezinshuisouder en
- voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette huurauto en
- te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken, omdat haar anders pijn zou worden gedaan en
- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met die huurauto via Duitsland naar België te vervoeren terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en kleding en andere attributen en
- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door medeverdachte gehuurd appartement;
2.
zij in de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013), heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem/haar uitoefende, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren en terwijl verdachte en medeverdachte geweld en bedreiging met geweld hebben gebezigd, immers hebben verdachte en medeverdachte
- [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en
- [slachtoffer 1] met kracht van haar fiets geduwd waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam en
- [slachtoffer 1] (over de grond) naar de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en haar in die auto geduwd en
- [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en
- [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en
- vervolgens [slachtoffer 2] uit de auto van diens gezinshuisouder getild en in de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en
- met voornoemde auto [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weggevoerd van de woning van de gezinshuisouder en
- voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette huur auto en
- gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken, omdat haar anders pijn zou worden gedaan en
- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met die huurauto via Duitsland naar België vervoerd terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en kleding en andere attributen en
- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door medeverdachte gehuurd appartement.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
De rechtbank heeft in de tenlastelegging het woord ‘pleegmoeder’ gewijzigd in ‘gezinshuisouder’ en [slachtoffer 2] in [slachtoffer 2] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte daardoor niet is geschaad in de verdediging.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 282 en 279 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feiten 1 en 2
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd,
en
medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld en bedreiging met geweld is gebezigd, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7.De op te leggen straf of maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert primair verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van het voorarrest en tot een maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging. Subsidiair vordert de officier van justitie verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van veertig maanden, met aftrek van het voorarrest.
Daarnaast vordert de officier van justitie als vrijheidsbeperkende maatregelen de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor de gemeenten Dalfsen, Kampen en Zwolle voor de duur van vijf jaren, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis van drie weken wordt toegepast met een maximum van zes maanden. De maatregelen dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. De officier van justitie vordert tot slot de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen in verband met de recidivegrond.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van een vormverzuim. Verdachte is aangehouden op basis van een mondelinge EAB, terwijl een schriftelijk EAB is vereist. Dit dient volgens de raadsman te leiden tot strafvermindering.
De raadsman verzoekt een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijk strafdeel. De raadsman verzet zich tegen het opleggen van een tbs-maatregel, omdat niet aan de wettelijke vereisten wordt voldaan en het opleggen van de maatregel niet proportioneel is. De raadsman verzet zich tegen het opheffen van de schorsing van de voorlopige hechtenis, omdat er geen gronden zijn die hier aanleiding toe geven.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van de strafbare feiten
Verdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan het ontvoeren van haar uithuisgeplaatste kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het onttrekken van hen aan het opzicht van JBOV. De kinderen zijn sinds 2021 uit huis geplaatst en daar zijn verdachten het niet mee eens. Daarnaast dreigde hun ouderlijk gezag beëindigd te worden, waardoor ze hun kinderen wilden meenemen naar België om hun zaak daar aan een rechter voor te leggen.
Verdachten hebben [slachtoffer 1] , die nietsvermoedend onderweg naar school was, van haar fiets geduwd en in de auto getrokken, vervolgens is [slachtoffer 2] bij het gezinshuis uit de auto van de gezinshuisouder gehaald en daarna zijn verdachten met hun kinderen via Duitsland naar België gereden. Verdachten hadden hun plannen grondig voorbereid. Ze hadden een auto gehuurd waarin ze tijdens hun vlucht konden overstappen en ze hadden vermomming mee voor onderweg om herkenning te voorkomen.
Verdachte heeft voor eigen rechter gespeeld en dat keurt de rechtbank ten strengste af. De kinderen waren immers niet voor niets onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Ze verbleven al bijna vier jaar niet meer bij verdachten en werden van de een op de andere dag uit hun vertrouwde omgeving weggehaald, zonder enig overleg of toestemming van JBOV. Daarbij is het gebruik van geweld niet geschuwd. Door niet de belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , maar hun eigen belangen voorop te stellen, hebben verdachte en haar medeverdachte de rechterlijke beslissingen aan hun laars gelapt en het systeem van kinderbescherming, waarbinnen juist de veiligheid van de kinderen voorop staat, op ingrijpende wijze aangetast.
Het handelen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] heeft negatieve gevolgen gehad voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] ervaart sinds de ontvoering veel angst, stress, gevoelens van onveiligheid en zij is zeer alert. Beide kinderen zijn bang dat ze nogmaals onverwacht mee zullen worden genomen. [slachtoffer 1] heeft tijdens haar spreekrecht op indrukwekkende wijze verteld hoe zij de ontvoering en de onttrekking heeft ervaren en welke gevolgen zij hier nog steeds van ondervindt. Ook voor de gezinshuisouder en de andere kinderen in het gezinshuis hebben de strafbare feiten impact gehad.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 11 mei 2026. Daaruit volgt dat verdachte de afgelopen jaren niet voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. In 2005 is verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor (kinder)mishandeling. Nu deze veroordeling ruim 20 jaar geleden is, houdt de rechtbank hier niet in strafverzwarende zin rekening mee.
