Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3364

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
ak_23_1958
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.12 WaterschapsbesluitArt. 122g WaterschapswetArt. 122j WaterschapswetArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing T-correctie bij zuiveringsheffing en strijdigheid met Waterschapsbesluit

Eiseres exploiteert een mestverwerkingsinstallatie en verzocht de heffingsambtenaar om toepassing van de T-correctie bij de berekening van de vervuilingswaarde voor de jaren 2021 en 2022. De heffingsambtenaar stelde nadere voorwaarden en grenswaarden aan de toepassing van deze correctie en verklaarde het bezwaar van eiseres ongegrond.

De rechtbank oordeelt dat de nadere voorwaarden in het Protocol T-correctie, die de toepassing van de correctie beperken bij het niet voldoen aan grenswaarden, kennelijk onredelijk zijn en in strijd met artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit. Dit artikel verplicht tot toepassing van de correctie zodra aannemelijk is dat het chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate wordt beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.

Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat aan dit wettelijke vereiste is voldaan, onder meer door onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat gemiddeld 96,4% van het CZV uit dergelijke stoffen bestaat. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en draagt de heffingsambtenaar op binnen twaalf weken een nieuwe beslissing te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd wegens strijd met artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit; de heffingsambtenaar moet een nieuwe beslissing nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 23/1958

uitspraak van de meervoudige belastingkamer in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde 1] ,
en

de heffingsambtenaar van GBLT,

gemachtigde: [gemachtigde 2] .

Inleiding

De heffingsambtenaar is met de beschikking van 20 januari 2023 overgegaan tot inwilliging van de aanvraag van eiseres om voor de jaren 2021 en 2022 voor de berekening van de vervuilingswaarde de hoedanigheidscorrectie als bedoeld in artikel 11 van Pro de Verordening zuiveringsheffing 2021 (hierna: de T-correctie) toe te passen op het effluent van de mestverwerkingsinstallatie van eiseres aan de [adres] .
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak van 10 augustus 2023 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , voormalig directeur van eiseres, [naam 2] , bedrijfsleider bij eiseres en de gemachtigde van eiseres, alsmede de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam 3] , heffingstechnoloog bij het waterschap Vallei en Veluwe.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. Omdat de rechtbank ook deze termijn niet heeft gehaald, heeft de rechtbank partijen bericht dat uiterlijk op 30 juni 2026 uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres exploiteert een mestverwerkingsinstallatie op het adres [adres] . Zij heeft de heffingsambtenaar in het najaar van 2021 verzocht om bij de berekening van de vervuilingswaarde voor de zuiveringsheffing over 2021 en 2022 de
T-correctie toe te passen op het effluent van de mestverwerkingsinstallatie.
2. De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 30 januari 2023 voor de heffingsjaren 2021 en 2022 de aanvraag van eiseres om voor de berekening van de vervuilingswaarde de T-correctie te mogen toepassen, gedeeltelijk, dat wil zeggen met aanvullende en gewijzigde voorschriften en/of voorwaarden, ingewilligd. Daarbij is voor beide heffingsjaren aangegeven dat de T-correctie mag worden toegepast indien
- het chemisch zuurstofverbruik (CZV) voor tenminste 25% afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbaar materiaal (T > 25%);
- de onderzoeken worden uitgevoerd conform de beschikking;
- de onderzoeken genoemd in voorschrift 10 aantonen dat er geen toxische en/of remmende stoffen in het effluent van de installatie aanwezig zijn;
- de volgende grenswaarden in het effluent van de installatie niet worden overschreden:
o CZV 1.700 mg O2/l;
o N-Kj 80 mg N/l;
o onopgeloste bestanddelen 10 mg/l en
o bezinkselvolume 0,2 ml/l.
3. Eiseres heeft zich in haar bezwaarschrift gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de door de heffingsambtenaar gestelde extra voorwaarden aan het uitvoeren van een correctie op de uitkomst tot bepaling van het CZV in strijd zijn met de imperatieve bepaling in artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit. Zij heeft verder aangevoerd dat zij, gelet op de onderzoeksresultaten uit 2022, in de heffingsjaren 2021 en 2022 onder meer recht op toepassing van een correctie op de uitkomst van de bepaling tot het CZV, de
T-correctie, heeft.
4. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens de heffingsambtenaar is de afgegeven beschikking niet in strijd met het Waterschapsbesluit. De heffingsambtenaar heeft verder overwogen dat het stellen van grenswaarden niet betekent dat er geen aanspraak gemaakt wordt op de T-correctie. Er wordt, aldus de heffingsambtenaar, namelijk wel gecorrigeerd op de etmalen in het heffingsjaar waarvan is vastgesteld dat de analyses wel voldeden aan de gestelde grenswaarden. Uitsluitend voor de etmalen die niet voldeden aan de grenswaarden blijft T-correctie op basis van de uitkomsten van het biodegradatieonderzoek dus achterwege, omdat op basis van de aangevraagde beschikking voor deze omstandigheden geen correctiefactor is bepaald.
Het wettelijke kader
5. In artikel 122g, eerste lid, van de Waterschapswet [1] is bepaald dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat bij de maatregel kan worden bepaald dat ter uitvoering van die maatregel nadere regels worden gesteld bij verordening van het algemeen bestuur.
6. Voornoemde algemene maatregel van bestuur betreft het Waterschapsbesluit.
In artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit is bepaald dat, indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het CZV in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, op die uitkomst een correctie wordt toegepast. Het algemeen bestuur geeft omtrent die correctie nadere regels bij belastingverordening.
7. Ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 110 en 113 van de Waterschapswet en hoofdstuk 6, paragraaf 2, van het Waterschapsbesluit heeft het algemeen bestuur van Waterschap Vallei en Veluwe op 25 november 2020 de Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2021 (de Verordening 2021) vastgesteld. De Verordening 2021 is bekend gemaakt door publicatie ervan in het Waterschapsblad van
17 december 2020, nr. 14270.
Het algemeen bestuur van Waterschap Vallei en Veluwe heeft op 22 november 2021 de Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2022 (de Verordening 2022) vastgesteld. Deze verordening is bekend gemaakt door publicatie ervan in het Waterschapsblad van 21 december 2021, nr. 15438.
8. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordeningen 2021 en 2022 wordt ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren.
Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Verordeningen 2021 en 2022 geldt voor de heffing als bedoeld in artikel 3 als Pro grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.
Op grond van het tweede lid geldt voor de heffing als maatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.
Op grond van het derde lid, voor zover hier van belang, wordt het aantal vervuilingseen-heden met betrekking tot zuurstofbindende stoffen bepaald op basis van de som van het CZV en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening.
Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Verordeningen 2021 en 2022 wordt, indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het CZV, bedoeld in artikel 8, in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, op aanvraag van de heffingplichtige, op die uitkomst een correctie toegepast (de T-correctie). Deze correctie is in het leven geroepen om aan onbillijkheden van overwegende aard tegemoet te komen, die ontstonden door het in de grondslag van de verontreinigingsheffing (en de zuiveringsheffing) overstappen van de BZV-vracht naar de CZV-vracht, in het bijzonder om tegemoet te komen aan bedrijven die slecht afbreekbaar CZV lozen en daardoor ineens een veel hogere heffing dienden te betalen. Er zijn namelijk stoffen die wel chemisch afbreekbaar zijn en bijdragen aan het CZV maar biologisch niet afbreekbaar zijn.
In het tweede lid van artikel 11 is Pro bepaald dat de berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van het voorschrift, opgenomen in bijlage I, onderdeel C.3.
Ingevolge het derde lid neemt de heffingsambtenaar zijn beslissing als bedoeld in het eerste lid bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Op grond van onderdeel C.3 van Bijlage I van de Verordeningen 2021 en 2022 wordt, indien de CZV-waarde voor tenminste 25% afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, op die waarde een correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de breuk (100 – T) / 75, waarbij T het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, is.
9. De procedure, die bij deze berekening wordt toegepast, is vastgelegd in het Protocol T-correctie van 22 oktober 2015. Het dagelijks bestuur van GBLT heeft op 9 maart 2016 het Protocol T-correctie vastgesteld als beleid van GBLT.
