Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3378

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
08.279412.25 en 08.024230.26 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 285 SrArt. 314a SvArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit vuurwapen en bedreiging vanuit gevangenis

Op 19 oktober 2025 heeft verdachte uit zijn dakraam geschoten en pepperspray gespoten richting familieleden van zijn ex-partner, maar de rechtbank acht niet bewezen dat hij gericht heeft geschoten of bedreigd. Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag en bedreiging op die datum.

Wel is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een getransformeerd alarmpistool, munitie en pepperspray in bezit had en dat hij op 22 januari 2026 vanuit de gevangenis meerdere familieleden met de dood heeft bedreigd. Verdachte heeft deze feiten bekend.

De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte en een psychologisch rapport dat verminderd toerekeningsvatbaarheid vaststelt. Gezien de ernst van de feiten en het recidiverisico legt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden en 22 dagen op.

De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelden worden afgewezen wegens gebrek aan bewijs van geestelijk letsel of omdat de strafrechter bij vrijspraak geen schadevergoeding kan toekennen.

Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van de uitspraak op 9 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 7 maanden en 22 dagen gevangenisstraf voor bezit vuurwapen en bedreiging vanuit gevangenis, vrijgesproken van poging tot doodslag.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.279412.25 en 08.024230.26 (P)
Datum vonnis: 9 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] ,
nu verblijvende in de: P.I. [verblijfplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R.W. van Faassen, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partijen door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 26 mei 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
08.279412.25
feit 1 primair:poging tot doodslag op [slachtoffer 4] ;
feit 1 subsidiair:bedreiging van [slachtoffer 4] ;
feit 2poging tot doodslag op [slachtoffer 5] ;
feit 3:het voorhanden hebben van een (getransformeerd) alarmpistool, munitie en pepperspray.
08.024230.26
bedreiging van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] .
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
08.279412.25
1.
hij op of omstreeks 19 oktober 2025 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 4] van het leven te beroven, meermaals, althans eenmaal, met een vuurwapen in de richting van die
[slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 oktober 2025 te Zwolle [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf met het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermaals, althans eenmaal, met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 4] te schieten;
2.
hij op of omstreeks 19 oktober 2025 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 5] van het leven te beroven,
- meermaals, althans eenmaal, met een vuurwapen in de richting van