Verdachte is in het [locatie] geplaatst voor onderzoek naar haar geestvermogens en om inzicht te krijgen in haar persoon. Verdachte heeft haar medewerking aan het onderzoek geweigerd. Omdat verdachte niet meewerkt, kunnen de onderzoekers niet vaststellen of er bij verdachte sprake is van een of meerdere stoornissen en of er sprake is geweest van een eventuele doorwerking van een of meerdere stoornissen in het ten laste gelegde. De indruk bestaat dat er geen sprake is van ernstige psychiatrische beelden.
In het beeld dat onderzoekers van verdachte hebben kunnen krijgen, staan strijd en verzet voorop. Er is sprake van een disfunctioneel patroon van conflicthantering, waardoor verdachte gaandeweg in conflict is geraakt met een groot deel van de betrokken professionals. Verdachte lijkt onwillig of onvermogend om op zichzelf te reflecteren en heeft onvoldoende oog voor wat haar gedrag betekent voor anderen. Ze weerspreekt, beklaagt en verzet zich tegen wat vanuit instanties (school van de kinderen, hulpverlening, Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis, politie en justitie) wordt aangedragen op een manier die de samenwerking belemmert of zelfs onmogelijk maakt.
Vormverzuim?
De rechtbank is van oordeel dat de raadsman niet heeft voldaan aan zijn stelplicht met betrekking tot het door hem gestelde vormverzuim. De raadsman heeft onvoldoende gemotiveerd welk nadeel door het verzuim voor de verdachte zou zijn veroorzaakt. Aan strafvermindering in dat kader komt de rechtbank daarom niet toe.
Straf en/of maatregel
De officier van justitie heeft onder andere gevorderd tbs met dwangverpleging aan verdachte op te leggen. Voor het opleggen van een dergelijke maatregel gelden wettelijke vereisten. Er dient sprake te zijn van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dan wel een in de wet aangewezen delict, van een verdachte bij wie ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dienen het opleggen van de maatregel te vereisen. De rechtbank dient te beschikken over een recente multidisciplinaire gedragsrapportage.
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende diagnostische gegevens voorhanden zijn om een uitspraak te kunnen doen over de aanwezigheid van een stoornis bij verdachte, over de toerekeningsvatbaarheid, over de kans op recidive en over de behandelbaarheid van verdachte. De rechtbank kan op basis van het rapport van het [locatie] , het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, niet vaststellen dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. Dit is één van de criteria die de wet aan het opleggen van een tbs-maatregel stelt, waardoor de rechtbank reeds daarom geen mogelijkheid en reden ziet om een tbs-maatregel op te leggen.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met de ernst van de door verdachte gepleegde feiten, met daarbij de strafverzwarende omstandigheden van de nog jonge leeftijd van de kinderen (onder de twaalf jaar) en het toepassen van (bedreiging met) geweld, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een gevangenisstraf.
De rechtbank heeft gekeken naar uitspraken in vergelijkbare zaken. De rechtbank ziet dat de omstandigheden van andere ontvoerings- of onttrekkingszaken sterk variëren waardoor er uiteenlopende straffen worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en zal een fors voorwaardelijk deel opleggen om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout ingaat. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank bovendien oog voor het principe van de generale preventie. De straf die aan verdachte wordt opgelegd dient van zodanige orde en zwaarte te zijn dat navolging van haar handelwijze door anderen wordt ontmoedigd. Omdat het vaker zal voorkomen dat ouders van wie hun kind tegen hun wil uit huis is geplaatst, de sterke wens kunnen hebben hun kind weer zelf op te voeden, acht de rechtbank dit van belang. Een te lichte straf heeft onvoldoende afschrikkende werking.
De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zeventien maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in overleveringsdetentie in België, in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De proeftijd bedraagt drie jaren. Dit betekent dat verdachte het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf reeds heeft ondergaan.
De rechtbank zal daarnaast - op grond van artikel 38v Sr - als vrijheidsbeperkende maatregelen een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opleggen en een locatieverbod voor de gemeenten Dalfsen, Kampen en Zwolle voor de duur van drie jaren. Per overtreding van de maatregel zal vervangende hechtenis van 1 week uitgezeten dienen te worden. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden. De rechtbank zal bij het opleggen van deze maatregelen rekening houden met de mogelijkheid tot (begeleid) contact tussen de kinderen en verdachte, indien dat contact op aanwijzing van de voogd, JBOV, gewenst en uitvoerbaar is.
