Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3316

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
11989777 \ CV EXPL 25-3871
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:129 BWArt. 7:129e BWArt. 6:119 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling geldleningsovereenkomst tussen moeder en dochter

Eiseres vordert terugbetaling van €10.353,29 die zij aan gedaagde heeft overgemaakt, stellende dat dit bedrag mondeling was geleend met de afspraak dat gedaagde het zou terugbetalen. Gedaagde betwist een terugbetalingsverplichting en voert aan dat eerdere betalingen studiekosten betroffen die terugbetaald moeten worden.

De kantonrechter stelt vast dat partijen mondeling overeenkwamen dat het bedrag terugbetaald zou worden, kwalificeert de overeenkomst als een geldlening in de zin van artikel 7:129 BW Pro en bepaalt dat de vordering opeisbaar werd na sommatie op 5 september 2024. Het verweer van gedaagde op verrekening faalt wegens onvoldoende bewijs en betwisting door eiseres.

De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 19 februari 2025, het moment van verzuim. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens niet-naleving van de aanmaningsvereiste. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag, rente en proceskosten, met het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde is verplicht het bedrag van €10.353,29 terug te betalen met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11989777 \ CV EXPL 25-3871
Vonnis van 2 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. W.J.A. van Es,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. V.J.A Van Hees

1.De zaak in het kort

1.1
In geschil is of [gedaagde] verplicht is het door haar dochter, [eiseres], op haar rekening gestorte bedrag van € 10.353,29 terug te betalen. De kantonrechter oordeelt dat dit het geval is en wijst de vorderingen van [eiseres] grotendeels toe. Zij legt hierna uit waarom.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 16,
- de brief van 20 januari 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging aanvullende producties met producties 6 tot en met 8 van de zijde van [eiseres],
- de mondelinge behandeling van 20 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1
Op 6 december 2018 heeft [gedaagde] een bedrag van € 9.228,31 overgemaakt naar de bankrekening van haar dochter, [eiseres].
3.2
Op 5 mei en op 19 mei 2022 heeft [eiseres] door middel van verschillende betalingen in totaal € 10.353,29 overgemaakt aan [gedaagde].
3.3
Bij brief van 5 september 2024 heeft de toenmalige gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd om tot betaling over te gaan.
3.4
Bij brief van 4 februari 2025 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] nogmaals tot betaling aangemaand.