In paragraaf 2.2 van het Protocol T-correctie is opgenomen dat, als afvalwater in het oppervlaktewater of op het riool wordt geloosd, daarvoor een heffing is verschuldigd. De hoogte van de heffing is mede afhankelijk van de hoeveelheid en de soort stoffen die worden geloosd. Bij lozingen met een relatief hoge vuillast of als relatief zeer veel afvalwater wordt geloosd, wordt de vervuilingswaarde vastgesteld door middel van meting, bemonstering en analyse. De vervuilingswaarde wordt bepaald aan de hand van het CZV. Nadeel hiervan is dat er stoffen zijn die wel chemisch afgebroken kunnen worden, en dus bijdragen aan het CZV, maar biologisch niet. Als deze biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare fractie (≤ 10% afbreekbaar) een belangrijk deel (≥ 25%) van het CZV-gehalte uitmaakt, kan vanwege die hoedanigheid van verbindingen in het afvalwater een correctie worden toegepast op de heffing: de T-correctie.
In paragraaf 2.3 van het Protocol T-correctie is opgenomen dat, voor het aanvragen en toepassen van de T-correctie en de methodiek en wijze van vaststelling van het percentage biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbaar materiaal in het afvalwater, uniformiteit in regelgeving wordt nagestreefd door de Unie van Waterschappen en Rijkswaterstaat en dat om deze reden het protocol is opgesteld.
In paragraaf 3.2.1 van het Protocol T-correctie is, voor zover hier van belang, vermeld dat een goed werkend en zuiverend biologisch zuiveringsproces voorwaarde is voor toepassing van de T-correctie voor biologisch gezuiverd water. In de meetbeschikking dient volgens deze paragraaf de toepassing van de T-correctie te worden gekoppeld aan (minimum en maximum) grenswaarden voor CZV, N-Kj en onopgeloste bestanddelen en/of bezinkbare bestanddelen. De absolute waarde van de grenswaarden is maatwerk, maar dient volgens dit Protocol vastgesteld te worden op basis van de werkelijke effluentwaarden bij een goed werkende zuivering. Indien niet aan de grenswaarden of voorwaarden wordt voldaan, mag de T-correctie niet worden toegepast en zal de vervuilingswaarde worden berekend op basis van de reguliere heffingsformule, aldus de voorwaarden in paragraaf 3.2.1.
Standpunten van partijen
10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de nadere voorwaarden, die de heffingsambtenaar stelt aan het uitvoeren van een correctie op de uitkomst tot bepaling van het CZV, in strijd zijn met de imperatieve bepaling in artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit. In dit artikellid is immers geen zogenoemde ‘kan’-bepaling opgenomen, maar een ‘wordt’-bepaling. Zodra aannemelijk is dat de hoogte van het CZV in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, geeft de wetgever aan het bestuursorgaan de opdracht op de hoogte van het CZV een correctie toe te passen. Waar in de wettelijke bepaling ‘in belangrijke mate’ staat, moet dit worden gelezen als ‘25% of meer’.
Eiseres merkt daarbij op dat in het belastingrecht het uitgangspunt is dat partijen hun standpunten aannemelijk moeten maken. Als de wetgever een zwaardere bewijslast nodig acht, dan staat dit letterlijk in de wet genoemd. Eiseres heeft daarbij gewezen op de artikelen 122g, vierde lid, en 122k, eerste lid, van de Waterschapswet, waarin de wetgever de terminologie ‘doen blijken’ gebruikt. In belastingwetten wordt de term ‘blijken’ toegepast als feiten volledig moeten worden bewezen, dat wil zeggen overtuigend moeten worden aangetoond. Eiseres meent dat, nu deze term in artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit ontbreekt, het aannemelijk maken voldoende is. Zij heeft gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 1971. [2]
Eiseres bestrijdt niet dat het aan haar is om aannemelijk te maken dat zij aan de door de wetgever gestelde voorwaarde, zoals omschreven in artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit, voldoet. Het is in beginsel, gelet op opgedane ervaringen met afvalwaterstromen zoals die van eiseres, op grond van de oorsprong en samenstelling van het afvalwater volgens haar bij voorbaat aannemelijk dat het CZV in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen. Eiseres wijst op het feit dat in opdracht van haar in het heffingsjaar 2022 viermaal een onderzoek is uitgevoerd en dat uit deze onderzoeken blijkt dat het CZV voor gemiddeld 96,4% bestaat uit stoffen die biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Eiseres heeft naar haar mening dan ook aangetoond dat het CZV in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, en dat daarmee aan het wettelijke vereiste wordt voldaan. Er bestaat dan ook recht op een correctie op het CZV.