die [slachtoffer 4] heeft geschoten en/of

- met pepperspray in de richting van het gezicht van die [slachtoffer 4] heeft gespoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 19 oktober 2025 te Zwolle
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (getransformeerd) alarmpistool van het merk BBM, model 315 AUTO, kaliber 6.35 mm Browning (oorspronkelijk 8 mm knal), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4 hulzen en/of 1 kogel en/of 6 kogelpatronen van het kaliber 6.35 mm Browning en/of
- een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, voorhanden heeft gehad.
08.024230.26
hij op of omstreeks 22 januari 2026 te Zwolle, althans in Nederland [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 1] /of [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 7] telefonisch dreigend de woorden toe te voegen “Maar die familie van jou gaat meteen kapot als ik buiten ben” en/of “Je komt er nog wel achter, ja?”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een op schrift gesteld en aan de rechtbank overgelegd requisitoir, op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie zich daarbij op het standpunt gesteld dat verdachte kan worden veroordeeld voor de primair ten laste gelegde variant.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten 1 en 2. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep toekomt op noodweer dan wel noodweerexces. Ten aanzien van feit 3, het voorhanden hebben van de wapens en munitie, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 08.024230.26 ten laste gelegde feit heeft de raadsman vrijspraak bepleit.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
08.279412.25
Ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten:
Op 19 oktober 2025, rond vier uur ’s nachts, heeft verdachte een steen tegen de woning van de zus van zijn ex-partner, [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] gegooid. Hierna zijn haar vader, [slachtoffer 4] ( [slachtoffer 4] ) [slachtoffer 4] en haar broer [slachtoffer 5] ( [slachtoffer 5] ) [slachtoffer 5] met de auto naar de woning van verdachte aan de [adres] gereden. Daar zijn zij met respectievelijk een honkbalknuppel en een zwart staafachtig voorwerp in de hand uit de auto gestapt en hebben zij tegen de schuur en de voordeur van de woning geslagen en daarbij meermaals geroepen: ''kom naar buiten jongen”.
Aangever [slachtoffer 5] heeft verklaard dat het dakraam hierna openging en dat verdachte met vermoedelijk pepperspray in zijn gezicht heeft gespoten. Verder heeft hij verklaard: “
Ik hoorde meerdere knallen en voelde iets langs mijn heengaan. Ik zag wel dat hij (verdachte
) met zijn armen uit het raam hing en hoorde hem meerdere keren schieten (…)
Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte uit het raam begon te schieten en dat verdachte iets van pepperspray op [slachtoffer 5] spoot. Verder heeft hij verklaard: “
Op een gegeven moment hing [verdachte] (verdachte
) uit het dakraam en schoot hij naar beneden, proberen op [slachtoffer 5] te raken onder hem. (...) Ik hoorde wel meerdere keren een kogel of voorwerp voorbij suizen”.
Verdachte erkent dat hij uit zijn raam heeft geschoten, maar ontkent dat hij in de richting van aangevers heeft geschoten.
Over zijn schietrichting heeft verdachte bij de politie verschillende verklaringen afgelegd. Eerst heeft hij verklaard dat hij schuin naar beneden op de grond in de tuin heeft geschoten en dat hij een of twee keer in de lucht heeft geschoten. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij ook één naar voren heeft geschoten. Uiteindelijk heeft hij bij de politie verklaard: “
1 denk ik naar beneden. Of dan misschien wel naar de andere kant, dat ik denk bij de schutting stond er een”.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij twee of drie keer in de lucht heeft geschoten om aangevers af te schrikken, zodat zij weg zouden gaan. Zijn eerdere verklaringen bij de politie zouden niet kloppen. Hij heeft dit toen bij de politie verklaard omdat hij emotioneel was en de politie er op hamerde dat er in de tuin hulzen waren gevonden.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte in ieder geval vier keer uit het dakraam heeft geschoten. Daarbij acht zij van belang dat uit het onderzoek van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat er vlak na het schietincident vier hulzen in en rond de voortuin zijn aangetroffen. [1]
Uit forensisch onderzoek van verbalisant [verbalisant 2] blijkt dat de volgende dag, op 20 oktober 2025, naast de regenpijp bij de voordeur nog een gave kogelpunt is aangetroffen. Deze kogelpunt is daags na het geweldsincident aangetroffen, terwijl niet is gebleken dat de plaats delict was afgezet. De verdediging heeft gesteld dat de moeder van verdachte het glas in de voortuin de volgende ochtend heeft aangeveegd hetgeen ook is zien op de foto’s in het dossier. De vraag op welke wijze deze kogelpunt daar is terechtgekomen valt daarom niet met voldoende betrouwbaarheid te beantwoorden.
Er is evenmin overig forensisch bewijs voorhanden op basis waarvan met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld in welke richting verdachte heeft geschoten. Zo zijn er geen kogelinslagen aangetroffen, ook niet in de grond, en is niet gebleken op welke exacte posities aangevers zich bevonden op het moment van het schieten.
Ook de verklaringen van aangevers geven geen betrouwbaar beeld van de richting waarin verdachte heeft geschoten. Uit hun verklaringen blijkt niet ondubbelzinnig dat zij hebben gezien dat er gericht op hen is geschoten. Bovendien ziet de rechtbank, tegen de achtergrond van het familieconflict, aanleiding om terughoudend met deze verklaringen om te gaan. De rechtbank heeft op basis van hun verklaringen niet de overtuiging gekregen dat verdachte in de richting van aangevers heeft geschoten. Temeer nu deze verklaringen niet worden ondersteund door de videobeelden die onderdeel uitmaken van het dossier.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte in de richting van aangevers heeft geschoten. Het niet gericht schieten levert zonder nadere feiten en omstandigheden geen aanmerkelijke kans op dat aangevers hadden kunnen worden geraakt en daardoor had kunnen overlijden of zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen.
Het voorgaande leidt tevens tot het oordeel dat de subsidiair ten laste gelegde bedreiging evenmin bewezen kan worden verklaard. Immers, het bewijs voor het schieten in de richting van [slachtoffer 4] ontbreekt. Hierbij neemt de rechtbank ten overvloede in aanmerking dat op de beschikbare videobeelden op geen enkel moment vrees of paniek te zien is bij aangevers. Uit deze videobeelden blijkt juist dat zij tijdens het voorval meermaals hebben geroepen: “schiet dan, schiet dan” en dat zij uiteindelijk weer relatief rustig vertrekken. In deze context is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het vereiste van redelijke vrees en kan ook om die reden niet tot een bewezenverklaring worden gekomen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan integraal vrij.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit:
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van dit feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Die bewijsmiddelen zijn [2] :
- het proces-verbaal van de zitting van 26 mei 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
- het proces-verbaal onderzoek wapen van 4 maart 2026, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] (pagina’s 308 tot en met 310);
- het proces-verbaal onderzoek munitie van 4 maart 2026, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] (pagina 306);
- het proces-verbaal onderzoek wapen van 21 oktober 2025, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] , met de fotobijlagen (pagina’s 203 tot en met 208).
08.024230.26
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 08.024230.26 ten laste gelegde feit:
Op de terechtzitting van 26 mei 2026 heeft verdachte verklaard dat het best zou kunnen dat hij op 22 januari 2026 te Zwolle vanuit de P.I. telefonisch de ten laste gelegde woorden tegen zijn ex partner [slachtoffer 7] ( [slachtoffer 7] ) [slachtoffer 7] heeft gezegd, maar dat hij deze woorden niet bedreigend heeft bedoeld.
