Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3319

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
11647695 \ CV EXPL 25-1215
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaalde facturen en bewijsverplichting inzake ter beschikking gesteld gereedschap

Partij A heeft in opdracht van partij B werkzaamheden verricht tussen mei en juli 2024 en vordert betaling van onbetaalde facturen ter hoogte van €7.419,71. Partij B erkent gedeeltelijke betaling, betwist het overeengekomen dagtarief en het aantal gewerkte dagen, en stelt een verrekeningsverweer in verband met huur van gereedschap dat niet is teruggegeven.

Partij A onderbouwt het dagtarief van €375 met WhatsApp-berichten en een overzicht van gewerkte dagen van een derde, welke door partij B onvoldoende is weersproken. De kantonrechter gaat uit van 34 gewerkte dagen en een dagtarief van €375, waardoor nog €5.875 verschuldigd is, maar de beslissing wordt aangehouden vanwege het verrekeningsverweer.

In reconventie vordert partij B betaling van €22.748 wegens vermogensschade door niet teruggegeven gereedschap. Partij B moet bewijzen dat het gereedschap ter beschikking is gesteld en niet is teruggegeven. De primaire vordering wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing van schade. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering en getuigenverhoor.

Uitkomst: Betaling van resterend factuurbedrag aangehouden tot bewijs over ter beschikking gesteld gereedschap is geleverd.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11647695 \ CV EXPL 25-1215
Vonnis van 2 juni 2026
in de zaak van
[partij A], handelend onder de naam [bedrijf] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: EBL Incasso,
tegen
[partij B] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
gemachtigde: mr. S.A. Wensing.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de aanvullende producties 3 en 4 van [partij B]
- de mondelinge behandeling van 31 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de ter zitting door [partij A] in het geding gebrachte WhatsApp-conversaties
- de conclusie na mondelinge behandeling van [partij A]
- de akte uitlating producties en tevens conclusie van [partij B]
- de reactie op de nagekomen producties van [partij B].
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
[partij A] heeft omstreeks de periode mei tot en met juli 2024 in (onder)opdracht van [partij B] werkzaamheden verricht. Het betrof werkzaamheden waartoe [naam 1] aan [partij B] opdracht heeft gegeven.
2.2
[partij B] heeft [partij A] in totaal een bedrag van € 6.875,- betaald.
2.3
Op 28 januari 2025 heeft [partij B] aan (de gemachtigde van) [partij A] gemaild:
Goedemiddag het is bij ons bekend dat de heer [partij A] nog facturen open heeft staan bij ons maar hij heeft bij ons ook nog uit mij hoofd nog een dikke 15000 euro open staan van huur gereedschap en zo lang hij het gereedschap niet in goede staat terug doet loopt de huur van zelf sprekend gewoon door vandaar de facturen ook niet betaald worden
2.4
Volgens [partij B] gaat hierbij om de volgende gereedschappen:
Festool accu afkortzaag;
accupakket met 8 accu’s en laders;
Hilti grote haakse slijper;
Festoolgips schroefmachine met accu’s;
Hilti slagmoer aanzetter met accu’s;
Makita slagmoer aanzetter met accu’s en doppenset;
Festool invalzaag;
Festool decoupeerzaag op accu.