De rechtbank beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen ten opzichte van bepaalde personen. Dit gevaar richt zich met name op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank acht het van belang dat zij zich vrijelijk binnen de genoemde gemeentes moeten kunnen bewegen en dat zij beschermd worden tegen ongevraagd contact met verdachte. De belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wegen in dit kader zwaarder dan het belang van verdachte.

8.Voorwaardelijk verzoek

Aangezien de rechtbank in haar beoordeling zoals hiervoor overwogen geen gebruik maakt van dossierstukken uit het opsporingsonderzoek ‘Alpaca’, behoeft het voorwaardelijke verzoek van de raadsman tot het horen van getuigen geen bespreking.

9.De schade van benadeelden

9.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
Als benadeelde partijen hebben zich in dit strafproces gevoegd: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gezinshuisouder [getuige 1] en gezinshuiskinderen [naam 1] en [naam 2] .
Vorderingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vorderen ieder afzonderlijk, verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 10.000,-- bestaande uit vergoeding van immateriële schade. De benadeelden doen een beroep op artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarin aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat in het geval waarin de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.
Vorderingen [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2]
[getuige 1] vordert in totaal een bedrag van € 13.350,77, waarvan € 5.350,77 materiële schadevergoeding betreft en € 8.000,-- immateriële schadevergoeding.
De materiële schade van [getuige 1] bestaat volgens haar uit de volgende posten:
  • Reiskosten voor medische behandelingen € 158,--;
  • Medische kosten fysiotherapie en haptonomie € 900,--;
  • Kosten informatieverstrekking huisarts € 67,60
  • Kosten beveiligingssysteem en huren woning. € 4.225,17.
[naam 1] en [naam 2] vorderen ieder afzonderlijk, verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.000,-- bestaande uit vergoeding voor immateriële schade.
De benadeelde partijen [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2] doen ten aanzien van de immateriële schade primair een beroep op shockschade en subsidiair een beroep op artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW waarin aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat in het geval waarin de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.
De benadeelde partijen vorderen allen het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
9.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen toegewezen kunnen worden, inclusief wettelijke rente.
9.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt primair de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Subsidiair verzoekt de raadsman de hoogte van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te matigen.
9.4
Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen in deze zaak verschillend zijn voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . In verband met het toegepaste geweld en de bedreiging met geweld ten aanzien van [slachtoffer 1] , acht de rechtbank de aard en de ernst van de normschending voor [slachtoffer 1] ingrijpender, waardoor een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. [slachtoffer 1] heeft daarnaast voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de nadelige gevolgen die de normschending voor haar hebben gehad, blijken. Zo is er EMDR en speltherapie voor haar ingezet. De rechtbank acht in het geval van [slachtoffer 1] op basis van haar onderbouwing van de nadelige gevolgen een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 3.000,-- billijk. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van [slachtoffer 1] daarom toe en verklaart haar in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 31 maart 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
In het geval van [slachtoffer 2] is er geen geweld en bedreiging met geweld gebruikt. Deze omstandigheden maken, zonder afbreuk te willen doen aan de impact van de strafbare feiten op hem, dat de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen, afgewogen in dit juridische kader, voor hem minder ingrijpend zijn waardoor een aantasting in de persoon minder voor de hand ligt. In dit geval is het in beginsel aan de benadeelde partij om de schade met concrete gegevens te onderbouwen. Uit de overgelegde gegevens is weliswaar op te maken dat psychotherapie is ingezet bij [slachtoffer 2] , echter in dat licht wordt tevens opgemerkt dat eerste observaties daarbij zijn dat sprake zou zijn van een slechte basis qua hechting en dat zijn hoofd vol lijkt te zitten met beelden van wat hij vertelt. In hoeverre dit beelden zijn van de ontvoering of van andere traumatische ervaringen in het verleden vertellen deze gegevens niet. De rechtbank acht hiermee de nadelige gevolgen voor [slachtoffer 2] onvoldoende onderbouwd en zal hem daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
Beoordeling van de vorderingen van [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2]
De rechtbank meent dat wat [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] hebben meegemaakt, erg naar moet zijn geweest en neemt aan dat dit impact heeft op hen. Dat is op zichzelf niet doorslaggevend voor beantwoording van de vraag of zij, gelet op de wettelijke criteria en jurisprudentie, voegingsgerechtigd zijn in de strafprocedure en in hun vorderingen tot schadevergoeding kunnen worden ontvangen. Op grond van artikel 51f, eerste lid Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Uit de Memorie van Toelichting [1] volgt dat van rechtstreekse schade sprake is indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van derden belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Artikel 51a Sv omschrijft het slachtoffer ook als degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden.