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Niet in geschil is dat aangevers op de hoogte zijn geraakt van de uitlating van verdachte. Gelet op de omstandigheden waaronder deze uitlating heeft plaatsgevonden en bezien in de context waarin deze is gedaan, te weten vanuit de P.I. en in het licht van het hoogoplopende familieconflict en na het incident op 19 oktober 2025 waarbij verdachte met een vuurwapen heeft geschoten, is de rechtbank van oordeel dat daardoor bij aangevers de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen.
De rechtbank is van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van dit gedrag volgt dat verdachte in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn woorden door aangevers als bedreigend zouden worden opgevat.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van dit feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte de ten laste gelegde feitelijkheden heeft bekend - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin ,Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Die bewijsmiddelen zijn [3] :
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van 28 januari 2026 (pagina's 9 tot en met 10), inhoudende de door [slachtoffer 4] afgelegde verklaring;
- het proces-verbaal van aangifte van 28 januari 2026 (pagina's 12 tot en met 14), inhoudende de door [slachtoffer 5] afgelegde verklaring;
- het proces-verbaal van aangifte van 28 januari 2026 (pagina's 15 tot en met 17), inhoudende de door [slachtoffer 6] afgelegde verklaring;
- het proces-verbaal van aangifte van 2 februari 2026 (pagina's 19 tot en met 25), inhoudende de door [slachtoffer 7] ( [slachtoffer 7] afgelegde verklaring;
- het proces-verbaal van bevindingen van 25 januari 2026, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] met betrekking tot het uitgeschreven audiobericht (pagina’s 26 tot en met 28).
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
08.279412.25
3.
hij op 19 oktober 2025 te Zwolle
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (getransformeerd) alarmpistool van het merk BBM, model 315 AUTO, kaliber 6.35 mm Browning (oorspronkelijk 8 mm knal), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4 hulzen en 1 kogel en 6 kogelpatronen van het kaliber 6.35 mm Browning en
- een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende stoffen, voorhanden heeft gehad.
08.024230.26
hij op 22 januari 2026 te Zwolle, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 7] telefonisch dreigend de woorden toe te voegen “Maar die familie van jou gaat meteen kapot als ik buiten ben” en “Je komt er nog wel achter, ja?”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
08.279412.25
feit 3
het misdrijf:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
08.024230.26
het misdrijf:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van wat zij bewezen heeft geacht gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarbij moeten de bijzondere voorwaarden worden opgelegd die door de reclassering zijn geadviseerd.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] en een locatieverbod, zoals geformuleerd door de reclassering in het rapport van 11 mei 2026, voor de duur van vijf jaren, met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van twee weken voor iedere keer dat verdachte zich niet aan de maatregel houdt. De officier van justitie heeft gevorderd om ook de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, genoemd in artikel 38z Sr, wordt opgelegd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke straf met de door de reclassering geformuleerde voorwaarden. Verder heeft de raadsman verzocht om, als er in het kader van artikel 38v een gebiedsverboden wordt op gelegd, de straal hiervan te beperken tot 100 meter rondom de woning van aangevers, en dat ook de duur van de periode beperkt moet worden.
Voor de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, genoemd in artikel 38z Sr, is volgens de raadsman geen plaats.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III onder 1 als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie en bijbehorende munitie, en een busje pepperspray. Hij heeft deze wapens ook gebruikt. Hij heeft ’s nachts met het vuurwapen in een woonwijk uit zijn dakraam geschoten en heeft ook met pepperspray uit het dakraam gespoten. Het is een feit van algemene bekendheid dat door dit soort gedragingen gevoelens van onrust en onveiligheid ontstaan binnen de maatschappij, in het bijzonder bij omwonenden van de woning. Verdachte bewaarde deze wapens in zijn woning, waar ook zijn minderjarige kinderen kwamen.
Daarnaast heeft verdachte vanuit de P.I. leden van de familie [slachtoffers] met de dood bedreigd. Verdachte heeft hiermee angst en gevoelens van onveiligheid bij hen veroorzaakt, zoals ook blijkt uit het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht.
Naar het oordeel van de rechtbank komt verdachte een gevangenisstraf toe. Een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is noodzakelijk omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn niet aanwezig.
De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de inhoud van het strafblad van verdachte van 28 april 2026 waaruit blijkt dat verdachte – veelvuldig – onherroepelijk is veroordeeld, waaronder ook voor geweldsfeiten. Gelet op het bepaalde in artikel 63 Sr Pro houdt de rechtbank bij het opleggen van de hierna te melden straf rekening met de straf die verdachte bij arrest van 26 maart 2026 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één week voorwaardelijk, ter zake van mishandeling.
De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de inhoud van een pro Justitia rapportage van 27 maart 2026. In deze rapportage heeft de deskundige drs. M.C.G. Smeets, GZ-psycholoog geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten, ook het in de zaak met parketnummer 08.024230.26 ten laste gelegde, lijdend was aan PTSS. Er wordt door de psycholoog persoonlijkheidsproblematiek gezien met aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis met gemengde trekken (antisociale, borderline en dwangmatige trekken). In de intelligentie worden beperkingen gezien in de verbale uitdrukkingsvaardigheid, werkgeheugen en snelheid van informatieverwerking. Daarnaast spelen stoornissen in het gebruik van tabak, benzodiazepines en alcohol.
Volgens de psycholoog is sprake van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Het recidiverisico wordt geschat op hoog.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies over verdachte van 11 mei 2026.
De reclassering schat het recidiverisico in hoog. Om het recidiverisico te beperken adviseert de reclassering om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, opneming in een zorginstelling, een ambulante behandeling, begeleid wonen, een drugs- en alcoholverbod en een contactverboden met de betreffende leden van de familie [slachtoffers] , en dagbesteding.
De reclassering adviseert deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Verder adviseert de reclassering om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, genoemd in artikel 38z Sr, op te leggen en de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, met gebiedsverboden en contactverboden.
Voor wat betreft de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte neemt de rechtbank de conclusie op de in de rapportage van de psycholoog daarvoor uiteengezette gronden over en maakt zij de conclusie van de gedragsdeskundige tot de hare. De rechtbank acht verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 08.024230.26 bewezen verklaarde feit verminderd toerekeningsvatbaar.
Alles afwegend ziet de rechtbank aanleiding om verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis. Nu verdachte van de feiten 1 en 2 integraal wordt vrijgesproken bestaat in de strafoplegging geen ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel waaraan de geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden.
De rechtbank acht het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr en de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, genoemd in artikel 38z Sr, gelet op alle omstandigheden van het geval, niet noodzakelijk .

