ECLI:NL:RBOVE:2026:3357

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
ak_25_1357
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.2 WhtArt. 2.3 WhtArt. 3:5 AwbArt. 6:98 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen aanvullende schadevergoeding kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin een aanvullende schadevergoeding voor de werkelijke schade als gevolg van institutionele vooringenomenheid bij de kinderopvangtoeslag is toegekend. De Dienst Toeslagen had eerder een primaire schadevergoeding toegekend, die na bezwaar werd verhoogd op basis van een advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS).

De rechtbank beoordeelt of de aanvullende schadevergoeding terecht is vastgesteld en of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de werkelijke schade hoger is dan het toegekende bedrag. De rechtbank volgt het advies van de CWS en het schadekader van 1 juli 2024, en concludeert dat de schadevergoeding correct is berekend. Diverse schadeposten, zoals immateriële schade, vervangende opvangkosten, inkomensschade, vermogensschade en juridische kosten, zijn afzonderlijk beoordeeld.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bepaalde schadeposten, zoals inkomensschade en vermogensschade, in causaal verband staan met de kinderopvangtoeslagproblemen. Ook is vastgesteld dat de immateriële schadevergoeding passend is en dat de vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, de beslissing op bezwaar blijft in stand en de Dienst Toeslagen wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanvullende schadevergoeding kinderopvangtoeslag wordt ongegrond verklaard; de Dienst Toeslagen heeft de schadevergoeding correct vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1357

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering,
en

Dienst Toeslagen,

gemachtigden: mr. S. Maachi en mr. F. Tarrahi.

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het verzoek van [eiser] om op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) een aanvullende schadevergoeding voor de werkelijke schade aan hem toe te kennen. De Dienst Toeslagen heeft aan [eiser] een aanvullende schadevergoeding toegekend en een vergoeding voor de kosten voor het voeren van de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). In de beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) is aan [eiser] een extra aanvullende schadevergoeding en een aanvullende vergoeding voor de kosten voor het voeren van de procedure bij de CWS toegekend.
[eiser] is het met de hoogte van de totale aanvullende schadevergoeding niet eens. Ter discussie staat met name of kosten die [eiser] opgeeft zoals gederfde inkomsten uit zijn bedrijf, in causaal verband staan tot het handelen van de Dienst Toeslagen. Ook andere schadeposten zijn volgens [eiser] ten onrechte geweigerd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvullende schadevergoeding tot de juiste hoogte heeft berekend. [eiser] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. [eiser] heeft een aanvraag ingediend voor een aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden schade ter hoogte van € 188.000 + PM.
1.1
De Dienst Toeslagen heeft met het besluit van 11 augustus 2023 (het primaire besluit) aan [eiser] een aanvullende schadevergoeding toegekend van € 11.110 en een vergoeding van € 2.040 voor de kosten voor het voeren van de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).
1.2
[eiser] heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
1.3
De Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit het primaire besluit herroepen en aan [eiser] een extra aanvullende schadevergoeding van € 7.878 en een aanvullende vergoeding van € 425 voor de kosten voor het voeren van de procedure bij de CWS toegekend. De Dienst Toeslagen heeft geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure aan [eiser] toegekend, omdat de wijziging niet voortvloeit uit de bezwaren van [eiser] maar wijzigingen in het beleid.
1.4
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
1.7
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Feiten

2. [eiser] en zijn (inmiddels ex-)partner hebben drie kinderen: [kind 1] (geboren op [geboortedatum 1] 2004), [kind 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2006) en [kind 3] (geboren op [geboortedatum 3] 2009). [eiser] en zijn ex-partner hebben in de jaren 2007 tot en met 2015 gebruik gemaakt van kinderopvang. De Dienst Toeslagen heeft voor deze jaren voorschotten op de kinderopvangtoeslag aan [eiser] verstrekt.
2.1
De Dienst Toeslagen heeft de kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 en 2012 tot en met 2015 van [eiser] teruggevorderd. [eiser] heeft over deze jaren in totaal, inclusief rente en kosten, een bedrag van € 51.661 aan de Dienst Toeslagen terugbetaald.
2.2
[eiser] heeft zich op 10 februari 2020 als gedupeerde bij de Dienst Toeslagen gemeld en een herbeoordeling gevraagd van de kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft met de beschikking van 18 januari 2022 vastgesteld dat ten aanzien van de toeslagjaren 2010, 2012, 2013, 2014 en 2015 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Aan [eiser] is een compensatie van € 89.510 toegekend. Deze compensatie is als volgt berekend:
  • het bedrag dat eerder moest worden terugbetaald of niet is gekregen € 49.062
  • vergoeding materiële schade € 12.268
  • de door [eiser] betaalde rente en kosten € 2.632
  • vergoeding immateriële schade € 8.500
  • rentevergoeding over de gemiste kinderopvangtoeslag € 16.161
-----------
subtotaal € 88.623
- aanvullende vergoeding 1% van het subtotaal € 887
-----------
totaal € 89.510
De Dienst Toeslagen heeft in een separaat besluit ook het toeslagjaar 2011 integraal beoordeeld, maar heeft geconcludeerd dat in dit jaar geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. [eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarop door de Dienst Toeslagen nog niet is beslist.
2.3
[eiser] heeft op 23 maart 2022 een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij de CWS. Hij heeft verzocht om de volgende aanvullende schadevergoeding:
I. immateriële schade pm
II. materiële schade
1. vervangende opvangkosten (kosten oma als gastouder) € 30.000
2. reiskosten € 20.200
3. kosten vrije dagen € 300
4. inkomensschade > € 100.000
5. vermogensschade (noodgedwongen verkoop auto) € 12.500
6. rentekosten en voorlopige aanslagen pm
III. vergoeding juridische bijstand € 62.653,75
IV. kosten dwanginvordering € 25.000
2.4
De CWS heeft op 19 juli 2023 aan de Dienst Toeslagen geadviseerd om aan [eiser] een aanvullende schadevergoeding van € 11.110 toe te kennen in verband met de problemen met de kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 en 2012 tot en met 2015. Deze vergoeding is als volgt berekend:
I. immateriële schade € 19.500
II. materiële schade
1. vervangende opvangkosten € 0
2. reiskosten € 0
3. kosten vrije dagen (drie dagdelen) € 225 [1]
4. inkomensschade € 0
5. vermogensschade verkoop auto € 0
6. rentekosten en voorlopige aanslagen € 0
III. vergoeding juridische bijstand: kosten procedure CWS + vrije dag € 2.025 [2]
vergoeding overige juridische bijstand € 0
IV. kosten dwanginvordering € 0
V. 1 % verhoging € 110
2.5
De Dienst Toeslagen heeft met het primaire besluit het advies van de CWS overgenomen en aan [eiser] een aanvullende schadevergoeding van € 11.110 toegekend. [3] Verder zijn de kosten voor de procedure bij de CWS vergoed tot een bedrag van € 2.040.