Naar het oordeel van de rechtbank is er ten aanzien van [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] geen sprake van rechtstreekse schade, omdat de schade is ontstaan doordat anderen ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) zijn ontvoerd en onttrokken aan het opzicht. [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] waren hier weliswaar (deels) getuigen van, maar hun belangen worden niet door de overtreden strafbepalingen beschermd. Hun schade valt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet onder rechtstreekse schade, als bedoeld in artikel 51f Sv. [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] behoren daarmee als zodanig niet tot de categorie voegingsgerechtigden.
De rechtbank is van oordeel dat bovendien niet is gebleken dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] immateriële schade toe te brengen, zodat zij ook op die grond niet als primair slachtoffer kunnen worden aangemerkt (artikel 6:106 onder Pro a BW).
Dit kan anders zijn als sprake is van schokschade.
Schokschade
De Hoge Raad heeft overwogen dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. [2] In het arrest worden ook gezichtspunten genoemd die bij deze afweging een rol spelen.
De rechtbank stelt vast dat de slachtoffers in deze zaak niet dood of ernstig verwond zijn, zoals beschreven in de genoemde uitspraak. De benadeelden hebben de ontvoering en de onttrekking van de kinderen (gedeeltelijk) waargenomen, maar dit valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder een confrontatie die een hevige emotionele schok teweeg kan hebben gebracht, zoals bedoeld in het arrest.
De rechtbank zal [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, omdat er geen sprake is van rechtstreekse schade en omdat een andere grondslag voor vergoeding van materiële en immateriële schade ontbreekt.
Hoofdelijkheid en BEM-clausule
Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Omdat [slachtoffer 1] minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een zogenoemde BEM clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
9.5
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 30 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

10.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w en 55 Sr.

11.De beslissing

De rechtbank:
officier van justitie niet-ontvankelijk
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feiten 1 en 2,
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen geleegd,
en
medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld en bedreiging met geweld is gebezigd, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
17 (zeventien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van drie jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie in België, in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregelen
- legt aan de verdachte op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van
drie jaren, in de vorm van een
contactverboden een
locatieverbod;
- beveelt dat de verdachte gedurende drie jaren op
geenenkele wijze – direct of
indirect –
contactop zal nemen, zoeken of hebben met:
- [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013;
- [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2018,
tenzij een dergelijk contact op aanwijzing van en onder begeleiding van JBOV uitvoerbaar en gewenst is;
- beveelt dat de verdachte zich gedurende drie jaren niet binnen de gemeentegrenzen mag bevinden van de gemeenten Zwolle, Kampen en Dalfsen, tenzij dit nodig is voor een op aanwijzing van en onder begeleiding van JBOV gewenst contact met de hiervoor genoemde kinderen;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door een week hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
- beveelt dat deze maatregel
dadelijk uitvoerbaaris, omdat er ernstig rekening mee moet
worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich
belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
schadevergoedingen
- bepaalt dat de benadeelde partijen
[slachtoffer 2] , [getuige 1],
[slachtoffer 3]en
[slachtoffer 4]in het geheel
niet-ontvankelijkzijn in de vorderingen, en dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [getuige 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
-
wijstde
vorderingvan de benadeelde partij
[slachtoffer 1]gedeeltelijk
toetot een bedrag van
€ 3.000,--(drieduizend euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025;
- veroordeelt de verdachte
hoofdelijktot betaling van dit bedrag met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
  • bepaalt dat [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
  • bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een
-veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte
verplichtis ter zake van de bewezen verklaarde feiten
tot betaling aan de Staat der Nederlandenvan een bedrag van € 3.000,-- (drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025 ten behoeve van [slachtoffer 1] , en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
30 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnaam CITRIEN / ON1R025033, bhv-nummer PL0600-2025145441. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Feit 1
1.
Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Jeugdbescherming Overijssel van 17 april 2025, pagina’s 243 tot en met 247, voor zover inhoudende:
Ik doe aangifte namens de Jeugdbescherming Overijssel van het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig over hun gestelde gezag op maandag 31 maart 2025 te [plaats 1] . Niemand heeft het recht of de toestemming gegeven om deze kinderen opzettelijk mee te nemen en deze te onttrekken aan het wettelijk over hun gestelde gezag. Het gaat om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Op 12 april 2021 is er een VOTS uitgesproken. Die is drie maanden later naar een OTS gegaan. Er was ook een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dat is ook gebeurd in april 2021. De kinderen zijn toen op een geheim adres geplaatst.
V: In hoeverre wisten de biologische ouders waar de kinderen verblijven en wonen?
A: De kinderen hebben altijd geheim gezeten.
