3.3Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten:
Op 19 oktober 2025, rond vier uur ’s nachts, heeft verdachte een steen tegen de woning van de zus van zijn ex-partner, [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] gegooid. Hierna zijn haar vader, [slachtoffer 4] ( [slachtoffer 4] ) [slachtoffer 4] en haar broer [slachtoffer 5] ( [slachtoffer 5] ) [slachtoffer 5] met de auto naar de woning van verdachte aan de [adres] gereden. Daar zijn zij met respectievelijk een honkbalknuppel en een zwart staafachtig voorwerp in de hand uit de auto gestapt en hebben zij tegen de schuur en de voordeur van de woning geslagen en daarbij meermaals geroepen: ''kom naar buiten jongen”.
Aangever [slachtoffer 5] heeft verklaard dat het dakraam hierna openging en dat verdachte met vermoedelijk pepperspray in zijn gezicht heeft gespoten. Verder heeft hij verklaard: “
Ik hoorde meerdere knallen en voelde iets langs mijn heengaan. Ik zag wel dat hij (verdachte
) met zijn armen uit het raam hing en hoorde hem meerdere keren schieten (…)”
Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte uit het raam begon te schieten en dat verdachte iets van pepperspray op [slachtoffer 5] spoot. Verder heeft hij verklaard: “
Op een gegeven moment hing [verdachte] (verdachte
) uit het dakraam en schoot hij naar beneden, proberen op [slachtoffer 5] te raken onder hem. (...) Ik hoorde wel meerdere keren een kogel of voorwerp voorbij suizen”.
Verdachte erkent dat hij uit zijn raam heeft geschoten, maar ontkent dat hij in de richting van aangevers heeft geschoten.
Over zijn schietrichting heeft verdachte bij de politie verschillende verklaringen afgelegd. Eerst heeft hij verklaard dat hij schuin naar beneden op de grond in de tuin heeft geschoten en dat hij een of twee keer in de lucht heeft geschoten. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij ook één naar voren heeft geschoten. Uiteindelijk heeft hij bij de politie verklaard: “
1 denk ik naar beneden. Of dan misschien wel naar de andere kant, dat ik denk bij de schutting stond er een”.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij twee of drie keer in de lucht heeft geschoten om aangevers af te schrikken, zodat zij weg zouden gaan. Zijn eerdere verklaringen bij de politie zouden niet kloppen. Hij heeft dit toen bij de politie verklaard omdat hij emotioneel was en de politie er op hamerde dat er in de tuin hulzen waren gevonden.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte in ieder geval vier keer uit het dakraam heeft geschoten. Daarbij acht zij van belang dat uit het onderzoek van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat er vlak na het schietincident vier hulzen in en rond de voortuin zijn aangetroffen.
Uit forensisch onderzoek van verbalisant [verbalisant 2] blijkt dat de volgende dag, op 20 oktober 2025, naast de regenpijp bij de voordeur nog een gave kogelpunt is aangetroffen. Deze kogelpunt is daags na het geweldsincident aangetroffen, terwijl niet is gebleken dat de plaats delict was afgezet. De verdediging heeft gesteld dat de moeder van verdachte het glas in de voortuin de volgende ochtend heeft aangeveegd hetgeen ook is zien op de foto’s in het dossier. De vraag op welke wijze deze kogelpunt daar is terechtgekomen valt daarom niet met voldoende betrouwbaarheid te beantwoorden.
Er is evenmin overig forensisch bewijs voorhanden op basis waarvan met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld in welke richting verdachte heeft geschoten. Zo zijn er geen kogelinslagen aangetroffen, ook niet in de grond, en is niet gebleken op welke exacte posities aangevers zich bevonden op het moment van het schieten.