2.6
[eiser] heeft op 24 augustus 2023 zelf bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en dit bezwaar op een later moment aangevuld.
2.7
De hoorzitting bij de Bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) heeft op 8 oktober 2024 plaatsgevonden. [eiser] heeft zich tijdens de hoorzitting laten bijstaan door mr. J.R.R. Oevering.
2.8
De BAC heeft op 24 december 2024 een advies aan de Dienst Toeslagen uitgebracht. De BAC heeft de Dienst Toeslagen geadviseerd om, mede gelet op het nieuwe Schadekader van de CWS per 1 juli 2024, aan [eiser] een aanvullende schadevergoeding van € 7.800 toe te kennen. Verder is geadviseerd om vanwege het voeren van de CWS-procedure een vergoeding van € 425 toe te kennen en vanwege de bezwaarprocedure een vergoeding voor de proceskosten toe te kennen ter hoogte van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
2.9
De Dienst Toeslagen heeft met het bestreden besluit het primaire besluit herroepen en aan [eiser] een extra aanvullende schadevergoeding van € 8.303 toegekend. Voor de motivering van deze beslissing op bezwaar is verwezen naar het advies van de BAC. Waar het advies van de BAC niet is gevolgd, is dit in het besluit op bezwaar gemotiveerd.
De aanvullende schadevergoeding is als volgt berekend:
  • aanvullende vergoeding voor immateriële schade € 7.800
  • aanvullende vergoeding van 1% € 78
  • aanvullende vergoeding voor het (door [eiser] ) voeren van de
CWS-procedure € 425
---------
totaal € 8.303

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop dat zij goed begrijpt dat [eiser] veel spanning en frustratie heeft ervaren door de handelwijze van de Dienst Toeslagen. [eiser] heeft erop gewezen dat hij en zijn kinderen als gevolg van de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag in een uitzonderlijk moeilijke situatie terecht zijn gekomen en veel pijn en verdriet hebben ervaren.
4. In het navolgende zal de rechtbank beoordelen of de Dienst Toeslagen de aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden schade niet te laag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser] .
5. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 september 2023 [4] overweegt de rechtbank het volgende.
5.1
Een aanvrager van kinderopvangtoeslag heeft op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht in beginsel recht op door hem aangevraagde compensatie in twee situaties. De eerste is als hij schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. De tweede is als hij schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de uitvoeringsbepalingen daarvan hebben geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijk systeem. De hoogte van het bedrag van de compensatie volgt vervolgens uit artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
5.2
De vergoeding kan hoger worden als de werkelijke schade die de aanvrager heeft geleden hoger is dan het bedrag dat hij heeft ontvangen als compensatie, als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid, van de Wht. De aanvrager van de compensatie hoeft zijn schade niet te bewijzen, maar moet wel aannemelijk en concreet maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade het toegekende compensatiebedrag te boven gaat. Als hij daarin slaagt heeft hij op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht in beginsel recht op door hem aangevraagde aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. De Dienst Toeslagen dient bij zijn besluit op de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade aansluiting te zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Hetzelfde geldt voor de bestuursrechter bij de toetsing van een dergelijk besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen de Dienst Toeslagen en de aanvrager in geschil is.
5.3
Het hierboven genoemde recht op compensatie en aanvullende compensatie voor de werkelijke schade is niet afhankelijk van het al dan niet vastgesteld zijn van de onrechtmatigheid van besluiten die voortkomen uit de institutionele vooringenomenheid of de hardheid, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Dat brengt mee dat de schade die de aanvrager heeft geleden als gevolg van dergelijke besluiten, ook als die in rechte onaantastbaar zijn geworden, door de Dienst Toeslagen vergoed dient te worden, behoudens de beperkingen die in artikel 2.1 van de Wht zijn neergelegd.
Standpunt [eiser]
6. [eiser] heeft zich in het beroepschrift en de aanvullende gronden gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de werkelijke schade hoger is. De Dienst Toeslagen heeft de aanvullende schadevergoeding volgens hem dan ook te laag vastgesteld.
Het toetsingskader
7. In artikel 2.1, derde lid, van de Wht is bepaald dat aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid, door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade wordt toegekend.
7.1
In artikel 6:98 van Pro het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
8. De rechtbank overweegt dat de werkelijke schade, als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht, schade betreft die een aanvrager van kinderopvangtoeslag heeft geleden door de institutionele vooringenomenheid of door de hardheid als bedoeld in die bepaling. De Dienst Toeslagen heeft te kennen gegeven dat in het geval van [eiser] in de jaren 2010 en 2012 tot en met 2015 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, die werd gevormd door de kinderopvangtoeslagbesluiten. Dat betekent dat alleen de schade die het gevolg is van deze besluiten op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht, onder voorwaarden voor vergoeding in aanmerking komt.
9. Het is aan [eiser] om aannemelijk te maken dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de problemen rondom de kinderopvangtoeslag.
Het schadekader van de CWS
10. De Dienst Toeslagen heeft het in deze beroepsprocedure te beoordelen besluit genomen op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht. In dat kader is de CWS aangewezen als adviserende commissie. [5] Aan de CWS is onder meer de taak opgedragen om schadebeoordelingskaders ten behoeve van haar adviestaak op te stellen en aan te passen. [6] Het opgestelde schadekader CWS is daarom terecht door de Dienst Toeslagen, in navolging van het advies van de CWS, in het bestreden besluit gehanteerd.