4.Het geschil

4.1
[eiseres] vordert – samengevat – betaling van € 10.353,29 te vermeerderen met rente, buitengerechtelijke incassokosten en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2
[eiseres] legt aan de vordering – samengevat – het volgende ten grondslag. Volgens [eiseres] heeft zij mondeling met [gedaagde] afgesproken dat zij € 10.353,29 aan [gedaagde] zou overmaken, zodat zij zou voldoen aan de voorwaarden om een uitkering op grond van de Participatiewet te kunnen krijgen, en dat [gedaagde] dit bedrag vervolgens terug zou betalen.
4.3
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
4.4
[gedaagde] voert aan dat er geen terugbetalingsverplichting tussen haar en [eiseres] is overeengekomen. Ook stelt zij dat omdat zij in het verleden geld aan [eiseres] heeft overgemaakt ten behoeve van haar studie en [eiseres] inmiddels haar studie heeft afgebroken, [eiseres] gehouden is dit bedrag aan [gedaagde] terug te betalen.
4.5
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] het door [eiseres] gestorte bedrag zou terugbetalen
5.1
Niet in geschil is dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat [eiseres] een bedrag van € 10.353,29 aan [gedaagde] zou betalen (hierna: “het spaargeld”). Waar partijen over van mening verschillen is of [gedaagde] op grond van de tussen hen gemaakte afspraken, verplicht was dit bedrag terug te betalen.
5.2
Ook bij de uitleg van een mondelinge overeenkomst komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de door hen gebruikte bewoordingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan acht worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg.
5.3
De kantonrechter overweegt als volgt. Volgens [eiseres] is in de periode 2021-2022 in een gesprek bij [gedaagde] thuis, waarbij ook de begeleider van [eiseres] aanwezig was, afgesproken dat [eiseres] tijdelijk haar spaargeld naar [gedaagde] zou overmaken, zodat haar vermogen laag genoeg was om aansprak te maken op een uitkering op grond van de Participatiewet. [gedaagde] is daar volgens [eiseres] tijdens dat gesprek mee akkoord gegaan.
5.4
Hoewel [gedaagde] erkent dat een gesprek zou hebben plaatsgevonden, weerspreekt zij dat zij op dat moment zou hebben ingestemd met het terugbetalen van het spaargeld. Ter zitting heeft zij echter wel verklaard dat zij tijdens het gesprek [eiseres] heeft gerustgesteld en iets heeft gezegd in de trend van “het komt wel goed.” De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] aan deze geruststelling redelijkerwijs de verwachting kon ontlenen dat het bedrag op enig moment terugbetaald zou worden. Te meer nu vast staat dat de intentie van beide partijen bij de overboeking was om ervoor te zorgen dat [eiseres] een uitkering zou krijgen. [gedaagde] kon gelet daarop dus niet verwachten dat als de uitkering geweigerd zou worden - zoals later het geval bleek - zij het bedrag zomaar (als schenking) mocht houden. Dat [gedaagde] er aanvankelijk ook niet van uitging dat het bedrag aan haar geschonken was, blijkt uit het feit dat zij na vragen van de kantonrechter op dit punt heeft verklaard dat zij pas op een later moment, dus nadat het bedrag door [eiseres] aan [gedaagde] was overgemaakt, had bedacht dat zij daar bepaalde kosten - die zij ten behoeve van [eiseres] had gemaakt - op in mindering wilde brengen. Ten slotte verklaart ook de vriend van [eiseres], [naam] (hierna: [naam]), dat [gedaagde] in een later gesprek in mei 2024 aan hem heeft verteld dat zij het spaargeld nog had en dat [eiseres] dit terug zou krijgen als zij officieel uit huis was. Volgens [gedaagde] is de verklaring van [naam] niet volledig, en daarmee niet juist, omdat zij tegen hem zou hebben gezegd dat zij eerst de kosten onder elkaar zou zetten en pas als er iets overbleef [eiseres] mogelijk iets zou ontvangen. Maar daarmee heeft zij naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende weersproken dat het uitgangspunt was dat het spaargeld aan [eiseres] terugbetaald moest worden. De kantonrechter legt de afspraken tussen partijen dus zo uit dat zij zijn overeengekomen dat [gedaagde] het door [eiseres] gestorte spaargeld op enig moment terug moest betalen.
5.5
De getuigenverklaringen die [gedaagde] in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van haar standpunt dat geen terugbetaling is overeengekomen, maken dit oordeel niet anders. Deze zijn naar het oordeel van de kantonrechter algemeen van aard en zien vooral op het gedrag en de persoonlijkheid van [eiseres]. De getuigen zijn ook geen onderdeel geweest van het gesprek waarin een terugbetalingsverplichting is overeengekomen.
