ECLI:NL:RBOVE:2026:3318

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
11937935 \ CV EXPL 25-1937
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.B. de Hek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:58 BWArt. 6:61 BWArt. 6:119 BWArt. 6:263 BWArt. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding aannemingsovereenkomst wegens niet-afgerond werk en terugbetaling aanbetaling

Partijen sloten een aannemingsovereenkomst voor vochtbestrijding in de kelder van de woning van de opdrachtgever. De aannemer begon met de werkzaamheden maar maakte deze niet af. De opdrachtgever betaalde een aanbetaling en ontbond de overeenkomst wegens tekortkoming en verzuim van de aannemer.

De aannemer voerde verweer met een beroep op opschorting van de werkzaamheden wegens betalingsonzekerheid en stelde dat de opdrachtgever haar de toegang tot de kelder zou hebben ontzegd. De kantonrechter verwierp deze verweren wegens onvoldoende bewijs en oordeelde dat de aannemer tekort was geschoten in de nakoming.

De ontbinding van de overeenkomst leidt ertoe dat de aannemer de aanbetaling moet terugbetalen. De vorderingen van de aannemer tot betaling van het restantbedrag en teruggave van bouwdrogers werden afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Daarnaast werden rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen aan de opdrachtgever.

Uitkomst: De overeenkomst is rechtsgeldig ontbonden en de aannemer is veroordeeld tot terugbetaling van de aanbetaling met rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11937935 \ CV EXPL 25-1937
Vonnis van 28 april 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. M.H.J. Booijink,
tegen
[partij B] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: Save Incasso & Juridisch Advies.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De samenvatting

2.1
[partij A] en [partij B] hebben een overeenkomst gesloten. [partij A] heeft een aanbetaling betaald aan [partij B] . Zij wil dat [partij B] dit bedrag terugbetaalt, omdat [partij B] het werk niet heeft afgemaakt en [partij A] de overeenkomst daarom heeft ontbonden. De kantonrechter oordeelt dat [partij A] de overeenkomst terecht heeft ontbonden en dat [partij B] daarom de aanbetaling moet terugbetalen. De kantonrechter wijst de tegenvorderingen van [partij B] af. [partij B] heeft niet onderbouwd dat [partij A] nog bouwdrogers van [partij B] in haar bezit heeft.
3 De feiten
3.1
[partij A] had last van vochtproblemen in de kelder van haar huis. [partij B] is een specialist in vochtbestrijding. Zij heeft de kelder bekeken en vervolgens op 5 juni 2025 aan [partij A] een offerte uitgebracht voor het oplossen van de vochtproblemen. Het offertebedrag was in totaal € 14.988,27. De offerte vermeldt dat een aanbetaling moet worden gedaan en dat het restantbedrag bij oplevering moet worden betaald. Op basis van deze offerte is tussen [partij A] en [partij B] een overeenkomst tot aanneming van werk gesloten.
3.2
Op 6 juni 2025 heeft [partij A] aan [partij B] een bedrag van € 7.494,17 betaald als aanbetaling. Vanaf 14 juni 2025 is [partij B] begonnen met de werkzaamheden. Op die dag is een bouwdroger gebracht, om de muren van de kelder te drogen. De bouwdroger kon echter nog niet in gebruik worden genomen, omdat het water op de vloer van de kelder nog niet was weggepompt. Op 21 juni 2025 hebben werknemers van [partij B] het water weggepompt en vanaf 30 juni 2025 heeft [partij B] verdere werkzaamheden verricht in de kelder.
3.3
Op 15 juli 2025 heeft [partij B] aan [partij A] een eindfactuur verstuurd, met een betalingstermijn van vier dagen. [partij A] heeft deze factuur niet betaald. Op 23 juli 2025 heeft [partij B] een betalingsherinnering verzonden, met de aankondiging dat de vordering zou worden overgedragen aan een deurwaarder als niet diezelfde dag werd betaald. Op 24 juli 2025 deelde de door [partij B] ingeschakelde gemachtigde, van Safe Incasso & Juridisch Advies, aan [partij A] mee dat zij een aanvullende betaling van € 2.500,- moest doen. Als [partij A] dat bedrag niet zou overmaken, zou [partij B] de werkzaamheden niet afronden, aldus de gemachtigde van [partij B] .
3.4
Op 19 augustus 2025 heeft de door [partij A] ingeschakelde per e-mail een brief gestuurd aan de gemachtigde van [partij B] . Daarin staat onder meer het volgende:

Cliënten hebben met uw cliënte(…)
een overeenkomst gesloten. Als gevolg van die overeenkomst is op uw cliënte de verplichting komen te rusten om de werkzaamheden op een goed en deugdelijke manier uit te voeren. Op mijn cliënten is de verplichting komen te rusten om de helft van de aanneemsom – zijnde een bedrag van € 7,494,17 – aan te betalen. Cliënten hebben aan deze verplichting voldaan en zij hebben het bedrag voldaan.
Anders dan mijn cliënten, heeft uw cliënte allesbehalve aan de op haar rustende verplichting voldaan.(…)
. Ik verzoek, en zo nodig sommeer ik uw cliënte, om mijbinnen drie (3) werkdagen na hedente bevestigen dat zijbinnen 4 weken na hedenvoldoet aan de op haar rustende resultaatsverplichting(…).
In het geval uw cliënte weigert om binnen de gestelde termijn van drie dagen te reageren dan wel in het geval zij weigert om de werkzaamheden binnen vier weken na heden goed en deugdelijk af te ronden, verkeert zij in verzuim.(…)
Uit de door u verstuurde brieven leid ik af dat uw cliënte wil dat mijn cliënten nogmaals een aanbetaling doen alvorens zij de werkzaamheden continueren. De juridische grondslag voor dit verzoek ontbreekt, en mijn cliënten zijn dan ook niet gehouden tot het verrichten van een aanvullende aanbetaling. Het moge derhalve duidelijk zijn dat aan dit verzoek niet wordt voldaan.
3.5
Op 26 augustus 2025 is, voor zover relevant, als volgt gereageerd namens [partij B] :

Cliënte wil de werkzaamheden bij uw cliënte afronden, maar is er verre van overtuigd dat zij daarna ook netjes betaald zal worden. Derhalve stelt cliënte voor dat de bedragen welke uw cliënte nog dient te voldoen worden overgemaakt op de bankrekening van ons kantoor, waarna er direct een afspraak zal worden ingepland om de werkzaamheden af te ronden.
Verder eist cliënte onmiddellijke teruggave van, de aan haar, toebehorende (vier) bouwdrogers en andere materialen.
3.6
Namens [partij A] is op 5 september 2025 als volgt gereageerd:

U heeft, ondanks mijn eerdere dringende verzoek daartoe, nagelaten om voor maandag 25 augustus 2025 12.00 uur te bevestigen dat uw cliënte de op haar rustende verplichtingen binnen de door mij gestelde termijn zal nakomen. Ook uit uw e-mail d.d. 26 augustus jl. leid ik niet af dat uw cliënte bereid is om de op haar rustende verplichtingen conform de overeenkomst tussen partijen na te komen. Aan het nakomen van de op haar rustende verplichtingen verbindt uw cliënte immers verschillende voorwaarden waar, zoals ik eerder al aangaf, geen enkele juridische grondslag voor bestaat.
Volledigheidshalve merk ik daarbij op dat er in zijn geheel geen bouwdrogers of andere materialen meer aanwezig zijn bij cliënte. Uw cliënte heeft tijdens het laatste bezoek op 14 juli jl. alle namelijk materialen — waaronder één bouwdroger, aangezien er nooit meer bouwdrogers aanwezig zijn geweest — meegenomen.(…)
Gelet op het voorgaande verkeert uw cliënte inmiddels in verzuim. Dit is dan ook de reden dat cliënte heeft besloten de overeenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van artikel 6:265 BW Pro.
Ingevolge de overeenkomst heeft cliënte reeds een bedrag ter hoogte van € 7.49417 aan uw cliënte voldaan. Namens cliënte verzoek ik, en zo nodig sommeer ik, uw cliënte derhalve ombinnen 14 dagen na hedenover te gaan tot terugbetaling van het bedrag van€7.494,17(…)”
3.7
Op de brief van 5 september 2025 is door [partij B] niet gereageerd. Op 22 september 2025 heeft de gemachtigde van [partij A] een e-mail aan de gemachtigde van [partij B] verzonden, met de sommatie om binnen zeven dagen te betalen.

4.Het geschil

in conventie
4.1
[partij A] vordert veroordeling van [partij B] tot betaling van € 7.494,17, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Aan haar vordering legt [partij A] ten grondslag dat de overeenkomst is ontbonden, omdat [partij B] haar verplichtingen niet is nagekomen, ook niet nadat zij de kans had gekregen dat alsnog te doen. Het gevolg van de ontbinding is dat [partij B] aan haar de aanbetaling van € 7.494,17 moet terugbetalen.
4.2
[partij B] voert verweer. Zij betwist niet dat de werkzaamheden niet zijn afgerond. Wel voert zij als verweer aan dat zij haar werkzaamheden heeft opgeschort, omdat zij er niet op vertrouwde dat [partij A] na afronding van de werkzaamheden zou betalen. Ook zou [partij A] haar niet hebben toegelaten tot het afmaken van het werk.
in reconventie
4.3
[partij B] vordert dat [partij A] wordt veroordeeld tot betaling van het restant van het bedrag op de offerte. Ook vordert zij dat [partij A] aan haar vier bouwdrogers moet teruggeven. Aan haar vorderingen legt zij ten grondslag dat [partij A] het bedrag verschuldigd is op grond van de offerte en nog vier bouwdrogers zou hebben.
4.4
[partij A] voert verweer. Zij betwist dat zij vier bouwdrogers van [partij B] heeft. Volgens [partij A] is betaling van het restantbedrag niet meer aan de orde, omdat zij de overeenkomst heeft ontbonden.