11. Het schadekader, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold, is neergelegd in ‘De werkwijze en het schadekader van de Commissie Werkelijke Schade’ (het Schadekader), zoals dit per 1 juli 2024 gold. [7] In dit document is aangegeven hoe de immateriële schade en materiële schade wordt berekend aan de hand van diverse bouwstenen en kostenposten.
Heeft de Dienst Toeslagen zich mogen baseren op het advies van de CWS?
12. De Dienst Toeslagen heeft de aanvullende werkelijke schadevergoeding gebaseerd op het advies van de CWS. Het advies van de CWS is een deskundigenadvies als bedoeld in artikel 3:5 van Pro de Awb. [8] Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter [9] mag een bestuursorgaan afgaan op een door een deskundige uitgebracht advies, nadat het bestuursorgaan is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
Als een belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur om een reactie op wat de belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.
13. [eiser] voert aan dat uit correspondentie tussen de Belastingdienst, de CWS, de Dienst Toeslagen en andere instanties blijkt dat jegens hem sprake is geweest van ernstige vooringenomenheid en partijdigheid. [eiser] heeft deze correspondentie en rapporten, zoals die door de Belastingdienst in het kader van het boekenonderzoek en het verstrekken van de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem zijn gezonden, in deze procedure overgelegd.
14. De rechtbank is van oordeel dat het advies van de CWS voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat de Dienst Toeslagen de besluitvorming daarop mocht baseren. Het advies, dat is gebaseerd op de door [eiser] verstrekte gegevens, is naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, inzichtelijk gemotiveerd en navolgbaar.
14.1
De rechtbank ziet in wat [eiser] heeft aangevoerd en overgelegd, geen concrete aanknopingspunten die twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de daarin gevolgde redeneringen of het aansluiten van de conclusies daarop, rechtvaardigen. De rechtbank acht daarbij van belang dat het memo van de Belastingdienst van 3 oktober 2023, waarin wordt gerefereerd aan telefonische contacten met de secretaris van de CWS op 4 juli 2023 en 3 oktober 2023, dateert van ná het CWS- advies van juli 2023 en dat in dit memo door de medewerker van de Belastingdienst is verwoord dat het telefonische contact van 4 juli 2023 geen invloed heeft gehad op de CWS-uitspraak [de rechtbank leest: het CWS-advies] en dat de CWS de uitspraak heeft gedaan [de rechtbank leest: het advies heeft gegeven] op basis van de feiten.
De rechtbank ziet in het advies van de BAC ook geen aanknopingspunten dat de BAC in haar advies vooringenomenheid of partijdigheid jegens [eiser] door de CWS heeft aangenomen.
15. In het navolgende hanteert de rechtbank bij de beoordeling van de gronden van [eiser] de structuur van het Schadekader van de CWS per 1 juli 2024. Daarbij zal eerst per schadepost de beroepsgrond van [eiser] worden weergegeven, waarna het oordeel van de rechtbank volgt.

Immateriële schade

16. [eiser] voert gemotiveerd aan dat aan hem een hogere immateriële schadevergoeding moet worden toegekend.
17. De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen de immateriële schadevergoeding als volgt heeft toegekend:
  • besluit integrale beoordeling 18 januari 2022 € 8.500
  • primaire besluit CWS: € 19.500 -/- € 8.500, aanvullend € 11.000 + 1%
  • beslissing op bezwaar: aanvullend € 7.800 + 1%
o bouwsteen A: € 6.000
o bouwsteen B: € 6.750
o bouwsteen C: € 1.000
o bouwsteen E: € 13.500
-----------
totaal € 27.300
Daarbij heeft de Dienst Toeslagen in het bestreden besluit ambtshalve getoetst aan het Schadekader van de CWS, zoals dit per 1 juli 2024 geldt, en de immateriële schadevergoeding naar aanleiding van dit schadekader verhoogd. Van het totaalbedrag is een bedrag van € 8.500 al als immateriële schadevergoeding in de definitieve beschikking van 18 januari 2022 in het kader van de integrale beoordeling toegekend en uitbetaald en is in het primaire besluit door het CWS al geadviseerd om aan [eiser] een aanvullende immateriële schadevergoeding van € 11.000 uit te betalen.
De rechtbank stelt verder vast dat [eiser] het Schadekader niet heeft betwist.
Bouwsteen A: aantasting in de persoon, van de eer en de goede naam
18. [eiser] voert aan dat de Dienst Toeslagen naast de aspecten van de dwanginvordering en de stress en het verdriet als gevolg daarvan, ook rekening moet houden met de aspecten van de invordering van de kinderopvangschuld tijdens de bezwaar- en/of beroepsprocedure, een aangetast gevoel van eigenwaarde en de impact op de relatie.
19. De rechtbank overweegt dat [eiser] deze bouwsteen alleen concreet heeft gemaakt ten aanzien van de impact op de relatie. Zo heeft [eiser] aangevoerd dat hij en zijn vrouw in februari 2023 zijn gescheiden. Daargelaten dat de scheiding ruim vier jaren na de laatste terugbetalingen van de kinderopvangtoeslag heeft plaatsgevonden, heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat de scheiding het gevolg is geweest van de problemen rondom de kinderopvangtoeslag en dat ten aanzien van deze bouwsteen nog een aanvullende schadevergoeding moet worden toegekend.
Bouwsteen B: gezinssamenstelling
20. [eiser] voert aan dat ook de drie kinderen in het gezin in meer of mindere mate emotioneel leed hebben ervaren als gevolg van de kinderopvangtoeslagproblemen. [eiser] heeft gewezen op de materiële en sociale impact van de kinderopvangtoeslagproblemen. Hij meent dat een bedrag van € 3.000 per kind, dus in totaal € 9.000, passend is.