7.De schade van benadeelden

7.1
De vordering van de benadeelde partijen
08.279412.25
[slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij zijn ter zitting vertegenwoordigd door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Zij vorderen, ieder voor zich, verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.000,00 ter vergoeding van immateriële schade.
08.024230.26
[slachtoffer 6] en [slachtoffer 1] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij zijn ter zitting vertegenwoordigd door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Zij vorderen, ieder voor zich, verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 350,00 ter vergoeding van immateriële schade.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen. Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft de raadsman daarnaast aangevoerd dat zij zelf de confrontatie hebben opgezocht en dat sprake is van eigen schuld.
Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 1] heeft de raadsman aangevoerd dat de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
08.279412.25
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de aan hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Volgens de wet kan de strafrechter in het geval van vrijspraak geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk zijn in de door hen ingestelde vorderingen.
08.024230.26
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 1] zijn op deze laatste grondslag gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partijen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 1]
geen gegevens hebben verstrekt waaruit blijkt dat zij door het strafbare feit geestelijk letsel hebben opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partijen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 1]
niet met concrete gegevens hebben onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hen heeft gehad. De stelling dat zij door de bedreiging van verdachte vanuit de P.I. ernstige angst- en onveiligheidsgevoelens hebben gehad, en dat deze gevoelens moeten worden gezien in de context van de eerder door verdachte gepleegde feiten, en dat zij angst hebben voor een wraakactie, is hiervoor onvoldoende.
Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad. De benadeelde partijen krijgen geen gelegenheid om de vorderingen alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partijen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk zijn in de door hen ingestelde vorderingen.
De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen aan de burgerlijke rechter voorleggen.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr Pro.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het in de zaak onder parketnummer 08.279412.25 onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het in de zaak onder parketnummer 08.279412.25 onder 3 en in de zaak met parketnummer 08.024230.26 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
08.279412.25
feit 3, het misdrijf:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie, meermalen gepleegd;
08.024230.26
het misdrijf:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 maanden en 22 dagen;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 4] (parketnummer 08.279412.25 feit 1), [slachtoffer 5] (parketnummer 08.279412.25 feit 2), [slachtoffer 6] (parketnummer 08.024230.26) en [slachtoffer 1] (parketnummer 08.024230.26) niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, en dat de benadeelde partijen de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Postma, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.

Voetnoten

1.Op de grond op het parkeervak voor de woning, in de voortuin ter hoogte van de plantenbak, op de tuintafel in de voortuin en ter hoogte van de voordeur.
2.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025506845. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
3.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2026038684. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.