5.6
Partijen zijn dus overeengekomen dat [gedaagde] het bedrag van €10.353,29 op enig moment aan [eiseres] moest terugbetalen. De kantonrechter kwalificeert de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] daarom als een geldleningsovereenkomst in de zin van artikel 7:129 BW Pro. Gesteld, noch gebleken is dat partijen een termijn zijn overeengekomen waarbinnen het bedrag terugbetaald moest worden. Artikel 7:129e BW bepaalt dat in dat geval de schuldenaar gehouden is de geldlening terug te betalen binnen een termijn van zes weken nadat de mededeling is gedaan dat tot opeising wordt overgegaan. Hoewel [eiseres] ter zitting in algemene bewoordingen, zonder daarbij een concrete datum te noemen, aanvoert dat zij [gedaagde] heeft aangesproken tot betaling, stelt de kantonrechter aan hand van de ingediende stukken vast dat [eiseres] bij schrijven van 5 september 2024 voor het eerst bij [gedaagde] de geldlening heeft opgeëist. [gedaagde] was daarna dus verplicht het bedrag binnen zes weken terug te betalen. Dat heeft zij niet gedaan, zodat de vordering van [eiseres] vanaf 18 oktober 2024 opeisbaar was. De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] dus in principe toewijzen, tenzij het verweer van [gedaagde] slaagt.
[gedaagde] kan geen beroep doen op verrekening
5.7
[gedaagde] voert nog aan dat zij in 2018 een bedrag van € 9.228,31 aan [eiseres] heeft overgemaakt ten behoeve van haar studie (hierna: “de studiekosten”), dat [eiseres] in 2022 met haar studie is gestopt en dat [eiseres] daarom deze studiekosten terug moet betalen. Voor zover [gedaagde] hiermee bedoeld heeft aan te voeren dat zij de € 10.353,29 die [eiseres] in 2022 aan haar heeft betaald niet terug hoeft te betalen omdat haar een beroep op verrekening toekomt, gaat de kantonrechter daar niet in mee. Uit artikel 6:136 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) volgt dat de kantonrechter een vordering ondanks een beroep van de verweerder op verrekening kan toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Dat is hier het geval. Weliswaar stelt [gedaagde] dat is afgesproken dat de studiekosten terugbetaald moesten worden als [eiseres] zou stoppen met haar studie, maar zij heeft daarbij niets concreets gesteld over wanneer en hoe deze overeenkomst destijds tot stand is gekomen. Zij heeft ook geen schriftelijke vastlegging van deze afspraak overgelegd. Daar staat tegenover dat [eiseres] heeft weersproken dat het geld terugbetaald moest worden. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] tegen haar gezegd dat als zij zou stoppen met haar studie, zij de studiekosten als spaargeld mocht houden. Het bestaan van een afspraak over het terugbetalen van de studiekosten – en in het verlengde daarvan het bestaan van een opeisbare vordering van [gedaagde] op [eiseres] – is gelet op de betwisting van [eiseres] niet op eenvoudige wijze vast te stellen. De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] dus toewijzen.
De wettelijke rente
5.8
[eiseres] vordert over het bedrag van € 10.353,29 wettelijke rente in de zin van 6:119 BW vanaf 20 september 2024. Voor wettelijke rente is vereist dat sprake is van een opeisbare vordering en van verzuim. Hiervoor is overwogen dat [eiseres] vanaf 18 oktober 2024, dus na het verstrijken van de wettelijke betalingstermijn van zes weken, een opeisbare vordering op [gedaagde] had (zie 5.6). Per brief van 4 februari 2025 heeft [eiseres] [gedaagde] aangemaand en een termijn van veertien dagen gegund om alsnog te betalen. [gedaagde] heeft niet betaald, waardoor [gedaagde] vanaf 19 februari 2025 in verzuim is komen te verkeren. De wettelijke rente zal dus niet worden toegewezen vanaf de gevorderde datum 20 september 2024 – omdat op dat moment nog geen sprake was van een opeisbare vordering, maar wel vanaf 19 februari 2025 – het moment van het intreden van het verzuim.
De buitengerechtelijke incassokosten
5.9
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] [gedaagde] na het intreden van het verzuim op 19 februari 2025 niet conform artikel 6:96 lid 6 BW Pro heeft aangemaand om binnen veertien dagen tot betaling over te gaan. Dit betekent dat de vordering van [eiseres] op dit punt zal worden afgewezen.
De proceskosten
5.1
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
Totaal
1.098,00
5.11
De gevorderde wettelijke rente over de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 10.353,29 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 19 februari 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.098,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.