21. De rechtbank overweegt dat blijkens het Schadekader ervan uit wordt gegaan dat ook de kinderen in het gezin in meer of mindere mate emotioneel leed hebben ervaren als gevolg van de problemen met de kinderopvangtoeslag en dat daaraan door de CWS een bedrag tussen € 1.500 en € 3.000 aan wordt verbonden. Uit het BAC-advies volgt dat voor deze bouwsteen een totale vergoeding van € 6.750 wordt toegekend, wat neerkomt op
€ 2.250 per kind. Eerst in het verweerschrift heeft de Dienst Toeslagen gemotiveerd dat bij deze bouwsteen is uitgegaan van het gemiddelde van de bandbreedte en dat dit bedrag als standaardbedrag per kind is toegekend. Namens de Dienst Toeslagen is daar ter zitting aan toegevoegd dat niet wordt gemotiveerd waarom niet van de standaard toekenning wordt afgeweken. Verder heeft de Dienst Toeslagen in het verweerschrift gemotiveerd dat een materiële impact, eventuele jeugdbeschermingsmaatregelen of dak- en thuisloosheid van de kinderen wel tot de maximale toekenning van € 3.000 per kind zou hebben kunnen leiden, maar dat daarvan in het geval van de kinderen van [eiser] niet is gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen voldoende gemotiveerd waarom voor deze bouwsteen niet het maximale bedrag van € 3.000 per kind aan immateriële schadevergoeding is toegekend. [eiser] heeft ook niet aannemelijk gemaakt waarom de immateriële schadevergoeding hoger moet worden vastgesteld dan het standaardbedrag van € 2.250 per kind.
Bouwsteen C: het inkomen van de ouders in relatie tot de teruggevorderde kinderopvangtoeslag
22. [eiser] voert aan dat de teruggevorderde kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 en 2012 tot en met 2015 ongeveer 40% van het bruto jaarinkomen over deze jaren is geweest. Over het netto jaarinkomen is dat verhoudingsgewijs nog hoger geweest (ca. 60 tot 80%). [eiser] meent dat de maximum schadevergoeding van € 3.000 voor deze bouwsteen voor vergoeding in aanmerking komt.
23. De rechtbank overweegt dat volgens het Schadekader de hoogte van deze immateriële schadepost wordt berekend door de totaal teruggevorderde kinderopvangtoeslag te delen door het totale (gezamenlijke) jaarinkomen in het confrontatiejaar/de confrontatiejaren en dat, afhankelijk van de uitkomst, het bedrag kan variëren van € 500 tot € 3.000. Uit het BAC-advies volgt dat voor deze berekening (op grond van het Schadekader per 1 juli 2024) is uitgegaan van de verhouding tussen de teruggevorderde kinderopvangtoeslag van (in totaal) € 54.141 en het gezamenlijke bruto jaarinkomen van
€ 138.019, wat neerkomt op ongeveer 40%. Het aldus berekende bedrag van € 700 aan immateriële schadevergoeding is afgerond op € 1.000. [eiser] heeft ter zitting weliswaar gesteld dat de berekening niet juist is geweest vanwege de neerwaartse bijstelling van het totale jaarinkomen op een later moment, maar heeft dit niet nader onderbouwd. De rechtbank acht in dit kader ook van belang dat namens de Dienst Toeslagen ter zitting is verklaard dat voor deze berekening is uitgegaan van de door [eiser] zelf verstrekte informatie. [eiser] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de immateriële schade op dit punt groter is dan waarvan bij de berekening is uitgegaan.
Bouwsteen D: onterecht geen recht op kinderopvangtoeslag
24. [eiser] voert aan dat, als de materiële schade voor de vervangende opvangkosten niet voor vergoeding in aanmerking komt, deze immateriële schadepost moet worden vergoed vanaf het jaar 2016 voor de twee jongste kinderen.
25. De rechtbank overweegt dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem in 2016 onterecht geen kinderopvangtoeslag is toegekend terwijl daar wel recht op zou zijn. Uit de dossierstukken volgt dat [eiser] voor 2016 niet zelf de kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, maar dat dat op naam van zijn ex-partner is gebeurd, en dat wel kinderopvangtoeslag aan de ex-partner is toegekend, maar tot een lager bedrag dan waarom was verzocht. Daar komt bij dat de Dienst Toeslagen het jaar 2016 niet heeft aangemerkt als jaar waarin jegens [eiser] sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.
Voor een vergoeding van immateriële schade ten aanzien van dit aspect bestaat dan ook geen aanleiding.
Bouwsteen E: de stressvolle jaren vanaf de eerste negatieve kinderopvangtoeslag-beschikking
26. [eiser] voert aan dat de eerste negatieve beschikkingen kinderopvangtoeslag dateren van 25 februari 2010 en 21 mei 2012. De immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot aan de uitspraak in de hoofdzaak moet vergoed worden. Volgens [eiser] is de startdatum onjuist.
27. De rechtbank stelt vast dat de CWS in het advies van 19 juli 2023 aan de Dienst Toeslagen heeft geadviseerd om voor de periode van 25 september 2013 tot aan de datum van het CWS-advies een immateriële schadevergoeding toe te kennen van (20 halve jaren x € 500 =) € 10.000. Verder wordt vastgesteld dat de BAC in het advies aan de Dienst Toeslagen adviseert om voor de berekening van de immateriële schadevergoeding uit te gaan van de periode 25 februari 2010 (de datum van de eerste neerwaartse bijstelling van de kinderopvangtoeslag) tot en met 19 juli 2023 (de datum van het CWS-advies) en de immateriële schadevergoeding aldus te berekenen op (27 halve jaren x € 500 =) € 13.500. De Dienst Toeslagen heeft het advies op dit punt gevolgd. Nu voor de berekening van het bedrag aan immateriële schadevergoeding op basis van deze bouwsteen is uitgegaan van de datum van de eerste neerwaartse bijstelling van de kinderopvangtoeslag als startdatum voor de berekening, is de rechtbank van oordeel dat dit aspect van de immateriële schadevergoeding op de juiste hoogte is vastgesteld.

Materiële schadevergoeding

Vervangende opvangkosten
28. [eiser] voert aan dat voor de jaren 2016 tot en met 2021 gebruik is gemaakt van vervangende opvang voor de twee jongste kinderen door zijn schoonmoeder. Hij en zijn ex-partner werkten in die periode fulltime. Aan de schoonmoeder is € 75 per week betaald voor de opvang. Waar in het verzoek aan de CWS om een vergoeding van € 30.000 is gevraagd, wordt dit in beroep gewijzigd naar € 18.750. Er is voor de jaren 2016 tot en met 2020 minder kinderopvangtoeslag aangevraagd uit vrees dat dit weer terugbetaald zou moeten worden.
