Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3333

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
11790949 \ CV EXPL 25-2100
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:217 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWBesluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling resterend factuurbedrag na dienstverlening aan voertuig

Eiser vordert betaling van een factuur van €1.270,50 voor werkzaamheden aan het voertuig van gedaagde, waaronder polijsten en interieurreiniging. Gedaagde stelt dat hij al €945 heeft betaald en weigert het resterende bedrag te voldoen vanwege vermeende schade aan het voertuig veroorzaakt door eiser.

De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten en dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Gedaagde heeft onvoldoende onderbouwd dat de schade door eiser is veroorzaakt; voorafgaand aan de werkzaamheden waren al deukjes aanwezig en gedaagde gaf toestemming om door te gaan. Het feit dat gedaagde het voertuig heeft opgehaald zonder klachten en een groot deel van de factuur heeft betaald, impliceert erkenning van de betalingsverplichting.

De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van het openstaande bedrag van €325,50 toe, evenals een vergoeding van €48,83 voor buitengerechtelijke incassokosten en rente. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het resterende factuurbedrag van €325,50, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11790949 \ CV EXPL 25-2100
Vonnis van 9 juni 2026
in de zaak van
[eiser] H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: Precise and Wise Juristen,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [bedrijf 2],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 8 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[eiser] vordert - samengevat – betaling van een factuur welke [eiser] aan [gedaagde] heeft verstuurd in verband met een dienstverlening aan het voertuig van [gedaagde]. De werkzaamheden betroffen onder andere het polijsten en interieurreiniging van de auto. Voor deze werkzaamheden is op 21 maart 2025 een factuur uitgebracht met een totaalbedrag van € 1.270,50.
2.2.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer tegen de vordering. Hij stelt dat hij reeds een bedrag van € 945,- van de factuur heeft voldaan. Ten aanzien van het resterende openstaande bedrag heeft [gedaagde] expliciet aangegeven dit niet te zullen betalen. Daaraan legt hij ten grondslag dat er tijdens of als gevolg van de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden schade is ontstaan aan zijn auto. Volgens [gedaagde] dient deze schade aan [eiser] te worden toegerekend en rechtvaardigt dit dat hij de betaling van het restantbedrag opschort, dan wel weigert.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen op of omstreeks 22 maart 2025 een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [eiser] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht aan het voertuig van [gedaagde] met kenteken [kenteken]. Uit de stellingen van partijen volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden overeenstemming is bereikt over zowel de aard van de werkzaamheden als de daarvoor verschuldigde vergoeding. De werkzaamheden bestonden uit een uitgebreide behandeling van het voertuig, waaronder het aanbrengen van een keramische coating, interieurreiniging, een polijstbehandeling en het coaten van de velgen en ramen. Tevens staat vast dat gedurende de uitvoering aanvullende werkzaamheden zijn besproken en dat [gedaagde] ook met het meerwerk akkoord is gegaan.
3.2.
De kantonrechter stelt vast dat aldus sprake is van een overeenkomst die door aanbod en aanvaarding tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 6:217 BW Pro. Op grond van deze overeenkomst rustte op [eiser] de verplichting de overeengekomen werkzaamheden naar behoren uit te voeren en op [gedaagde] de verplichting de daarvoor overeengekomen prijs te voldoen. Dat [eiser] de werkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd en dat [gedaagde] het voertuig na afloop heeft laten ophalen, is eveneens niet in geschil. Evenmin is in geschil dat [eiser] ter zake van de verrichte werkzaamheden een factuur van € 1.270,50 inclusief btw aan [gedaagde] heeft verzonden.
3.3.
[gedaagde] beroept zich op schade aan het voertuig de tijdens de werkzaamheden door [eiser] zijn ontstaan. De kantonrechter stelt voorop dat het aan [gedaagde] is om voldoende te onderbouwen dat deze schade door [eiser] is veroorzaakt en dat hij daarom bevoegd was betaling van een deel van de factuur op te schorten of te verrekenen.
3.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] die stelling onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft gemotiveerd aangevoerd dat voorafgaand aan de werkzaamheden reeds deukjes zichtbaar waren nadat het voertuig was gewassen en dat hiervan foto’s zijn gemaakt en aan [gedaagde] zijn toegezonden. [gedaagde] heeft erkend dat [eiser] hem tijdens de werkzaamheden telefonisch heeft benaderd over aanwezige deuken en dat hij toen heeft aangegeven dat [eiser] met de werkzaamheden kon doorgaan.
3.5.
Daar komt bij dat de auto op 22 maart 2025 is opgehaald door de broer van [gedaagde] zonder dat op dat moment klachten zijn geuit over schade. Dat [gedaagde] de deukjes pas later heeft opgemerkt, maakt niet dat daarmee vaststaat dat de schade door [eiser] is veroorzaakt.
3.6.
Het door [eiser] gedane aanbod om de deukjes kosteloos te laten herstellen moet worden gezien als een coulancevoorstel en niet als een erkenning van aansprakelijkheid. Dat aanbod heeft bovendien niet geleid tot een concrete overeenkomst tot herstel, omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een datum en verdere uitvoering.
3.7.
De door [gedaagde] genoemde offerte van een schadehersteller vormt zonder nadere onderbouwing evenmin bewijs dat [eiser] aansprakelijk is voor de gestelde schade.
3.8.
Nu onvoldoende is komen vast te staan dat [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, kan niet worden geoordeeld dat [gedaagde] bevoegd was om een gedeelte van de factuur onbetaald te laten. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [gedaagde] zijn stelling dat de deukjes tijdens de werkzaamheden door toedoen van [eiser] zijn ontstaan onvoldoende met gegevens heeft onderbouwd. De enkele verwijzing naar een offerte van een schadehersteller en de eigen overtuiging van [gedaagde] dat de schade tijdens de werkzaamheden moet zijn ontstaan, is daarvoor onvoldoende. Daar staat tegenover dat [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat de schade door hem is veroorzaakt en heeft toegelicht dat tijdens de werkzaamheden al melding is gemaakt van de aanwezige deukjes.
3.9.
Daarnaast acht de kantonrechter van belang dat [gedaagde], ondanks zijn klachten over de vermeende schade, het voertuig heeft laten ophalen en vervolgens een aanzienlijk deel van de factuur heeft voldaan. Hiermee heeft [gedaagde] impliciet erkend dat de overeengekomen werkzaamheden in beginsel zijn uitgevoerd en dat daarvoor betalingsverplichtingen bestaan. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld zich te beroepen op opschorting of verrekening, slaagt dat beroep reeds daarom niet dat een voldoende vaststaande tegenvordering ontbreekt. Van een rechtsgeldige grond om betaling van het restant van de factuur achterwege te laten is dan ook niet gebleken.
3.10.
Gelet hierop is [gedaagde] gehouden de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting alsnog na te komen. De vordering van [eiser] tot betaling van het openstaande bedrag van € 325,50 zal dan ook worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.11.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 48,83 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
De proceskosten
3.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,73
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
43,50
Totaal
431,23
4. De beslissing
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 325,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 48,83 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 431,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026. (jb)