Ook de verklaringen van aangevers geven geen betrouwbaar beeld van de richting waarin verdachte heeft geschoten. Uit hun verklaringen blijkt niet ondubbelzinnig dat zij hebben gezien dat er gericht op hen is geschoten. Bovendien ziet de rechtbank, tegen de achtergrond van het familieconflict, aanleiding om terughoudend met deze verklaringen om te gaan. De rechtbank heeft op basis van hun verklaringen niet de overtuiging gekregen dat verdachte in de richting van aangevers heeft geschoten. Temeer nu deze verklaringen niet worden ondersteund door de videobeelden die onderdeel uitmaken van het dossier.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte in de richting van aangevers heeft geschoten. Het niet gericht schieten levert zonder nadere feiten en omstandigheden geen aanmerkelijke kans op dat aangevers hadden kunnen worden geraakt en daardoor had kunnen overlijden of zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen.
Het voorgaande leidt tevens tot het oordeel dat de subsidiair ten laste gelegde bedreiging evenmin bewezen kan worden verklaard. Immers, het bewijs voor het schieten in de richting van [slachtoffer 4] ontbreekt. Hierbij neemt de rechtbank ten overvloede in aanmerking dat op de beschikbare videobeelden op geen enkel moment vrees of paniek te zien is bij aangevers. Uit deze videobeelden blijkt juist dat zij tijdens het voorval meermaals hebben geroepen: “schiet dan, schiet dan” en dat zij uiteindelijk weer relatief rustig vertrekken. In deze context is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het vereiste van redelijke vrees en kan ook om die reden niet tot een bewezenverklaring worden gekomen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan integraal vrij.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit:
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van dit feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
- het proces-verbaal van de zitting van 26 mei 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
- het proces-verbaal onderzoek wapen van 4 maart 2026, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] (pagina’s 308 tot en met 310);
- het proces-verbaal onderzoek munitie van 4 maart 2026, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] (pagina 306);
- het proces-verbaal onderzoek wapen van 21 oktober 2025, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] , met de fotobijlagen (pagina’s 203 tot en met 208).
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 08.024230.26 ten laste gelegde feit:
Op de terechtzitting van 26 mei 2026 heeft verdachte verklaard dat het best zou kunnen dat hij op 22 januari 2026 te Zwolle vanuit de P.I. telefonisch de ten laste gelegde woorden tegen zijn ex partner [slachtoffer 7] ( [slachtoffer 7] ) [slachtoffer 7] heeft gezegd, maar dat hij deze woorden niet bedreigend heeft bedoeld.
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Niet in geschil is dat aangevers op de hoogte zijn geraakt van de uitlating van verdachte. Gelet op de omstandigheden waaronder deze uitlating heeft plaatsgevonden en bezien in de context waarin deze is gedaan, te weten vanuit de P.I. en in het licht van het hoogoplopende familieconflict en na het incident op 19 oktober 2025 waarbij verdachte met een vuurwapen heeft geschoten, is de rechtbank van oordeel dat daardoor bij aangevers de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen.
De rechtbank is van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van dit gedrag volgt dat verdachte in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn woorden door aangevers als bedreigend zouden worden opgevat.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van dit feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte de ten laste gelegde feitelijkheden heeft bekend - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin ,Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van 28 januari 2026 (pagina's 9 tot en met 10), inhoudende de door [slachtoffer 4] afgelegde verklaring;
- het proces-verbaal van aangifte van 28 januari 2026 (pagina's 12 tot en met 14), inhoudende de door [slachtoffer 5] afgelegde verklaring;
- het proces-verbaal van aangifte van 28 januari 2026 (pagina's 15 tot en met 17), inhoudende de door [slachtoffer 6] afgelegde verklaring;
- het proces-verbaal van aangifte van 2 februari 2026 (pagina's 19 tot en met 25), inhoudende de door [slachtoffer 7] ( [slachtoffer 7] afgelegde verklaring;
- het proces-verbaal van bevindingen van 25 januari 2026, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] met betrekking tot het uitgeschreven audiobericht (pagina’s 26 tot en met 28).