29. De rechtbank neemt aan dat [eiser] en zijn ex-partner fulltime werkten en dat zij opvang door derden nodig hadden. Dat [eiser] gebruik heeft gemaakt van kinderopvang voor zijn kinderen is op zichzelf dus geen gevolg van de kinderopvangtoeslagbesluiten. Als [eiser] kosten voor kinderopvang heeft gemaakt, maar als gevolg van de kinderopvangtoeslagbesluiten geen (of minder) kinderopvangtoeslag voor 2016 tot en met 2020 heeft aangevraagd en daar - naar huidige maatstaven - wel recht op zou hebben gehad, komen die kosten voor vergoeding in aanmerking tot het bedrag waarop recht bestond op kinderopvangtoeslag in die jaren. Daarvoor is wel vereist dat [eiser] gegevens aanlevert over de opvang waarvan hij en zijn ex-partner in die jaren gebruik hebben gemaakt en de kosten die zij daarvoor hebben gemaakt. Dat bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag in het verleden fouten zijn gemaakt, betekent niet dat de kosten voor kinderopvang in het geheel niet onderbouwd hoeven te worden voor een aanspraak op kinderopvangtoeslag. De rechtbank wijst in dit kader ook op rechtsoverweging 18.2 van de eerder al genoemde uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] de gestelde schade van (thans in beroep) € 18.750 niet aannemelijk heeft gemaakt. Hij heeft deze schade niet met betaalbewijzen of op een andere wijze onderbouwd. Dit heeft hij in het beroepschrift ook erkend. Dat voor deze jaren minder kinderopvangtoeslag is aangevraagd is wel gesteld, maar niet onderbouwd.
Vermogensschade verkoop auto en reiskosten
30.1
[eiser] voert aan dat hij de zakelijke auto eerder heeft moeten verkopen dan de bedoeling was. Hij heeft daardoor een vermogensverlies van € 5.000 geleden. Deze auto is in 2019 verkocht voor € 12.500, terwijl de marktwaarde toen € 17.500 bedroeg. De vermeende en onterechte kinderopvangtoeslagschuld is in 2018 afbetaald. De auto is in 2019 verkocht toen duidelijk werd dat er een hoge belastingclaim zou volgen voor de inkomstenbelasting en btw. Daarnaast liepen er al betalingsverplichtingen. Het is volgens [eiser] aannemelijk dat de verkoop van de auto het gevolg is van de problemen rond de kinderopvangtoeslag.
30.2
[eiser] voert verder aan dat er gedurende vijf jaren vanaf de terugvordering van de kinderopvangtoeslag reiskosten zijn gemaakt als gevolg van de verkoop van de auto vanwege de problemen rond de kinderopvangtoeslag. De reiskosten zien op het door [eiser] reizen met het openbaar vervoer naar zijn kantoor (in Heerenveen) en op het reizen met het openbaar vervoer door zijn ex-partner naar een sportaccommodatie. Verder heeft [eiser] kosten gemaakt voor het reizen met een huurauto naar zijn kantoor en voor brandstoftoeslag. Ten slotte heeft de partner voor overige reizen gebruik gemaakt van het openbaar vervoer.
31.1
De rechtbank overweegt ten aanzien van de verkoop van de zakelijke (en voor het gezin tweede) auto dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in privé een vermogensschade van € 5.000 heeft geleden. [eiser] heeft wel gesteld dat de auto ten tijde van de verkoop in november 2019 een marktwaarde van € 17.500 had, maar heeft dit niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat de auto op naam van het bedrijf van [eiser] stond en alleen zakelijk mocht worden gebruikt. Het vermogen van het bedrijf is naar het oordeel van de rechtbank niet één op één gelijk te stellen met het privévermogen van [eiser] .
Voor zover al zou moeten worden uitgegaan van schade, dan heeft [eiser] het causaal verband tussen de verkoop van de auto en de kinderopvangtoeslagproblemen niet aannemelijk gemaakt. Zo waren de terugbetalingen als gevolg van de terugvorderingen kinderopvangtoeslag in het najaar van 2018 al afgerond, terwijl [eiser] de zakelijke auto eerst in november 2019 heeft verkocht. Uit het aangevoerde in beroepschrift lijkt te volgen dat de verkoop van de zakelijke auto niet het gevolg is geweest van de problemen rond de kinderopvangtoeslag, maar is ingegeven door een mogelijke hoge belastingclaim voor de inkomstenbelasting en btw. Op het causaal verband tussen de problemen rond de kinderopvangtoeslag en een mogelijke hoge belastingclaim voor de inkomstenbelasting en btw gaat de rechtbank hierna nader in.
31.2
Voor wat betreft de reiskosten overweegt de rechtbank dat deze kosten blijkbaar het gevolg zijn geweest van de verkoop van voormelde zakelijke auto, die ook alleen zakelijk mocht worden gebruikt. De reiskosten die [eiser] daardoor in privé heeft moeten maken, kunnen niet als schade worden aangemerkt. Daar komt bij dat evenmin aannemelijk is geworden dat deze kosten het gevolg zijn van de kinderopvangproblematiek.
Inkomensschade
32. [eiser] voert aan dat hij schade heeft geleden, omdat hij door de problemen rond de kinderopvangtoeslag niet genoeg inkomen uit zijn bedrijf heeft kunnen halen. In 2011 heeft hij [bedrijf] B.V. opgericht. Daarna heeft hij zich ingekocht in het franchiseconcept Finovion. Hij heeft daarvoor een behoorlijke schuld met Finovion moeten aangaan. Als startende ondernemer waren het voor [eiser] na de kredietcrisis zware tijden. De teruggevorderde kinderopvangtoeslagen kwamen daar nog bij. Vanwege deze terugvorderingen heeft [eiser] veel geld aan het bedrijf moeten onttrekken. Daardoor was er geen groei mogelijk en kon ook geen personeel worden aangetrokken. Hij heeft veel extra moeten werken en daardoor minder inkomen genoten. Er is geen vertraging geweest in verplichtingen. [eiser] heeft getracht om financiële tegenvallers op te vangen door onder meer teruggaven te vragen, behoudende aangiften te doen en schulden met derden aan te gaan. Alles is aangegrepen om de kosten in privé te kunnen betalen.