V: Hebben de ouders uitspraken gedaan richting jullie, dat ze de kinderen mee wilden nemen?
A: Nee
V: wie heeft het wettelijk gezag over de kinderen?
A: Dat ligt nog steeds bij de ouders. Maar de machtiging uithuisplaatsing overruled dat wettelijk gezag. En deze beperkt ook dat gezag. Het medisch gezag lag al bij ons.
2.
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van 5 juli 2024, pagina’s 526 tot en met 533, voor zover inhoudende:
Datum uitspraak: 5 juli 2024
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling,
gevestigd te [plaats 3] ,
met betrekking tot:
[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013
in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [slachtoffer 1] , en
[slachtoffer 2] , geboren op
[geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen [slachtoffer 2] .
De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot 6 juli 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een
gezinshuis tot 6 juli 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking verhoor [slachtoffer 1] (dochter verdachten) van 12 mei 2025, pagina’s 216 tot en met 236, voor zover inhoudende:
Het was ochtend, ik was op de fiets naar school. Ik was bijna bij de kruising en toen kwam er opeens een zwarte auto achter me. En toen reed ie opeens voor me langs. En ik fietste toen om de auto heen. Maar toen gooide ze de auto er weer voor. En ik fietste er toen aan de andere kant omheen. En toen gooiden ze hem er nog een keer voor.
Toen stapte mijn moeder uit. En toen werd ik er vanaf geduwd en viel ik in een doornstruik. Ik werd meegesleurd. En ik zat in de tussentijd om hulp te roepen. Ik was toen in de auto gestopt. Had ze me in de auto gekregen en toen kwamen ze dus bij het gezinshuis. En toen is [naam 3] zo uit de auto getrokken en in hun auto gestopt.
Toen reden ze eerst naar het station, waar een huurauto stond. En daar moesten ik en [naam 3] in. En toen zijn ze naar Hardenberg gereden, vanaf daar zijn ze Duitsland in gereden. Toen zijn we gestopt bij een hele grote Shell in Duitsland. Daar moesten we dingen met een pruik en andere kleding. En van daaruit hebben we een uur of twee gereden België in. En toen werden ik en mijn broertje in een appartementsgebouw gebracht, die schuin tegenover een [omschrijving] stond.
Ik ben in de doornstruik gevallen (wijst naar haar rechterzij kant) hier heb ik ook een wondje zitten en hier heb ik ook, bij mijn navel, een wondje zitten. Dat gebeurde in [plaats 1] . Net voor een kruispunt. Ik werd van mijn fiets afgeduwd door mijn moeder. Zij stapte ineens zo schuin voor en duwde zo naar de zijkant en toen vloog ik in die struik. De fiets lag op mijn linkerbeen.
Ik werd toen meegesleurd en ik probeerde me tegen te houden. En toen werd ik over het fietspad heen gesleurd. Ik voelde de pijn hier (wijst haar linker been aan) hier (wijst haar rechter elleboog/arm aan) hier (rechter heup), eigenlijk overal behalve mijn hoofd. Ik werd daar dus in mee gesleurd en ik heb me ook afgezet tegen de zijkanten van de deur heb ik me afgezet om eraf te komen. Toen hebben ze mij zeg maar zo naar voren geduwd. Ja, en dit (wijst naar haar vinger) komt zeg maar mijn hand, de nagels van mijn moeder werden in mijn hand gezet zodat ik los liet. Mijn moeder zei dat ik op moest houden en dat ik mee werk en zo. Mijn moeder kwam achter me zitten, en ik werd in dat voeteneind gedrukt door mijn moeder. Volgens mij hebben ze hem op kinderslot gezet. Mijn vader reed. Papa moest [naam 3] halen. Dat had mama gezegd. Ik heb gezien dat de deur werd opengedaan, [naam 3] werd opgetild en toen zijn ze naar de auto gelopen.
De hele weg naar het station werd ik naar beneden gedrukt. Toen moesten we overstappen in de huurauto. Ik moest meewerken omdat ze me anders pijn gaat doen en zo. De autodeuren zaten op kinderslot.
De huurauto stond ernaast en daar werd ik ingewerkt en [naam 3] werd erin getild. Op dezelfde manier als bij het begin van onze ontvoering eigenlijk.
Toen we bijna bij de grens waren moesten ik en [naam 3] andere kleding en een andere jas aan en andere schoenen van mijn moeder. Zij pakte de kleren uit de tas van achteren. Ik moest een thermoding onder aantrekken en toen moest ik een roze trui aan. [naam 3] en ik kregen een hoofddoek op of zo die had ze bij ons aangedaan met een nepbril. Ik had een paarse, [naam 3] een blauwe. En toen even later, toen we bijna bij die Shell waren, had ze dezelfde pruik voor mij en [naam 3] . De pruik moesten we op doen van mijn moeder.
