Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3363

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
C/08/347685 KG RK 26/230
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter in Wsnp-procedure ongegrond verklaard

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. Venekatte, de behandelend rechter in zijn Wsnp-verzoek, omdat hij vreesde dat zij een onjuist beeld van zijn persoon had door eigen onderzoek via Google. Verzoeker stelde dat dit onderzoek leidde tot een onterechte associatie met een rechtspersoon die in verband werd gebracht met dubieuze politieke donaties.

De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek tijdig was ingediend, ondanks dat het dertien dagen na de zitting werd ingediend, omdat verzoeker eerst overleg had met zijn advocaat. Inhoudelijk werd geoordeeld dat er geen concrete feiten of omstandigheden waren die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van mr. Venekatte konden rechtvaardigen.

De kamer stelde vast dat het gebruik van open bronnen door de rechter en het stellen van kritische vragen aan partijen binnen de procesorde valt, mits partijen de gelegenheid krijgen te reageren. Verzoeker had de gelegenheid gekregen om de associatie met de genoemde rechtspersoon te ontkennen, wat hij ook deed. Er was geen sprake van schending van hoor en wederhoor of een schijn van vooringenomenheid.

Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en is de beslissing onherroepelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. Venekatte is ongegrond verklaard wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK

Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: C/08/347685 KG RK 26/230
Beslissing van 16 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker]
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot wraking,
gemachtigde: mr. M.M. van der Marel

1.De procedure

1.1.
Bij e-mail van 3 mei 2026 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan van
mr. E. Venekatte, belast met de behandeling van zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, rekestnummer NL:TZ:26003251:R-RK (Wsnp-verzoek).
1.2.
De mondelinge behandeling van het Wnsp-verzoek heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. Van die behandeling is een proces-verbaal opgesteld. Na afloop van de behandeling heeft verzoeker op 20 april 2026 een e-mail gestuurd met aanvullende informatie. Op 3 mei 2026 heeft hij een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend bij de rechtbank.
1.3.
Mr. Venekatte heeft niet berust in de wraking en heeft op 6 mei 2026 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.
1.4.
Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 11 juni 2026 in het openbaar behandeld.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen: verzoeker, zijn advocaat mr. M.M. van der Marel via beeldverbinding en mr. Venekatte.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft, samengevat en voor zover relevant, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
2.2.
Verzoeker vreest dat mr. Venekatte bij de beoordeling van zijn Wsnp-verzoek wordt beïnvloed door een onjuist beeld van zijn persoon en rol. In het bijzonder stelt verzoeker dat zijn goede trouw daarmee blijkbaar als discutabel wordt gezien. Ter zitting heeft zij namelijk aan verzoeker een vraag gesteld over een mogelijk verband tussen hem en een B.V. die bovenkwam toen zij openbare bronnen (Google) raadpleegde. Deze B.V. wordt echter in verband gebracht met aanzienlijke en op zijn minst twijfelachtige politieke donaties aan een, vermeend corrupte, politieke partij. Verzoeker staat in geen enkel verband tot deze B.V. of politieke partij en verzet zich tegen iedere vorm van associatie met hen. Het is daarom ernstig dat mr. Venekatte via eigen Google-onderzoek een dergelijke onderneming naar voren haalt. Verzoeker weet verder niet welk verband zij heeft gezien, welke zoektermen zij heeft gebruikt en welke resultaten daarbij naar voren zijn gekomen, welke associaties dat bij haar heeft opgeroepen en in hoeverre dat haar beeld van verzoeker heeft beïnvloed. Ter zitting werd verzoeker hiermee geconfronteerd en overvallen, waardoor hij niet meteen kon reageren op de veronderstelde relatie en de reputatiegevoelige associatie. Door deze gang van zaken bestaat bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees dat zijn zaak niet meer onbevangen en onbevooroordeeld kan worden behandeld door mr. Venekatte.

3.Het standpunt van mr. Venekatte

3.1.
Mr. Venekatte stelt zich primair op het standpunt dat het wrakingsverzoek te laat is ingediend zonder verschoonbare reden. Als verzoeker aanleiding had gezien om te wraken door de gang van zaken op de zitting, dan had het op zijn weg gelegen dit ter zitting te doen of in de mail die hij direct na de zitting op 20 april naar de rechtbank heeft toegestuurd. Hij heeft echter pas twee weken later, een dag voordat de uitspraak gedaan zou worden, een wrakingsverzoek ingediend.
Subsidiair stelt mr. Venekatte zich op het standpunt dat er geen sprake is van omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat zij vooringenomen zou zijn, of dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Zij heeft verzoeker op geen enkele wijze in verband gebracht met de door hem corrupt bevonden partij. Hem is slechts de naam van een rechtspersoon voorgehouden die naar aanleiding van een onderzoek in open bronnen (Google) naar voren was gekomen en niet werd genoemd in het dossier. Verzoeker heeft betrokkenheid bij twintig rechtspersonen en de vraag is enkel gesteld om de omvang van het aantal betrokken rechtspersonen vast te stellen. Toen verzoeker de vraag naar zijn betrokkenheid negatief beantwoordde, was de kwestie daarmee afgedaan. Kwalificaties die verzoeker maakt bij de vraagstelling dienen voor zijn eigen rekening te blijven.

4.De beoordeling

Is het wrakingsverzoek te laat ingediend?