[eiser] voert verder aan dat er een causaal verband is tussen het doen van de onjuiste aangiften omzetbelasting in de jaren 2014 tot en met 2017 en de terugvordering van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 en 2012 tot en met 2015. Zo volgt uit de door hem overgelegde tijdlijn van de betalingen dat er een samenhang is tussen de hoogte van de terugvorderingen kinderopvangtoeslag en de te weinig afgedragen omzetbelasting.
33. De rechtbank overweegt dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van de problemen rondom de kinderopvangtoeslag inkomensschade heeft geleden. Zo heeft [eiser] ten aanzien van deze schadepost in het door hem zelf ingediende bezwaarschrift aangevoerd dat de eenmanszaak in de eerste jaren negatieve resultaten had en wat daarvan de oorzaken waren. Die oorzaken waren onder meer te vinden in de hoge inleg bij de inkoop in de franchiseformule, die in vijf jaren moest worden afgeschreven, een hoge omzetafdracht waarvan in de eerste vijf jaren van de franchiseformule sprake was en investeringen in kantoorinventaris en -apparatuur, dat ook in meestal vijf jaren wordt afgeschreven. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank echter geen causaal verband met de terugvorderingen kinderopvangtoeslag vanaf het najaar 2014.
Ook de door [eiser] bij de CWS aangedragen omstandigheden dat er een grote financiële druk was op zijn onderneming vanwege onder meer de gelden die moesten worden betaald aan de Belastingdienst vanwege privégebruik van de auto van de eenmanszaak, een volgens [eiser] onjuiste aangifte inkomstenbelasting, abonnementen die een grillig verloop kenden en het afscheid van twee medewerkers laten naar het oordeel van de rechtbank geen causaal verband zien met de problemen rond de kinderopvangtoeslag. Als deze oorzaken al tot inkomensschade voor [eiser] hebben geleid, is het onvoldoende aannemelijk geworden dat deze materiele schadeposten aan de problemen rond de kinderopvangtoeslag kunnen worden toegerekend.
De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat er een causaal verband is tussen de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag en de onjuist gedane aangiften omzetbelasting. Uit de dossierstukken komt naar voren – en dit volgt ook uit de strafrechtelijke vonnissen in eerste aanleg en in hoger beroep - dat [eiser] vanaf 1 april 2014 (voor het eerste kwartaal 2014) onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan en daar tot in ieder geval 31 januari 2018 (voor het laatste kwartaal 2017) mee is doorgegaan, dit terwijl de Dienst Toeslagen niet eerder dan in het najaar van 2014 is gestart met het daadwerkelijke terugvorderen van de te veel uitbetaalde kinderopvangtoeslag. Daar komt bij dat voor een bedrag van ongeveer € 106.000 aan onjuiste aangiften omzetbelasting is gedaan, terwijl de totale terugvordering van de kinderopvangtoeslag inclusief rente en kosten ongeveer bijna € 52.000 heeft bedragen. De rechtbank constateert dat het bedrag dat met de onjuiste aangiften omzetbelasting is gemoeid het dubbele is van het totale bedrag aan terugvorderingen kinderopvangtoeslag, rente en kosten. De rechtbank houdt het ervoor dat de redenen voor de onjuiste aangiften omzetbelasting niet alleen gelegen kunnen zijn geweest in de hoogte van de terugvorderingen kinderopvangtoeslag voor de jaren 2010 en 2012 tot en met 2015, maar bijvoorbeeld ook in de financiële situatie van het bedrijf van eiser in de betreffende jaren.
Uit de dossierstukken wordt verder duidelijk dat er in de periode vanaf 2011 tot 2018 op het financiële vlak meer heeft gespeeld dan alleen de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag. [eiser] heeft zelf al benoemd dat hij in 2011 zijn bedrijf is opgestart en dat het bedrijf in het begin moeizame jaren kende. Uit de door [eiser] zelf verstrekte cijfers volgt dat in de jaren 2011 tot en met 2014 een negatief resultaat werd behaald en dat de eenmanszaak van [eiser] eerst in 2015 positieve resultaten liet zien. Over de bewust onjuist gedane aangiften omzetbelasting heeft [eiser] tijdens een gehoor bij de FIOD in februari 2021 verklaard dat er meerdere redenen waren om dit te doen. Van de in het rapport vermelde redenen ziet er één op het terugbetalen van de kinderopvangtoeslag. De overige redenen zien op een aantal privé-aspecten, anders dan de kinderopvangtoeslag, en het bedrijf van [eiser] . Kortom is de rechtbank van oordeel dat als [eiser] al schade heeft geleden doordat hij minder inkomsten heeft kunnen halen uit zijn bedrijf, hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat die schade het gevolg is van de kinderopvangtoeslagproblemen.
Vrije dagen
34. [eiser] voert aan dat hij in totaal acht dagdelen vrij heeft moeten nemen voor onder meer gesprekken met zijn advocaat, de Belastingdienst en de officier van justitie. De Dienst Toeslagen heeft het aannemelijk gevonden dat vier dagdelen zien op het regelen van zaken rondom de kinderopvangtoeslagproblemen en heeft deze vier dagdelen ook vergoed. Ook de andere vier dagdelen komen echter voor vergoeding in aanmerking. Het is aannemelijk dat de gesprekken met de Belastingdienst en de officier van justitie het rechtstreekse gevolg zijn geweest van de problemen met de kinderopvangtoeslag.
35. De rechtbank overweegt dat de vrije dagen die [eiser] heeft moeten opnemen voor het bijwonen van gesprekken bij de Belastingdienst en de officier van justitie het gevolg van zijn van de door hem onjuist gedane aangiften omzetbelasting. De kosten die met het opnemen van deze vrije dagen zijn gemoeid, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid worden toegerekend aan de problemen rond de kinderopvangtoeslag, omdat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan. De Dienst Toeslagen heeft dan ook niet tot vergoeding van deze vrije dagen hoeven overgaan.