Toen zijn we naar het appartement gereden in België. Daar kwamen we vier uur ’s middags aan.
4.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 31 maart 2025, pagina’s 26 en 27, voor zover inhoudende:
Op maandag 31 maart 2025 omstreeks 08:00 uur fietste ik op de [adres 2] . Voor mij zag ik een meisje fietsen die ik bijna wilde gaan inhalen. Ik zag toen dat ik werd ingehaald door een zwarte auto. Ik zag dat de auto slingerde toen deze ter hoogte van het meisje reed. Vervolgens zag ik dat de auto meer gas bij gaf en een stukje voor het meisje stopte. Ik zag dat de bijrijder, een vrouw, uit het voertuig stapte en het meisje op de fiets hardhandig van de fiets duwde. Ik zag dat het meisje ten van kwam bij de bosjes net voorbij het voetbalveldje aan de [adres 2] . Ik zag dat de vrouw het meisje hardhandig het voertuig in trok. Ik hoorde dat het meisje meerdere keren hard om hulp riep.
5.
Een geschrift van de federale gerechtelijke politie arro Oost-Vlaanderen, verhoor van [medeverdachte] van 1 april 2025, pagina’s 121 tot en met 128, voor zover inhoudende:
Ik heb het advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin zij adviseerden om ons ouderlijk gezag af te nemen, midden maart 2025 via de post in Nederland ontvangen. Dit advies is de reden waarom wij dit alles ondernomen hebben.
Normaal rijd ik in een Mitsubishi, maar ik ben hier gisteren gekomen met een Seat Alhambra die ik had gehuurd. Ik heb de auto gehuurd van zaterdag 29/04/2025 tot en met 01/04/2025 12.30 uur via SnappCar. De eigenaar woont in [woonplaats] . Wij dachten dat wij via het huren van een auto een voorsprong zouden kunnen krijgen op de Nederlandse politie zodat ze ons niet konden tegenhouden.
Gisterenochtend hebben wij onze dochter die naar school fietste onderschept en meegenomen. Daarna zijn wij naar het huis gereden waar beide kinderen momenteel verblijven. Wij zagen dat ons zoontje op dat moment in de auto werd geplaatst om naar school te gaan. Ik heb de deur van de auto opengetrokken en mijn zoontje uit de auto genomen en naar mijn auto, de Mitsubishi, gebracht. Ik heb mijn zoontje linksachter geplaatst. Wij zijn weggereden naar een parkeerplaats bij het treinstation van Dalfsen. Daar hebben wij van auto gewisseld. Wij hadden de Seat, zoals eerder vermeld, daar al vroeger geplaatst met het oog op het wisselen van de voertuigen. Wij zijn toen doorgereden met de Seat naar Leupegem in België.
Wij kenden de fietsroute van onze dochter. Wij hebben haar daar eerder zien rondfietsen. Wij zijn daar eerder gaan kijken, wel vaker, met de optiek om ze mee te nemen indien het anders niet kon. Wij hebben eerder gezien dat ons zoontje met de auto naar school werd gebracht.
6.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende:
Ik heb [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 31 maart 2025 meegenomen naar België samen met medeverdachte. We reden die ochtend in [plaats 1] met de auto en daar fietste [slachtoffer 1] . Ik sprak [slachtoffer 1] aan. Ik stapte uit en deed mijn armen om [slachtoffer 1] heen. Ik trok haar naar de auto. Ze worstelde en ze hield met haar handen de auto tegen. Ze wilde niet in de auto zitten en ze schreeuwde om hulp. In de auto schreeuwde ze om hulp en toen hield ik mijn hand over haar mond heen. Ze vertelde later dat ze een wondje aan haar vinger had door het duwen tegen de auto.
We zijn daarna naar het gezinshuis gereden. Daar heeft medeverdachte [slachtoffer 2] uit de auto van [getuige 1] getild en bij ons in de auto geplaatst. Ik had nepbrillen en pruiken voor hen meegenomen in de auto. Dat was bedoeld om ons te vermommen zodat we niet herkend zouden worden. We wilden namelijk zo snel mogelijk naar België. Die middag kwamen we aan in het huurappartement in België.
Feit 2
1.
Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Jeugdbescherming Overijssel van 17 april 2025, pagina’s 243 tot en met 247, voor zover inhoudende:
Ik doe aangifte namens de Jeugdbescherming Overijssel van het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig over hun gestelde gezag op maandag 31 maart 2025 te [plaats 1] . Niemand heeft het recht of de toestemming gegeven om deze kinderen opzettelijk mee te nemen en deze te onttrekken aan het wettelijk over hun gestelde gezag. Het gaat om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Op 12 april 2021 is er een VOTS uitgesproken. Die is drie maanden later naar een OTS gegaan. Er was ook een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dat is ook gebeurd in april 2021. De kinderen zijn toen op een geheim adres geplaatst.