5.De beoordeling

in conventie
5.1
[partij A] doet een beroep op ontbinding van de overeenkomst. Op grond van artikel 6:265 BW Pro kan een partij overeenkomst ontbinden als de andere partij de verplichtingen uit de overeenkomst niet goed nakomt (tekortkoming), ondanks dat zij wel de kans heeft gekregen om deze alsnog na te komen (verzuim). Op deze eisen van tekortkoming en verzuim gaat de kantonrechter hierna in. Bij het verzuim komt ook het verweer van [partij B] aan de orde dat zij een goede reden had om de werkzaamheden niet af te ronden totdat [partij A] het totaalbedrag zou hebben betaald (opschorting) en dat [partij A] haar de toegang zou hebben ontzegd. Tot slot bespreekt de kantonrechter de gevolgen van de ontbinding.
Tekortkoming
5.2
Partijen zijn overeengekomen dat [partij B] de vochtproblemen in de kelder zou oplossen. Het staat vast dat [partij B] op het moment van ontbinding nog niet klaar was met de werkzaamheden. De kelder is door [partij B] niet opgeleverd. De kantonrechter oordeelt daarom dat [partij B] niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting. Dat levert een tekortkoming in de nakoming op in de zin van artikel 6:265 BW Pro.
Verzuim
5.3
Tussen partijen staat vast dat [partij B] door [partij A] op 19 augustus 2025 is gesommeerd om de werkzaamheden alsnog af te ronden. Het staat ook vast dat [partij B] aan deze sommatie geen gehoor heeft gegeven. Volgens [partij B] wilde zij de werkzaamheden alleen afronden, als [partij A] eerst het totaalbedrag zou betalen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij B] nog het nieuwe standpunt ingenomen dat [partij A] haar de toegang zou hebben ontzegd tot haar huis en dat zij de werkzaamheden daarom niet heeft kunnen afronden. [partij B] heeft daarvan uitdrukkelijk bewijs aangeboden. De kantonrechter zal de twee verweren, die in de stellingen besloten liggen, allebei bespreken.
Opschorting
5.4
Met de stelling dat [partij B] de werkzaamheden alleen wilde afronden na volledige betaling door [partij A] , doet [partij B] een beroep op opschorting. Omdat partijen zijn overeengekomen dat [partij A] het restantbedrag pas hoefde te betalen na oplevering, mocht [partij B] haar werkzaamheden alleen opschorten als zij goede redenen had om te verwachten dat [partij A] na oplevering niet zou betalen. Dit volgt uit artikel 6:263 BW Pro. Uit de rechtspraak over dit artikel blijkt dat niet snel sprake van goede redenen – “
goede grond” – om te vrezen dat de ander niet zal nakomen. Het is aan [partij B] om te bewijzen dat zij goede grond had om te vrezen dat [partij A] na oplevering niet zou betalen. [partij A] heeft betwist dat [partij B] goede grond had om te verwachten dat zij niet zou betalen. Dat zij niet tussentijds wilde betalen, vormde daarvoor volgens [partij A] onvoldoende aanleiding. Er was immers afgesproken dat zij het restant pas na oplevering zou betalen. Omdat [partij B] niet heeft onderbouwd waarom zij dacht dat [partij A] na oplevering niet zou betalen, wijst de kantonrechter haar beroep op opschorting af.
Schuldeisersverzuim
5.5
In het nieuwe standpunt van [partij B] , dat [partij A] haar de toegang tot de kelder zou hebben ontzegd, leest de kantonrechter een beroep op schuldeisersverzuim in de zin van artikel 6:58 en Pro 6:61 BW. Dit verweer houdt in dat [partij B] niet in verzuim kan komen als [partij A] heeft veroorzaakt dat zij niet kan nakomen. [partij A] heeft ontkend dat zij [partij B] niet zou hebben toegelaten. Volgens haar wilde zij juist dat [partij B] de werkzaamheden zou afronden en heeft zij [partij B] daarom ook gesommeerd om de werkzaamheden af te ronden.
5.6
Het is aan [partij B] om te bewijzen dat [partij A] ervoor heeft gezorgd dat [partij B] niet kon nakomen. Dat [partij A] haar de toegang had ontzegd, zou volgens [partij B] blijken uit een e-mail. De gemachtigde van [partij B] zou deze per abuis niet in de procedure hebben ingebracht. De kantonrechter heeft [partij B] tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om te citeren uit de niet in deze procedure ingebrachte e-mails, waarover [partij A] overigens wel beschikte. [partij B] heeft meerdere e-mails voorgelezen. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit geen van deze voorgelezen e-mails dat [partij B] niet meer welkom was bij [partij A] om de werkzaamheden af te ronden. Daartegenover staat de wel in deze procedure overlegde brief van 19 augustus 2025, waarmee [partij A] aan [partij B] vroeg om na te komen. Op die brief is op 26 augustus 2025 afwijzend gereageerd door [partij B] . De kantonrechter oordeelt daarom dat [partij B] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [partij A] haar de toegang heeft ontzegd. Haar beroep op schuldeisersverzuim wordt om die reden afgewezen. [partij B] krijgt niet de mogelijkheid haar stelling nog nader te onderbouwen, zoals zij heeft aangeboden. Daarvoor heeft zij onvoldoende onderbouwd waaruit, naast de door haar al voorgelezen e-mails, kan blijken dat [partij A] haar de toegang heeft ontzegd.