3.Het geschil

in conventie
3.1
[partij A] vordert - samengevat - veroordeling van [partij B] tot betaling van € 7.419,71, vermeerderd met rente en kosten.
3.2
Aan de vordering heeft [partij A] ten grondslag gelegd dat hij in opdracht van [partij B] (in verband met een door [partij B] in opdracht aangenomen werk van [naam 1]) in mei tot en met juli 2024 werkzaamheden heeft verricht die [partij B] deels onbetaald heeft gelaten. Hij stelt dat daarbij is afgesproken dat [partij B] een bedrag van € 375,00 per gewerkte dag zou voldoen.
In verband daarmee heeft hij (onder andere) factuur [factuurnummer 1] (factuurdatum 7 juni 2024) voor een bedrag van € 5.250,00 en factuur [factuurnummer 2] (factuurdatum 22 juli 2024) voor een bedrag van 3.750,00 aan [partij B] doen toekomen. Volgens [partij A] heeft [partij B] een bedrag van € 2.750,00 voldaan, zodat nog een bedrag van € 6.250,00 verschuldigd is. Factuur [factuurnummer 1] heeft betrekking op 14 gewerkte dagen; factuur [factuurnummer 2] heeft betrekking op 10 gewerkte dagen. Hij heeft (verder, ter zitting) gesteld dat hij in totaal 35 dagen heeft gewerkt en dat een eerdere factuur, betrekking hebbend op 11 dagen, is betaald.
3.3
Volgens [partij B] moeten de vordering van [partij A] worden afgewezen.
[partij B] erkent [1] dat [partij A] werkzaamheden heeft verricht, dat zij deels (namelijk voor een bedrag van € 2.750,00) de facturen heeft voldaan. [partij B] bestrijdt de hoogte van het overeengekomen tarief. Dat zou niet € 375,00 per dag zijn, maar € 275,00. Dat zou zijn af te leiden uit de betaling van € 2.750,00, omdat die ziet op 10 gewerkte dagen. Daarnaast betwist zij dat [partij A] 24 dagen heeft gewerkt. [partij A] zou 15 dagen hebben gewerkt. Dat leidt ertoe dat [partij B] ten hoogste nog een bedrag van 1.375,00 verschuldigd is, in verband met de door [partij A] verrichte werkzaamheden in opdracht van [partij B]. De vordering moet worden afgewezen omdat [partij B] ook nog een vordering heeft op [partij A] , die hoger is dan wat [partij A] van [partij B] heeft te vorderen. [partij B] beroept zich daarbij op verrekening.
3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5
[partij B] vordert:
primairbetaling van in hoofdsom € 22.748,00 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening
subsidiaireen verklaring voor recht dat [partij A] aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit het vervreemden van eigendommen van [partij B], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
primair en subsidiairveroordeling van [partij A] in de proceskosten.
3.6
Aan de primaire vordering heeft [partij B] ten grondslag gelegd dat
  • i) [partij B] aan [partij A] gereedschappen ter beschikking heeft gesteld ter uitvoering van de door [partij B] aan [partij A] opgedragen werkzaamheden bij [naam 1];
  • ii) [partij A] deze gereedschappen niet heeft teruggegeven aan [partij B];
  • iii) de gereedschappen een verhuurwaarde van € 400,- per week vertegenwoordigen;
  • iv) [partij B] tot en met mei 2025 vermogensschade heeft geleden van € 22.748,00 en zij onder de noemer van ‘verhuur gereedschap’ drie facturen tot dat totaalbedrag aan [partij A] heeft gezonden;
  • v) [partij A] die vermogensschade aan [partij B] moet vergoeden.
3.7
Aan de subsidiaire vordering heeft [partij B] ten grondslag gelegd dat [partij A] haar in eigendom toebehorende gereedschappen niet heeft teruggegeven en ook niet terug kan geven omdat aangenomen moet worden dat [partij A] deze gereedschappen heeft verkocht, vermoedelijk aan een zekere “[naam 2]”. De schade die [partij B] heeft geleden moet in dat geval worden begroot op de vervangingswaarde van deze gereedschappen.
3.8
