Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
2.De samenvatting
Cliënten hebben met uw cliënte(…)
een overeenkomst gesloten. Als gevolg van die overeenkomst is op uw cliënte de verplichting komen te rusten om de werkzaamheden op een goed en deugdelijke manier uit te voeren. Op mijn cliënten is de verplichting komen te rusten om de helft van de aanneemsom – zijnde een bedrag van € 7,494,17 – aan te betalen. Cliënten hebben aan deze verplichting voldaan en zij hebben het bedrag voldaan.
. Ik verzoek, en zo nodig sommeer ik uw cliënte, om mijbinnen drie (3) werkdagen na hedente bevestigen dat zijbinnen 4 weken na hedenvoldoet aan de op haar rustende resultaatsverplichting(…).
Cliënte wil de werkzaamheden bij uw cliënte afronden, maar is er verre van overtuigd dat zij daarna ook netjes betaald zal worden. Derhalve stelt cliënte voor dat de bedragen welke uw cliënte nog dient te voldoen worden overgemaakt op de bankrekening van ons kantoor, waarna er direct een afspraak zal worden ingepland om de werkzaamheden af te ronden.
U heeft, ondanks mijn eerdere dringende verzoek daartoe, nagelaten om voor maandag 25 augustus 2025 12.00 uur te bevestigen dat uw cliënte de op haar rustende verplichtingen binnen de door mij gestelde termijn zal nakomen. Ook uit uw e-mail d.d. 26 augustus jl. leid ik niet af dat uw cliënte bereid is om de op haar rustende verplichtingen conform de overeenkomst tussen partijen na te komen. Aan het nakomen van de op haar rustende verplichtingen verbindt uw cliënte immers verschillende voorwaarden waar, zoals ik eerder al aangaf, geen enkele juridische grondslag voor bestaat.
4.Het geschil
5.De beoordeling
goede grond” – om te vrezen dat de ander niet zal nakomen. Het is aan [partij B] om te bewijzen dat zij goede grond had om te vrezen dat [partij A] na oplevering niet zou betalen. [partij A] heeft betwist dat [partij B] goede grond had om te verwachten dat zij niet zou betalen. Dat zij niet tussentijds wilde betalen, vormde daarvoor volgens [partij A] onvoldoende aanleiding. Er was immers afgesproken dat zij het restant pas na oplevering zou betalen. Omdat [partij B] niet heeft onderbouwd waarom zij dacht dat [partij A] na oplevering niet zou betalen, wijst de kantonrechter haar beroep op opschorting af.