Eiseres voert verder aan dat, gelet op de tekst ‘bij belastingverordening’ in artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit, nadere regels in de belastingverordening moeten worden opgenomen. Omdat het woord ‘krachtens’ ontbreekt, is verdere subdelegatie van deze regels volgens haar in beginsel niet toegestaan. Wel is in de jurisprudentie geaccepteerd dat, vanuit praktische overwegingen, het is toegestaan een verdere uitwerking van deze nadere regels (zoals vermeld in de belastingverordening) op te nemen in bijvoorbeeld een beleidsregel. Wat in de belastingverordening en in de beleidsregel is vastgelegd, mag echter niet in strijd zijn met de wettekst waarop deze is gebaseerd. De bij belastingverordening vastgestelde regelgeving en de nadere uitwerking ervan in een beleidsregel kunnen volgens eiseres dus alleen betrekking hebben op de wijze waarop de hoogte van de correctiefactor wordt vastgesteld. Zij kunnen niet de toepassing van een correctie op het CZV tegenhouden, ook niet als de heffingsplichtige niet of niet geheel de gestelde nadere voorschriften over de wijze waarop de hoogte van de correctiefactor moet worden vastgesteld naleeft of kan naleven. De hoogte van de correctiefactor zal dan moeten worden geschat.
Eiseres meent dat de heffingsambtenaar in de beschikking ten onrechte nadere voorwaarden heeft opgenomen om een correctie op het CZV (de T-correctie) toe te staan. Met name is zij het niet eens met de gestelde consequenties als niet (geheel) aan deze voorwaarden is voldaan, te weten uitsluiting van toepassing van de T-correctie. Zo heeft de heffingsambtenaar in voorschrift 11 van de beschikking opgenomen dat de T-correctie uitsluitend mag worden toegepast als sprake is van een stabiel zuiveringsproces. Een stabiel zuiveringsproces is echter géén voorwaarde voor toepassing van de T-correctie. Dit voorschrift is volgens eiseres in strijd met artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit. De heffingsambtenaar heeft niet de beleidsvrijheid om boven op de wettelijke eisen nog meer eisen te stellen voordat wordt overgegaan tot toepassing van de
T-correctie. Volgens eiseres bestaat ook recht op toepassing van de T-correctie als sprake is van een instabiel zuiveringsproces, zolang maar aan het wettelijke vereiste in artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit is voldaan.
11. De heffingsambtenaar heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de beschikking T-correctie niet in strijd is met het Waterschapsbesluit of de belastingverordeningen. In artikel 6.12 van het Waterschapsbesluit staat niet dat het aannemelijk moet zijn dat de methode van bepaling van het CZV in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, maar dat het is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.
De heffingsambtenaar heeft verder aangevoerd dat eiseres haar onderzoek voor de
T-correctie, en daarmee de toepassing van de T-correctie, wilde beperken tot omstandigheden van een goed werkende zuivering. Op de aanvraag van eiseres is juist een beschikking gegeven mét grenswaarden voor een goed werkende en biologisch zuiverende waterzuivering, zodat niet op alle etmalen door onderzoek bepaald hoeft te worden wat de
T is uit de formule in onderdeel C.3 van bijlage I van de Verordening. Het stellen van grenswaarden heeft niet tot doel om géén T-correctie toe te passen, maar juist om met een (zeer) beperkte hoeveelheid onderzoek en beperkte kosten mogelijk te maken dat er wél een T-correctie toegepast kan worden. Dit is dan echter wel beperkt tot afvalwater dat voldoet aan de gestelde grenswaarden.