Volgens [partij A] komt geen van de vorderingen voor toewijzing in aanmerking. Hij betwist met klem dat [partij B] gereedschappen aan hem ter beschikking heeft gesteld. Hij is al sinds 2018 ZZP’er en heeft (voldoende) eigen gereedschappen. Afspraken over huur van gereedschap zijn niet gemaakt en over gebruik van gereedschap van [partij B] door hem evenmin. Hij heeft geen gereedschappen van [partij B] onder zich gehad en kan deze dus ook niet teruggeven.
3.9
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Overeengekomen tarief
4.1
[partij A] heeft ter onderbouwing van de hoogte van het tarief onder andere gewezen op een door hem met [naam 3] (van [partij B]) gevoerde WhatsApp-conversatie. Die houdt, voor zover van belang, in
“03-05-2024 21:31 – [naam 3] : Hé moatie heb [naam 4] gesproken als we hem een paar weken ui de brand willen helpen je kan omgerekend ongeveer 47 euro per uur beuren 375 euro per dag dat is niet slecht.03-05-2024 21:31 – [naam 3] : Hebben we het morgen wel even over”.
Daarnaast heeft [partij A] een WhatsApp-conversatie met de partner van [naam 3] in het geding gebracht. Deze houdt, voor zover van belang, in
“17-07-2024 08:50 – [partij A] : Goedemorgen [naam 5], [partij A] hier collega van [naam 6]. Ik heb [naam 6] nu al andere halve week gevraagd of hij mij de factuur over wil maken en elke keer belooft hij mij dat maar ik zie maar niks.. […]17-07-2024 – De [naam 5] : Hoi [partij A] , ik heb zojuist 2750 overgemaakt en restant volgt zsm. Groet [naam 5]”
4.2
[partij B] heeft het bestaan en de juistheid van deze conversaties niet weersproken. In het licht van
  • i) bovenvermelde facturen (die een tarief van € 375,00 per dag vermelden),
  • ii) aangenomen moet worden dat deze facturen gelet op de met de partner van [naam 3] gevoerde conversatie en gelet op de e-mail van 28 januari 2025 van [naam 3] aan de gemachtigde van [partij A] al bekend waren bij [partij B];
  • iii) de omstandigheid dat [partij B] nog geen begin van een verklaring heeft gegeven om welke reden [partij A] , nadat [partij B] een klus heeft aangeboden met als tarief € 375,00 per dag, [partij A] vervolgens zou hebben ingestemd met een tarief dat daar aanzienlijk onder ligt;
heeft [partij B] het door [partij A] gestelde dagtarief van € 375,00 onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarbij is van belang dat [partij B] het verweer dat uit de betaling van € 2.750,00 een tarief van € 275,00 per dag zou volgen, omdat deze betaling betrekking zou hebben op 10 dagen (10* € 275), geen hout snijdt. Op geen enkele wijze is immers door [partij B] inzichtelijk gemaakt om welke reden deze betaling betrekking moet hebben op 10 werkdagen (en niet op een ander aantal dagen).
Aantal gewerkte dagen
4.3
[partij A] heeft, naar aanleiding van het verweer van [partij B] dat hij in opdracht van [partij B] minder dagen heeft gewerkt dan hij heeft gesteld, [naam 1] gevraagd een overzicht te geven van de gewerkte dagen door [partij A] . Als productie 9 heeft [partij A] dat overzicht in het geding gebracht. [partij B] betwist dat dit overzicht klopt. Maar de onjuistheid daarvan volgt, anders dan [partij B] ingang wil doen vinden, niet uit de omstandigheid dat [partij B] het overzicht niet heeft geaccordeerd, en evenmin dat deze voor haar niet verifieerbaar zou zijn. Gelet op de omstandigheid dat het overzicht van een derde afkomstig is kan daaraan meer belang worden gehecht dan indien het overzicht door een van partijen zou zijn opgesteld. De juistheid van dit overzicht is al met al door [partij B] niet voldoende gemotiveerd weersproken. De kantonrechter zal dan ook uitgaan van de juistheid van dit overzicht. Uit het overzicht leidt de kantonrechter af dat volgens [naam 1] [partij A] 34 dagen heeft gewerkt (de afbeelding van het Excel-bestand geeft 14 dagen, en onder “Overige projecten” zijn 20 dagen genoemd). De kantonrechter gaat ervan uit dat [naam 1] in de opsomming van de data “07/05/2024” tot en met “29/05/2024” abusievelijk heeft vermeld dat [partij A] op 7 mei 2024 heeft gewerkt (blijkens de afbeelding was dat op 8 mei 2024) en dat eveneens abusievelijk 24 mei 2024 niet in die lijst is opgenomen (in de afbeelding is dat wel het geval).