Rentekosten en voorlopige aanslagen
36. [eiser] voert aan dat bij het terugbetalen van de kinderopvangtoeslagen in
24 maanden en ook bij het uitstel van betalingen van de (voorlopige) aanslagen inkomstenbelasting rente moest worden betaald, waardoor het uiteindelijke bedrag structureel een stuk hoger werd. De opeenstapeling van aanslagen heeft ertoe geleid dat er in termijnen werd terugbetaald en dat is geprobeerd om regelingen te treffen. Dat heeft ertoe geleid dat er rente en kosten in rekening zijn gebracht. Er is een causaal verband tussen de rente, kosten en dwanginvordering voor de inkomstenbelasting en Zorgverzekeringswet enerzijds en de kinderopvangtoeslagproblemen anderzijds. Het ene potje moest met het andere potje worden verrekend. Er zijn ook extra rente, boeten en kosten voor de dwanginvordering betaald voor de inkomstenbelasting. Dat was het directe gevolg van de slechte financiële situatie door het niet uitbetalen van de kinderopvangtoeslag en de verrekeningen en terugbetalingen.
37. De rechtbank overweegt in dit kader dat het teruggevorderde bedrag aan kinderopvangtoeslag inclusief rente volledig is gecompenseerd met de vergoeding die [eiser] heeft ontvangen op basis van de definitieve compensatiebeschikking. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij verdere schade heeft geleden vanwege rentekosten door het terugbetalen van de kinderopvangtoeslag. [eiser] heeft ook geen concrete informatie verstrekt over de (voorlopige) aanslagen inkomstenbelasting en de rente en kosten die daarbij aan hem in rekening zijn gebracht en waarvoor hij om een vergoeding vraagt. [eiser] heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de kinderopvangtoeslagproblemen schade heeft geleden die niet al in de definitieve compensatiebeschikking is vergoed en wat de hoogte van die vermeende schade is.
Vergoeding juridische bijstand
38. [eiser] voert aan dat hij kosten voor juridische bijstand heeft moeten maken. Naast de kosten die zien op de procedure bij de CWS heeft hij ook kosten moeten maken voor de procedures bij de Belastingdienst (waaronder de FIOD), de strafrechtelijke procedures en de civielrechtelijke procedure ten aanzien van de aansprakelijkstelling. Het is aannemelijk dat het begin van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot de onjuiste aangiften omzetbelasting voor zijn eenmanszaak. Vanwege het causale verband met de kinderopvangtoeslagproblemen moeten ook de overige juridische kosten worden vergoed.
39. De rechtbank stelt vast dat partijen er niet over van mening verschillen dat de juridische kosten en de kosten van de vrije dag voor [eiser] , die met het voeren van de CWS-procedure zijn gemoeid, terecht en tot de juiste hoogte zijn vergoed.
De rechtbank stelt verder vast dat de overige kosten van juridische bijstand, waarvan [eiser] om vergoeding vraagt, zien op de procedures bij de Belastingdienst, waaronder het boekenonderzoek, de gesprekken tussen [eiser] en de Belastingdienst en de vaststellingsovereenkomst, en de strafrechtelijke procedures en de kosten van juridische bijstand die zien op de civielrechtelijke procedure over de aansprakelijkstelling van [bedrijf] door een andere partij.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband is tussen enerzijds de kosten die [eiser] voor de juridische bijstand als gevolg van het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en de daaruit volgende procedures heeft moeten maken en anderzijds de problemen rond de kinderopvangtoeslag. Deze kosten voor juridische bijstand kunnen niet in redelijkheid worden toegerekend aan de onterechte terugvordering van de kinderopvangtoeslag. De kosten voor juridische bijstand wegens de problemen met de Belastingdienst als gevolg van de onjuiste aangiften omzetbelasting, de strafrechtelijke procedures en de civielrechtelijke procedure staan in een te ver verband van de kinderopvangtoeslagproblemen. [eiser] heeft zelf om hem moverende redenen de onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan en is daarvoor ook door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof veroordeeld, waarbij de problemen rond de kinderopvangtoeslag niet als een strafuitsluitingsgrond is aangemerkt. Ook de kosten die [eiser] voor de juridische bijstand in de civielrechtelijke procedure tussen [bedrijf] en een derde partij heeft gemaakt, staan naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verband met de kinderopvangtoeslagproblemen. Uit de door [eiser] overgelegde facturen volgt ook dat deze aan [bedrijf] zijn gericht, en niet aan [eiser] in privé, en dat deze kosten niet zien op bijstand van de beide advocaten in procedures die zien op de kinderopvangtoeslag. Deze civielrechtelijke procedure zag op een zakelijk geschil waarbij [eiser] als directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf] een aandelenbelang in Finovion heeft verkocht aan een andere partij. Een dergelijk geschil is niet te wijten aan de problemen met de kinderopvangtoeslag.
Verrekening en gezamenlijke toekenning
40. [eiser] voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte de immateriële schadevergoeding wegens het lange wachten verrekent met de totale vergoeding voor immateriële schade. De Dienst Toeslagen heeft terecht geconstateerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor het lange wachten. Zij heeft echter ten onrechte niet per afzonderlijk jaar een vergoeding toegekend, omdat de jaren 2010 en 2012 tot en met 2015 op zichzelf staan met voor ieder jaar z’n eigen fiscale merites, verloop en kenmerken. [eiser] verzoekt dan ook om de immateriële schadevergoeding per afzonderlijk jaar te berekenen.