Ten slotte heeft de heffingsambtenaar zich op het standpunt gesteld dat schatten niet in deze procedure aan de orde kan komen. De bevoegdheid om te schatten heeft volgens artikel 122j van de Waterschapswet betrekking op het vaststellen van het aantal vervuilingseenheden. Of de aanslag geheel of gedeeltelijk door schatting moet worden vastgesteld kan volgens de heffingsambtenaar dan ook uitsluitend aan de orde worden gesteld in een procedure naar aanleiding van de aanslag en niet in een procedure over de beschikking T-correctie. Als deze beroepsgrond van eiseres wel inhoudelijk moet worden beoordeeld, meent de heffingsambtenaar dat het standpunt van eiseres onjuist is, omdat in artikel 6.12 van het Waterschapsbesluit niet staat dat het aannemelijk moet zijn dat de methode van bepaling van het CZV in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, maar dat het is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.
Als niet blijkt dat de methode, toegepast in afvalwater boven de grenswaarden, is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen en dus ook niet blijkt in welke mate dat het geval is, bestaat er volgens de heffingsambtenaar geen grondslag om te schatten. Immers, niet is gebleken dat voldaan is aan het wettelijk criterium van artikel 6.12 van het Waterschapsbesluit.
Het overschrijden van grenswaarden, zoals opgenomen in de beschikking T-correctie, levert volgens de heffingsambtenaar ook geen grondslag op om te schatten. Er is namelijk geen sprake van meting, bemonstering en analyse die niet of niet geheel is geschied in overeenstemming met de beschikking T-correctie. De beschikking T-correctie voorziet volgens de heffingsambtenaar juist in de omstandigheid dat T-correctie uitsluitend wordt toegepast onder omstandigheden die voldoen aan de grenswaarden, zodat voor omstandigheden die niet voldoen aan de grenswaarden geen meting, bemonstering en analyse hoeft plaats te vinden.
12. Voor de volledige weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar het beroepschrift, de aanvullende gronden en het verweerschrift.
Beoordeling door de rechtbank
13. Partijen verschillen er niet over van mening dat op eiseres de bewijslast rust ten aanzien van artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit. Wel is de zwaarte van de bewijslast tussen hen in geschil. Eiseres meent dat sprake moet zijn van ‘aannemelijk maken’, de heffingsambtenaar vindt dat sprake moet zijn van ‘blijken’.
14. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het de bedoeling van de nationale wetgever is geweest om in belastingwetten met betrekking tot het bewijs onderscheid te maken tussen ‘blijken’ en ‘aannemelijk zijn’ in die zin, dat het woord ‘blijken’ wordt gebruikt als bepaalde feiten overtuigend moeten worden aangetoond en van ‘aannemelijk zijn’ of ‘aannemelijk maken’ wordt gesproken als met een zwakkere vorm van bewijs kan worden volstaan. [3]
15. Anders dan de terminologie in bijvoorbeeld de door eiseres aangehaalde artikelen 122g en 122k van de Waterschapswet, volgt uit de tekst van artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit niet dat sprake moet zijn van een ‘(doen) blijken’. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres kan volstaan met het aannemelijk maken dat de uitkomst van de methode tot bepaling van het CZV in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.
Heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat de uitkomst van de methode tot bepaling van het CZV in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen?
16. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 10 is overwogen heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat gelet op opgedane ervaringen met afvalwaterstromen zoals die van eiseres, op grond van de oorsprong en samenstelling van het afvalwater, bij voorbaat aannemelijk is dat het CZV in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen. Eiseres heeft er vervolgens op gewezen dat in opdracht van haar in het heffingsjaar 2022 viermaal een onderzoek is uitgevoerd en dat uit deze onderzoeken is gebleken dat het CZV voor gemiddeld 96,4% bestaat uit stoffen die biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar niet heeft weersproken dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de methode tot bepaling van het CZV voor tenminste 25% is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.
De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden om te oordelen dat eiseres met dat wat zij heeft aangevoerd niet aan de aan haar opgelegde bewijslast heeft voldaan.
Is het bepaalde in het Protocol T-correctie in strijd met artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit?