Conclusie
4.4
In totaal diende [partij B] dus (34 dagen * € 375,-) € 12.750,- te voldoen. Aangezien [partij A] ter zitting heeft toegelicht dat een eerste factuur voor 11 dagen al is betaald (een bedrag van € 4.125,-) en daarna nog eens € 2.750,- is betaald, is [partij B] in verband met de door [partij A] uit hoofde van de aan hem verleende opdracht aan hoofdsom nog een bedrag van € 5.875,- verschuldigd.
4.5
De beslissing of [partij B] (deels) moet worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag, zal, gelet op het verrekeningsverweer, worden aangehouden tot in reconventie is beslist.
4.6
[partij B] heeft nog vraagtekens gesteld bij de authenticiteit van bij conclusie na mondelinge behandeling in het geding gebrachte facturen. Aangezien die stukken voor een beoordeling van de vordering niet van belang zijn, ziet de kantonrechter geen aanleiding hierop in te gaan.
4.7
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
in reconventie
4.8
De primaire vordering zal worden afgewezen. Zo er al vanuit zou moeten worden gegaan dat [partij B] gereedschappen ter beschikking heeft gesteld ten behoeve van [partij A] , dan heeft [partij B] in het geheel niet toegelicht dat zij, doordat zij niet de beschikking heeft gehad over dit gereedschap, inkomsten (tot het gevorderde bedrag of een lager bedrag) heeft gederfd. Zij heeft niet gesteld dat zij, indien zij wel de beschikking zou hebben gehad over de gereedschappen, zij deze zou hebben verhuurd, en dus sprake zou zijn van huurderving. Evenmin heeft zij toegelicht dat zij op andere wijze schade zou hebben geleden, bijvoorbeeld omdat zij door het missen van deze gereedschappen zelf kosten heeft gemaakt ter (tijdelijke) vervanging daarvan. Bij die stand van zaken kan, zonder toelichting, maar die ontbreekt, niet worden aangenomen dat [partij B] schade heeft geleden doordat zij geen beschikking had over deze gereedschappen.
4.9
Voor toewijzing van de subsidiaire vordering is nodig dat komt vast te staan dat
  • i) de gereedschappen genoemd onder 2.4 aan [partij A] ter beschikking zijn gesteld;
  • ii) [partij A] deze niet kan teruggeven.
[partij B] heeft dit wel gesteld, maar [partij A] heeft met klem betwist dat hij de gereedschappen ter beschikking heeft gehad en niet heeft teruggegeven. Uit de door [partij B] in het geding gebrachte foto’s valt niet af te leiden dat het gereedschap betreft dat hier in geschil is. Opvallend daarbij is verder dat in de WhatsApp-conversatie met geen woord wordt gerept over gereedschap van [partij B] dat door [partij A] wordt gebruikt of terug zouden moeten worden gegeven, hoewel [partij A] op 18 juli 2024 in die conversatie aangeeft geen zin meer te hebben in verdere samenwerking.
Bij deze stand van zaken ziet de kantonrechter aanleiding zal aan [partij B] worden toegelaten tot bewijs van het onder (i) en (ii) vermelde.
4.1
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
5.2
draagt [partij B] op te bewijzen dat
  • i) de gereedschappen genoemd onder 2.4 aan [partij A] ter beschikking zijn gesteld;
  • ii) [partij A] deze niet meer kan terug geven.
5.3
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
dinsdag 16 juni 2026voor uitlating door [partij B] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.4
bepaalt dat, als [partij B] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.5
bepaalt dat, als [partij B]
getuigenwil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
augustus 2026tot en met
november 2026dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.6
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. G.W.G. Wijnands, in het gerechtsgebouw te Zwolle, Schuurmanstraat 2,
5.7
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
5.8
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 2
juni 2026.

Voetnoten

1.CvA punten 5, 15, 16 en 17.