4.1.
Volgens artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure, direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede ‘zodra de feiten of omstandigheden (...) bekend zijn’ uit artikel 37, eerste lid, van Rv betekent dat een wrakingsverzoek dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is.
4.2.
De rechtbank constateert dat de aangevoerde feiten en omstandigheden voor de wraking verzoeker op 20 april 2026 ter zitting bekend zijn geworden. Verzoeker heeft vervolgens direct na de zitting een e-mail naar de rechtbank gestuurd waarin hij aanvullende informatie heeft ingediend naar aanleiding van het verhandelde ter zitting. Verzoeker heeft echter pas op 3 mei 2026 een wrakingsverzoek op grond van die feiten en omstandigheden ingediend. Verzoeker heeft het wrakingsverzoek dus dertien dagen later ingediend. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij zich ter zitting en direct erna niet realiseerde of overzag wat er was gebeurd en wat dat eventueel betekende voor eventuele vooringenomenheid van mr. Venekatte. Hij heeft zijn mail vervolgens doorgestuurd naar mr. Van der Marel, die hem er pas later op wees dat het met de door verzoeker geschetste gang van zaken zinvol was om een wrakingsverzoek in te dienen. Kort daarop heeft verzoeker het wrakingsverzoek ingediend.
4.3.
De wrakingskamer is van oordeel dat onder de door verzoeker geschetste omstandigheden – namelijk het overleg met zijn advocaat – de periode van twee weken kan worden gezien als een ‘korte tijd voor beraad’. Zijn wrakingsverzoek is daarmee tijdig ingediend.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of dat hij die indruk bij verzoeker heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij vooringenomen is.
4.5.
De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit de partijdigheid of vooringenomenheid van mr. Venekatte of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kunnen worden afgeleid. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.6.
De wrakingskamer stelt vast dat de inhoud van het proces-verbaal van de zitting niet ter discussie staat. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 april 2026 een goede en inhoudelijk correcte weergave is van hetgeen op die zitting is besproken. De wrakingskamer gaat daarom uit van de juistheid van het proces-verbaal.
4.7.
Mr. Venekatte heeft in het kader en ter voorbereiding op de mondelinge behandeling van het Wsnp-verzoek van verzoeker onderzoek in open bronnen (Google) gedaan door te ‘googelen’ op de naam van verzoeker. Als zoekresultaat kwam ook een rechtspersoon boven die, zo heeft de wrakingskamer uit het verhandelde ter zitting van 11 juni 2026 begrepen, niet in het Wsnp-dossier voorkwam. Blijkens het proces-verbaal heeft mr. Venekatte ter zitting aan verzoeker meegedeeld dat zij hem had gegoogeld en daarbij ook op die B.V. uit kwam, reden waarom zij hem specifiek heeft gevraagd of die B.V. ook van verzoeker was. Nadat verzoeker deze vraag ontkennend heeft geantwoord, is mr. Venekatte daar niet verder op doorgegaan.
4.8.
Naar de wrakingskamer het standpunt van verzoeker op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting begrijpt, komt zijn bezwaar er in de kern op neer dat geen sprake is geweest van een gelijkwaardig procesdebat en hoor en wederhoor doordat mr. Venekatte buiten het dossier om feitelijke informatie heeft verzameld die zij met hem associeerde en een en ander ter zitting aan hem heeft voorgehouden zonder bron, inhoud en context daarvan te vermelden, noch de betekenis die zij daaraan gaf.
4.9.
Naar het oordeel van de wrakingskamer staan de beginselen van een goede procesorde en meer in bijzonder het beginsel van hoor en wederhoor op zichzelf er niet aan in de weg dat een behandelend rechter ter zitting of mondelinge behandeling meldt dat deze ter voorbereiding een zogenoemde open bron als Google heeft geraadpleegd en met welk resultaat, en aansluitend een partij in de gelegenheid stelt daarop te reageren. Dit strookt ook met het uitgangspunt dat het een rechter vrij staat om in het kader van de behandeling van een zaak kritische vragen aan partijen te stellen. Verzoeker heeft dit in zijn toelichting ter zitting ook onderkend en daarbij benoemd dat de rechter zeker in een Wsnp-procedure ook vragen mag stellen over schulden, rechtspersonen, vermogen en bestuursleden.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt dat mr. Venekatte deze gedragslijn ten aanzien van verzoeker heeft gevolgd. In het licht van het voorliggende Wsnp-verzoek, waarbij naar voren komt dat verzoeker betrokken is (geweest) bij een groot aantal rechtspersonen, is dan eveneens begrijpelijk dat mr. Venekatte verzoeker vraagt of hij “ook” betrokken is bij een rechtspersoon die niet in het dossier wordt genoemd, maar wel boven kwam toen zij ter voorbereiding van de mondelinge behandeling van het Wsnp-verzoek de naam van verzoeker had gegoogled. Juist waar mr. Venekatte verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld daarop te reageren en na zijn ontkennende antwoord daarop niet heeft doorgevraagd, kan niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat de handelwijze van mr. Venekatte leidt tot een schending van beginselen van een goede procesorde, meer in het bijzonder het beginsel van hoor en wederhoor. Van feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden, is niet gebleken. Daarbij betrekt de wrakingskamer dat, feiten en omstandigheden die aanleiding zijn om te veronderstellen dat de hiervoor bedoelde rechtspersoon desondanks bij de oordeelsvorming een rol speelt, evenmin aannemelijk zijn geworden.
4.10.
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, komt de wrakingskamer tot de slotsom dat niet is gebleken van (een schijn van) vooringenomenheid of (een schijn van) partijdigheid. Het verzoek tot wraking zal daarom ongegrond worden verklaard.

5.De beslissing

De wrakingskamer verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. A. van Holten, voorzitter, F. Koster en
H. Manuel, leden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.P. Fortuin en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.