17. De rechtbank overweegt dat in paragraaf 3.2.1 van het Protocol T-correctie is vermeld dat een goed werkend en zuiverend biologisch zuiveringsproces een nadere voorwaarde zou zijn voor toepassing van de T-correctie voor biologisch gezuiverd water en dat in de meetbeschikking de toepassing van de T-correctie ook zou dienen te worden gekoppeld aan (minimum en maximum) grenswaarden voor CZV, N-Kj en onopgeloste bestanddelen en/of bezinkbare bestanddelen. De absolute waarde van de grenswaarden is maatwerk, zo wordt vermeld, maar dient vastgesteld te worden op basis van de werkelijke effluentwaarden bij een goed werkende zuivering. Als niet aan de grenswaarden of voorwaarden wordt voldaan, mag de T-correctie volgens het Protocol niet worden toegepast en zal de vervuilingswaarde worden berekend op basis van de reguliere heffingsformule, aldus het beleid.
18. Naar het oordeel van de rechtbank is dit beleid kennelijk onredelijk voor zover daarin is bepaald dat, als niet aan de grenswaarden of andere nadere voorwaarden wordt voldaan, de T-correctie niet mag worden toegepast. Dit is in strijd met artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit, waarin immers is bepaald dat, als de uitkomst van de methode tot bepaling van het CZV in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, op die uitkomst een correctie wordt toegepast. De wetgever heeft naar het oordeel van de rechtbank in deze bepaling geen ruimte aan de heffingsambtenaar gelaten om verdergaande, beperkende voorwaarden of voorschriften te stellen. Daar komt bij dat in voormeld artikellid is bepaald dat het algemeen bestuur (van het waterschap) over de correctie nadere regels geeft bij belastingverordening. Deze nadere regels hadden dan ook in de belastingverordening moeten worden opgenomen en kunnen geen voorwaarden betreffen die het recht op toepassing van een correctie inperken.
19. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank deze paragraaf uit het Protocol
T-correctie dan ook als kennelijk onredelijk, want in strijd met artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit, buiten toepassing laten.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het beleid in het Protocol T-correctie voor het overige als kennelijk onredelijk buiten toepassing te laten.
20. De rechtbank is van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat aan het vereiste van artikel 6.12, vijfde lid, van het Waterschapsbesluit is voldaan en dat die bepaling niet de ruimte laat om op basis van nader te stellen voorwaarden dat recht in te perken. De heffingsambtenaar had gelet daarop een correctie moeten toepassen. Nu de heffingsambtenaar dat niet heeft gedaan dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd.
21. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de bestreden uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen.
De heffingsambtenaar zal worden opgedragen om met inachtneming van deze uitspaak opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen.
22. De rechtbank geeft in dit verband aan de heffingsambtenaar mee dat, in het geval de gestelde grenswaarden zijn overschreden en meetgegevens niet voorhanden zijn, naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 19, aanhef en onder d, van de Verordeningen 2021 en 2022 wel ruimte bestaat om tot schatting van het aantal vervuilingseenheden over te gaan. In artikel 19, aanhef en onder d, van de Verordeningen is immers bepaald dat de ambtenaar belast met de heffing het aantal vervuilingseenheden geheel of gedeeltelijk door middel van schatting kan vaststellen indien door de heffingsplichtige niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan het in artikel 9, 10 of 11 bedoelde besluit, waarbij in artikel 11, eerste lid, van de Verordeningen wordt gedoeld op de beschikking
T-correctie. Daarbij wordt opgemerkt dat de heffingsambtenaar bij de schatting rekening kan houden met de omstandigheid dat door eiseres om haar moverende redenen geen valide monsters zijn genomen en analyses zijn overgelegd.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen wegens strijd met het motiveringsbeginsel als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de heffingsambtenaar op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus), dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de heffingsambtenaar een nieuwe uitspraak op bezwaar moet doen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de heffingsambtenaar hiervoor twaalf weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
De rechtbank zal de heffingsambtenaar veroordelen in de kosten die eiseres voor deze procedure heeft moeten maken. Deze vergoeding wordt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 934, wegingsfactor 1).
Ook zal de heffingsambtenaar worden opgedragen om het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op binnen twaalf weken na de dag nadat de termijn om hoger
beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de
dag nadat daarop is beslist, een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming
van deze uitspraak;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 371 aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, en mr. L.M. Rijksen en
mr. B.S. Kats, leden, in aanwezigheid van H. Blekkenhorst, griffier.
griffier
de voorzitter is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Tekst per 1 januari 2023.
3.Zie voormeld arrest van de Hoge Raad van 27 januari 1971.