Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3377

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
zaak_C08348754__JE_RK_26-955_beschikking_12062026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 6.1.3 JwArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige

De rechtbank Overijssel behandelde op 12 juni 2026 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging voor gesloten jeugdhulp van een minderjarige geboren in 2011. De minderjarige vertoonde ernstig probleemgedrag, waaronder schoolverzuim, betrokkenheid bij criminele activiteiten en het bezit van gevaarlijke voorwerpen. Na verblijf in crisisopvang en een open instelling, waar hij vaak wegliep en onveilig was, was plaatsing in een gesloten instelling noodzakelijk.

De kinderrechter oordeelde dat de ouders niet langer in staat waren de minderjarige te begrenzen en dat er een acuut en ernstig gevaar voor zijn ontwikkeling bestond. Omdat jongeren niet in het weekend in een gesloten setting worden geplaatst, moest de minderjarige in het weekend bij zijn ouders verblijven, ondanks dat dit een zware belasting voor hen vormde. De gedragswetenschapper had de minderjarige niet gesproken voorafgaand aan het verzoek, vanwege het risico op agressief gedrag, maar de kinderrechter bepaalde dat alsnog een aanvullende verklaring op basis van een gesprek moest worden overgelegd.

De voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging werden verleend voor de duur van twee weken, met de opdracht om met spoed een plek in de gesloten jeugdhulp te zoeken. De behandeling van het verzoek werd verder aangehouden en een zitting gepland. Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk, tegen de voorlopige ondertoezichtstelling niet.

Uitkomst: De rechtbank verleent voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor twee weken met aanhouding van verdere behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/348754 / JE RK 26-955
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad,
gevestigd te Zwolle,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige],
advocaat mr. R.H. Broeksema.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2]
en
[minderjarige].
De kinderrechter merkt als informant aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Op 12 juni 2026 heeft de raad telefonisch verzocht een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen. De beslissing is aan het eind van het telefoongesprek om 21:40 uur uitgesproken.
1.2.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het mondelinge verzoek van de raad op 12 juni 2026;
  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek met bijlagen van de raad, ontvangen op 15 juni 2026.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn vader en moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de raad een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. De raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De raad verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
[minderjarige] heeft vanaf maart 2026, na toenemende zorgen over langdurig schoolverzuim en zijn gedrag en betrokkenheid in criminele situaties (o.a. het thuis openbreken van een kluisje van zijn ouders en het wegnemen van sieraden uit een erfenis), in de crisisopvang [organisatie] verbleven. Toen bleek dat hij daar vaak wegliep en bovendien niet meer veilig was omdat hij werd opgezocht door jongeren uit het criminele netwerk die dreigen hem wat aan te doen en hij zelf ook ketamine en een schroevendraaier, stanleymessen en een boksbeugel heeft, is hij met spoed overgeplaatst naar [locatie] in [plaats]. Ook daar bleef [minderjarige] weglopen. Uit filmpjes op zijn telefoon blijkt dat hij zich in gevaarlijke situaties begeeft die hij zelf opzoekt maar waarin hij ook wordt achterna gezeten door andere jongeren uit het milieu. Uiteindelijk heeft [locatie] aangegeven dat een langer verblijf van [minderjarige] op de groep niet mogelijk is. [minderjarige] moest door zijn ouders worden opgehaald.
4.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
De ouders zijn niet langer in staat [minderjarige] te begrenzen, zij kunnen de zorg voor [minderjarige] niet meer aan en ondanks de inzet van hulpverlening is er geen verbetering. [minderjarige] onttrekt zich aan de hulpverlening. Omdat de plaatsingscommissie, die verantwoordelijk is voor het zoeken van een plek voor een jongere in gesloten jeugdhulp, aangeeft dat jongeren niet in het weekend in een gesloten setting worden geplaatst, is het noodzakelijk dat een jeugdbeschermer de ouders kan bijstaan in de periode dat gezocht wordt naar een beschikbare plek in de gesloten jeugdhulp.
4.3.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [2]
[minderjarige] blijft voortdurend weglopen uit een open instelling en begeeft zich dan in gevaarlijke situaties, maar brengt anderen ook in gevaar onder andere doordat jongeren uit het criminele circuit hem komen zoeken in de instelling. Verblijf bij de ouders is niet in het belang van [minderjarige] en een te zware belasting voor de ouders. Ook staat [minderjarige] niet open voor een gesloten plaatsing, hij dreigt dan iedereen in elkaar te trappen. [minderjarige] staat alleen open voor verblijf bij een jongen uit het criminele netwerk. Een voorwaardelijke gesloten machtiging is daarom ook niet mogelijk.
4.4.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige], omdat er geen plek is voor [minderjarige] in een open instelling en verblijf bij de ouders verre van wenselijk is. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van twee weken. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken. Er zal door de jeugdbeschermer met spoed naar een beschikbare plek in de gesloten jeugdhulp moeten worden gezocht zodat [minderjarige] met deze machtiging daar onmiddellijk geplaatst kan worden.
4.5.
Blijkens de schriftelijke verklaring van de gedragswetenschapper die bij het verzoek is gevoegd, heeft deze [minderjarige] niet met het oog op de gesloten plaatsing gesproken, nu het voordeel hiervan volgens hem niet opweegt tegen de nadelen. Deze nadelen bestaan in – naar verwachting – de triggerende werking van dat gesprek tot agressief gedrag van [minderjarige] waarmee een reële kans bestaat op hernieuwde schade, aan anderen of aan hun eigendommen en aan hemzelf, doordat hij opnieuw weg zou lopen en langere tijd onvindbaar zou blijven. De te verwachten informatieve opbrengst van een gesprek met [minderjarige] is op dit moment beperkt. Een gesprek na de feitelijke plaatsing kan naar verwachting in rustiger omstandigheden plaatsvinden, minder risico’s met zich meebrengen en meer informatieve waarde hebben.
4.6.
De kinderrechter is gezien deze afweging van de gedragswetenschapper en de aanzienlijke kans dat het tot een gesprek met [minderjarige] over de gesloten plaatsing niet zal kunnen komen, van oordeel dat een onderzoek van [minderjarige] feitelijk onmogelijk is. De kinderrechter zal de raad opdragen een aanvullende verklaring van de gedragswetenschapper over te leggen op grond van een gesprek met [minderjarige], uiterlijk de dag voor de hierna te bepalen zitting.
4.7.
De raad, [minderjarige], zijn advocaat en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 12 juni 2026 tot 26 juni 2026;
5.2.
verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 12 juni 2026 tot 26 juni 2026;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.4.
roept de raad, de GI, de vader, de moeder en [minderjarige] en zijn advocaat op voor de zitting van mr. M. van der Hoeven op 18 juni 2026 om 11:30 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, aan Schuurmanstraat 2 in Zwolle
5.5.
bepaalt dat de raad uiterlijk op 17 juni 2026 de aanvullende instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper zoals hiervoor onder 4.6. beschreven, bij de rechtbank indient en naar de belanghebbenden stuurt.
Deze beslissing is mondeling uitgesproken op 12 juni 2026 om 21:40 uur door mr. M. van der Hoeven, kinderrechter, en op schrift gesteld op 15 juni 2026 in aanwezigheid van J.G.J. Remeijsen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open. [3]

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
3.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).