V: In hoeverre wisten de biologische ouders waar de kinderen verblijven en wonen?
A: De kinderen hebben altijd geheim gezeten.
V: Hebben de ouders uitspraken gedaan richting jullie, dat ze de kinderen mee wilden nemen?
A: Nee
V: wie heeft het wettelijk gezag over de kinderen?
A: Dat ligt nog steeds bij de ouders. Maar de machtiging uithuisplaatsing overruled dat wettelijk gezag. En deze beperkt ook dat gezag. Het medisch gezag lag al bij ons.
2.
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van 5 juli 2024, pagina’s 526 tot en met 533, voor zover inhoudende:
Datum uitspraak: 5 juli 2024
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling,
gevestigd te [plaats 3] ,
met betrekking tot:
[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013
in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [slachtoffer 1] , en
[slachtoffer 2] , geboren op
[geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen [slachtoffer 2] .
De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot 6 juli 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een
gezinshuis tot 6 juli 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking verhoor [slachtoffer 1] (dochter verdachten) van 12 mei 2025, pagina’s 216 tot en met 236, voor zover inhoudende:
Het was ochtend, ik was op de fiets naar school. Ik was bijna bij de kruising en toen kwam er opeens een zwarte auto achter me. En toen reed ie opeens voor me langs. En ik fietste toen om de auto heen. Maar toen gooide ze de auto er weer voor. En ik fietste er toen aan de andere kant omheen. En toen gooiden ze hem er nog een keer voor.
Toen stapte mijn moeder uit. En toen werd ik er vanaf geduwd en viel ik in een doornstruik. Ik werd meegesleurd. En ik zat in de tussentijd om hulp te roepen. Ik was toen in de auto gestopt. Had ze me in de auto gekregen en toen kwamen ze dus bij het gezinshuis. En toen is [naam 3] zo uit de auto getrokken en in hun auto gestopt.
Toen reden ze eerst naar het station, waar een huurauto stond. En daar moesten ik en [naam 3] in. En toen zijn ze naar Hardenberg gereden, vanaf daar zijn ze Duitsland in gereden. Toen zijn we gestopt bij een hele grote Shell in Duitsland. Daar moesten we dingen met een pruik en andere kleding. En van daaruit hebben we een uur of twee gereden België in. En toen werden ik en mijn broertje in een appartementsgebouw gebracht, die schuin tegenover een matrassenfabriek stond.
Ik ben in de doornstruik gevallen (wijst naar haar rechterzij kant) hier heb ik ook een wondje zitten en hier heb ik ook, bij mijn navel, een wondje zitten. Dat gebeurde in [plaats 1] . Net voor een kruispunt. Ik werd van mijn fiets afgeduwd door mijn moeder. Zij stapte ineens zo schuin voor en duwde zo naar de zijkant en toen vloog ik in die struik. De fiets lag op mijn linkerbeen.
Ik werd toen meegesleurd en ik probeerde me tegen te houden. En toen werd ik over het fietspad heen gesleurd. Ik voelde de pijn hier (wijst haar linker been aan) hier (wijst haar rechter elleboog/arm aan) hier (rechter heup), eigenlijk overal behalve mijn hoofd. Ik werd daar dus in mee gesleurd en ik heb me ook afgezet tegen de zijkanten van de deur heb ik me afgezet om eraf te komen. Toen hebben ze mij zeg maar zo naar voren geduwd. Ja, en dit (wijst naar haar vinger) komt zeg maar mijn hand, de nagels van mijn moeder werden in mijn hand gezet zodat ik los liet. Mijn moeder zei dat ik op moest houden en dat ik mee werk en zo. Mijn moeder kwam achter me zitten, en ik werd in dat voeteneind gedrukt door mijn moeder. Volgens mij hebben ze hem op kinderslot gezet. Mijn vader reed. Papa moest [naam 3] halen. Dat had mama gezegd. Ik heb gezien dat de deur werd opengedaan, [naam 3] werd opgetild en toen zijn ze naar de auto gelopen.
De hele weg naar het station werd ik naar beneden gedrukt. Toen moesten we overstappen in de huurauto. Ik moest meewerken omdat ze me anders pijn gaat doen en zo. De autodeuren zaten op kinderslot.
De huurauto stond ernaast en daar werd ik ingewerkt en [naam 3] werd erin getild. Op dezelfde manier als bij het begin van onze ontvoering eigenlijk.