41. De rechtbank overweegt dat volgens het Schadekader met bouwsteen E (“De stressvolle jaren vanaf de eerste negatieve kinderopvangtoeslagbeschikking”) wordt voorzien in een immateriële schadevergoeding voor het tijdsverloop. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft de Dienst Toeslagen voor de bouwstenen A, B en C afzonderlijke immateriële schadevergoeding toegekend. Van een “verrekening” zoals door [eiser] bedoeld, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 [10] overweegt de rechtbank verder dat de wetgever in de Memorie van Toelichting bij de Wht de door hem gemaakte keuzes heeft toegelicht. Daarin is opgenomen dat het bedrag voor immateriële schade een forfaitaire compensatie is voor veronderstelde stress, ongemak en onzekerheid waarmee de gedupeerden zijn geconfronteerd in de tijd die is verstreken vanaf de dagtekening van de eerste beschikking tot terugvordering, niet-toekenning of stopzetting van (het voorschot op) kinderopvangtoeslag, tot het moment van de dagtekening van de eerste beschikking waarin compensatie wordt toegekend. [11] De wetgever heeft er rekening mee gehouden dat een gedupeerde ook andere immateriële schade heeft geleden dan de veronderstelde stress, ongemak en onzekerheid, waar dit forfaitaire bedrag van € 500 op ziet. De wetgever heeft de keuze gemaakt dat de Dienst Toeslagen voor deze andere immateriële schade aanvullende compensatie voor werkelijke immateriële schade kan toekennen. [12]
[eiser] heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding per jaar. Daarvoor bieden de Wht en het Schadekader echter geen grondslag. Verder heeft de Dienst Toeslagen de toegekende immateriële schadevergoeding in de integrale beoordeling kunnen verrekenen met het bedrag aan immateriële schadevergoeding in het primaire besluit. Hetzelfde geldt voor verrekening van het in het primaire besluit toegekende bedrag aan immateriële schadevergoeding met het bedrag, dat uiteindelijk in het bestreden besluit aan immateriële schadevergoeding aan [eiser] is toegekend. Uiteindelijk is aan [eiser] een immateriële schadevergoeding van in totaal € 27.300 uitbetaald, dat zowel ziet op het lange wachten als op de afzonderlijke bouwstenen in het Schadekader. Het betoog van [eiser] kan dan ook niet slagen.
Kostenvergoeding in bezwaar?
42. [eiser] voert aan dat de Dienst Toeslagen hem ten onrechte geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend, terwijl dit door de BAC wel is geadviseerd. Ondanks het nieuwe Schadekader per juli 2024 is wel een bezwaarschrift ingediend en is op het herstelbeleid commentaar gegeven. Dit gewijzigde beoordelingskader kan niet aan [eiser] worden tegengeworpen. [eiser] verzoekt om de kostenvergoeding voor de bezwaarfase alsnog aan hem toe te kennen.
43. In artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
44. De rechtbank overweegt dat op grond van voormeld wetsartikel door [eiser] wel om een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase moet zijn verzocht. Dat [eiser] hierom heeft verzocht, volgt echter niet uit de dossierstukken. Zo heeft [eiser] in het door hem zelf ingediende bezwaarschrift niet om een kostenvergoeding gevraagd. Tijdens de hoorzitting bij de BAC heeft [eiser] zich wel door mr. Oevering als gemachtigde laten bijstaan, maar uit het verslag van deze hoorzitting volgt evenmin dat om een kostenvergoeding is verzocht. Alleen al om die reden komt [eiser] niet voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase in aanmerking.
De rechtbank voegt aan het vorenstaande ten overvloede toe dat niet is gebleken dat het bestreden besluit in bezwaar (dus het primaire besluit van 11 augustus 2023) is herroepen wegens een aan de Dienst Toeslagen te wijten onrechtmatigheid. Het primaire besluit is gewijzigd op grond van toetsing aan het gewijzigde CWS-Schadekader. Deze toetsing heeft tot een hogere aanvullende schadevergoeding voor [eiser] geleid, zodat toetsing aan dit gewijzigde schadekader niet in het nadeel van [eiser] is geweest.
Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn
45. [eiser] heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding, gerekend vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift tot aan de uitspraak in deze beroepsprocedure.
46. De rechtbank zal dit verzoek aanmerken als een verzoek om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
47. De rechtbank overweegt dat de redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en een rechterlijke instantie, in dit geval twee jaar is. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen.
De Dienst Toeslagen heeft het bezwaarschrift van [eiser] tegen het primaire besluit op
24 augustus 2023 ontvangen. Met de uitspraak van vandaag is de procedure beëindigd. Daarmee heeft de procedure twee jaar en ongeveer tien maanden geduurd.
Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [eiser] toe te kennen bedrag € 1.000. De behandeling van het bezwaar mag hoogstens een half jaar duren. De Dienst Toeslagen heeft op 3 april 2025 de beslissing op bezwaar genomen. De bezwaartermijn is dus met ruim dertien maanden overschreden. De behandeling van het beroep mag hoogstens anderhalf jaar duren. De rechtbank heeft die termijn niet overschreden. De rechtbank zal de Dienst Toeslagen veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] in zoverre geleden immateriële schade van € 1.000.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt en dat de beslissing op bezwaar van de Dienst Toeslagen over de aanvullende schadevergoeding in stand blijft. De Dienst hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Het verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt wel toegewezen.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
  • veroordeelt de Dienst Toeslagen tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van € 1.000 aan [eiser] .
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, voorzitter, en mr. A.P.W. Esmeijer en mr. W.J.B. Cornelissen, leden, in aanwezigheid van H. Blekkenhorst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De griffier is buiten staat om te ondertekenen.
Griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De kosten van de vrije dagen is al vergoed in het bedrag voor de materiële schade in het compensatiebedrag van € 89.510.
2.€ 1.875,50 kosten juridische bijstand + € 74 wettelijke rente + € 75 vrije dag [eiser] .
3.[eiser] heeft in het kader van de integrale beoordeling een compensatie van € 89.510 ontvangen. Van dat bedrag maakt een bedrag van € 8.500 wegens immateriële schadevergoeding deel uit. [eiser] heeft recht op een aanvulling daarop van € 11.000. De aanvullende schadevergoeding bedraagt aldus € 11.000 + 1% verhoging = € 11.110.
5.Artikel 5.2 van de Wht en de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade.
6.Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Instellingsregeling.
7.Het schadekader is te raadplegen via www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties.
8.Artikel 3, tweede lid, aanhef, van de Instellingsregeling.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3760.
11.Kamerstukken II, 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 74.
12.Kamerstukken II, 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 73.