Ontbinding
5.7
Vanwege het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat [partij A] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Het gevolg van de ontbinding is dat beide partijen de verplichting hebben om de gevolgen van de overeenkomst ongedaan te maken.
5.8
Dit betekent dat [partij B] aan [partij A] de aanbetaling moet terugbetalen. De kantonrechter zal de vordering van [partij A] dus toewijzen en [partij B] veroordelen om aan haar een bedrag terug te betalen van € 7.494,17.
5.9
[partij B] heeft niet gesteld welke prestatie hij op grond van de overeenkomst heeft verricht en die door [partij A] ongedaan moet worden gemaakt. Hij heeft ook niet gesteld dat de door haar verrichte prestatie niet ongedaan kan worden gemaakt, en welke waardevergoeding hij daar dan voor moet krijgen. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om aan [partij B] een vergoeding toe te kennen voor de eventuele door haar op grond van de overeenkomst al verrichte werkzaamheden.
Rente, incassokosten en proceskosten
5.1
[partij A] heeft gevorderd dat het bedrag van € 7.494,17 wordt vermeerderd met de wettelijke rente sinds 19 september 2025. [partij B] heeft daartegen geen verweer gevoerd. De kantonrechter wijst de gevorderde wettelijke rente toe.
5.11
[partij A] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en is daarom redelijk. [partij A] heeft het gevorderde bedrag vermeerderd met btw. Dat kan, want [partij A] is geen ondernemer. Daarom zal een bedrag van € 907,15 worden toegewezen.
5.12
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,05
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.012,05
in reconventie
5.13
[partij B] heeft gevorderd dat [partij A] wordt veroordeeld aan haar het restant te betalen van het offertebedrag van € 14.988,27. [partij B] heeft ook gevorderd dat [partij A] aan haar vier bouwdrogers moet teruggeven, of de door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen waarde van deze bouwdrogers aan haar moet betalen.
5.14
[partij A] heeft verweer gevoerd. Volgens haar is er geen grondslag voor de restantbetaling, omdat de overeenkomst is ontbonden. [partij A] betwist dat zij de beschikking heeft over de bouwdrogers.
5.15
Omdat in conventie is geoordeeld dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden, heeft [partij B] geen recht op de gevorderde restantbetaling. De kantonrechter wijst haar vordering daarom af.
5.16
[partij A] heeft in haar conclusie van antwoord in reconventie betwist dat zij de beschikking heeft over vier bouwdrogers. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij B] niet meer gedaan dan enkel stellen dat [partij A] de bouwdrogers wel heeft, waarbij zij het aantal van vier bouwdrogers verminderd heeft tot drie bouwdrogers. Omdat het standpunt van [partij A] – dat zij geen bouwdrogers heeft – al langere tijd bij [partij B] bekend is, had van [partij B] verwacht mogen worden dat zij haar stelling dat [partij A] de drogers wél heeft, verder had onderbouwd. Dat heeft zij niet gedaan, ook niet tijdens de mondelinge behandeling. De kantonrechter oordeelt daarom dat [partij B] niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Haar vorderingen worden op die grond afgewezen.
Proceskosten
5.17
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in reconventie betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
360,00
(1 punt × € 360,00)
Totaal
360,00

6.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 7.494,17, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 907,15 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.012,05, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
6.4
wijst de vorderingen van [partij B] af,
6.5
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
6.6
veroordeelt [partij B] tot betaling van de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.B. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.