Toen we bijna bij de grens waren moesten ik en [naam 3] andere kleding en een andere jas aan en andere schoenen van mijn moeder. Zij pakte de kleren uit de tas van achteren. Ik moest een thermoding onder aantrekken en toen moest ik een roze trui aan. [naam 3] en ik kregen een hoofddoek op of zo die had ze bij ons aangedaan met een nepbril. Ik had een paarse, [naam 3] een blauwe. En toen even later, toen we bijna bij die Shell waren, had ze dezelfde pruik voor mij en [naam 3] . De pruik moesten we op doen van mijn moeder.
Toen zijn we naar het appartement gereden in België. Daar kwamen we vier uur ’s middags aan.
4.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 31 maart 2025, pagina’s 26 en 27, voor zover inhoudende:
Op maandag 31 maart 2025 omstreeks 08:00 uur fietste ik op de [adres 2] . Voor mij zag ik een meisje fietsen die ik bijna wilde gaan inhalen. Ik zag toen dat ik werd ingehaald door een zwarte auto. Ik zag dat de auto slingerde toen deze ter hoogte van het meisje reed. Vervolgens zag ik dat de auto meer gas bij gaf en een stukje voor het meisje stopte. Ik zag dat de bijrijder, een vrouw, uit het voertuig stapte en het meisje op de fiets hardhandig van de fiets duwde. Ik zag dat het meisje ten van kwam bij de bosjes net voorbij het voetbalveldje aan de [adres 2] . Ik zag dat de vrouw het meisje hardhandig het voertuig in trok. Ik hoorde dat het meisje meerdere keren hard om hulp riep.
5.
Een geschrift van de federale gerechtelijke politie arro Oost-Vlaanderen, verhoor van [medeverdachte] van 1 april 2025, pagina’s 121 tot en met 128, voor zover inhoudende:
Ik heb het advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin zij adviseerden om ons ouderlijk gezag af te nemen, midden maart 2025 via de post in Nederland ontvangen. Dit advies is de reden waarom wij dit alles ondernomen hebben.
Normaal rijd ik in een Mitsubishi, maar ik ben hier gisteren gekomen met een Seat Alhambra die ik had gehuurd. Ik heb de auto gehuurd van zaterdag 29/04/2025 tot en met 01/04/2025 12.30 uur via SnappCar. De eigenaar woont in [woonplaats] . Wij dachten dat wij via het huren van een auto een voorsprong zouden kunnen krijgen op de Nederlandse politie zodat ze ons niet konden tegenhouden.
Gisterenochtend hebben wij onze dochter die naar school fietste onderschept en meegenomen. Daarna zijn wij naar het huis gereden waar beide kinderen momenteel verblijven. Wij zagen dat ons zoontje op dat moment in de auto werd geplaatst om naar school te gaan. Ik heb de deur van de auto opengetrokken en mijn zoontje uit de auto genomen en naar mijn auto, de Mitsubishi, gebracht. Ik heb mijn zoontje linksachter geplaatst. Wij zijn weggereden naar een parkeerplaats bij het treinstation van Dalfsen. Daar hebben wij van auto gewisseld. Wij hadden de Seat, zoals eerder vermeld, daar al vroeger geplaatst met het oog op het wisselen van de voertuigen. Wij zijn toen doorgereden met de Seat naar Leupegem in België.
Wij kenden de fietsroute van onze dochter. Wij hebben haar daar eerder zien rondfietsen. Wij zijn daar eerder gaan kijken, wel vaker, met de optiek om ze mee te nemen indien het anders niet kon. Wij hebben eerder gezien dat ons zoontje met de auto naar school werd gebracht.
6.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende:
Ik heb [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 31 maart 2025 meegenomen naar België samen met medeverdachte. We reden die ochtend in [plaats 1] met de auto en daar fietste [slachtoffer 1] . Ik sprak [slachtoffer 1] aan. Ik stapte uit en deed mijn armen om [slachtoffer 1] heen. Ik trok haar naar de auto. Ze worstelde en ze hield met haar handen de auto tegen. Ze wilde niet in de auto zitten en ze schreeuwde om hulp. In de auto schreeuwde ze om hulp en toen hield ik mijn hand over haar mond heen. Ze vertelde later dat ze een wondje aan haar vinger had door het duwen tegen de auto.
We zijn daarna naar het gezinshuis gereden. Daar heeft medeverdachte [slachtoffer 2] uit de auto van [getuige 1] getild en bij ons in de auto geplaatst. Ik had nepbrillen en pruiken voor hen meegenomen in de auto. Dat was bedoeld om ons te vermommen zodat we niet herkend zouden worden. We wilden namelijk zo snel mogelijk naar België. Die middag kwamen we aan in het huurappartement in België.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 1989/1990, 21 345, nr. 3, p. 11
2.HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958