ECLI:NL:RBOVE:2026:331

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/08/341149 / KG ZA 25-272
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 2 BWArt. 9a Waadi
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopig verbod op werkzaamheden voor UWV wegens concurrentiebeding in paardencoach-samenwerking

Partij A, een re-integratiebureau gespecialiseerd in paardencoaching, en partij B hadden een samenwerkingsovereenkomst met een concurrentie-/relatiebeding. Na beëindiging van de samenwerking is partij B begonnen met het uitvoeren van opdrachten voor UWV, de belangrijkste klant van partij A. Partij A vordert een verbod voor partij B om werkzaamheden voor UWV te verrichten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het concurrentiebeding rechtsgeldig is en dat partij B zich daaraan moet houden voor wat betreft UWV. Partij B heeft een netwerk opgebouwd onder de vlag van partij A en heeft zich een cliënt toegeëigend. Het belang van partij A bij handhaving van het beding weegt zwaarder dan het recht van partij B op vrije arbeidskeuze voor UWV-opdrachten.

Voor andere opdrachtgevers dan UWV wordt het concurrentiebeding geschorst omdat partij A onvoldoende belang heeft aangetoond. Het verbod geldt tot 2 augustus 2027 of totdat de bodemrechter anders beslist. Partij B wordt veroordeeld in de proceskosten en een dwangsom wordt opgelegd bij overtreding van het verbod.

Uitkomst: Partij B wordt verboden nieuwe opdrachten voor UWV aan te nemen tot 2 augustus 2027 onder verbeurte van een dwangsom, terwijl het concurrentiebeding voor andere opdrachtgevers wordt geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/341149 / KG ZA 25-272
Vonnis in kort geding van 27 januari 2026
in de zaak van
[partij A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. P.J. van Hartingsveldt,
tegen
[partij B], handelend onder de naam
[bedrijf 1],
wonende te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. J.I. Veldhuis-Lampe.

1.De zaak in het kort

1.1.
[partij A] is een re-integratiebureau op het gebied van paardencoaching. [partij A] en [partij B] hadden een samenwerkingsovereenkomst, waarbij [partij B] opdrachten als paardencoach voor [partij A] uitvoerde. In de overeenkomst is een concurrentie-/relatiebeding opgenomen. Na het eindigen van de samenwerkingsovereenkomst is [partij B] opdrachten voor de belangrijkste klant van [partij A] (UWV) gaan uitvoeren. [partij A] wil dat het [partij B] wordt verboden nog werkzaamheden voor (onder meer) UWV te verrichten. [partij B] wil juist dat het concurrentie-relatiebeding wordt geschorst.
1.2.
De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat [partij B] voor wat betreft de klant UWV is gehouden aan het concurrentie-/relatiebeding. Vanaf de datum van dit vonnis mag [partij B] daarom geen nieuwe opdrachten/cliënten van UWV – al dan niet via een contractspartij van UWV – aannemen. Doet [partij B] dat toch, dan verbeurt zij een dwangsom. Voor het overige wordt het concurrentie-/relatiebeding geschorst.

2.De procedure

2.1.
De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding met dertien producties;
- drie producties, ingediend aan de zijde van [partij B] ;
- de vordering in reconventie, ingediend aan de zijde van [partij B] ;
- productie 14, ingediend aan de zijde van [partij A] .
2.2.
Op 6 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren namens [partij A] mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2] aanwezig, bijgestaan door mr. P.J. Hartingsveldt. [partij B] was ook aanwezig, bijgestaan door mr. J.I. Veldhuis-Lampe. Beide advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd.

3.De feiten

3.1.
[partij A] is een re-integratiebureau. Zij begeleidt in het hele land cliënten met een afstand tot de arbeidsmarkt naar een duurzame deelname aan de maatschappij en/of arbeidsmarkt. Dit doet zij door het aanbieden van paardencoaching.
3.2.
[partij A] is op het gebied van paardencoaching één van de contractspartijen van UWV. UWV kan alleen cliënten doorverwijzen naar gecontracteerde re-integratiebureaus. Individuele paardencoaches kunnen zich bij [partij A] aansluiten en zo voor UWV werken, zonder dat zij zelf aan alle vereisten van UWV hoeven te voldoen.
3.3.
Per 1 juli 2022 heeft [partij B] haar eenmanszaak ‘ [bedrijf 1] ’ laten inschrijven in de Kamer van Koophandel.
3.4.
Sinds 16 februari 2023 is [partij B] één van de paardencoaches, waarmee [partij A] een samenwerkingsovereenkomst had. In dat kader verrichtte [partij B] met name re-integratietrajecten ten behoeve van UWV.
3.5.
In de samenwerkingsovereenkomst staan onder meer de volgende bepalingen:
Artikel 7 lid Pro 2:
“Opdrachtnemer verbindt zich aan de afspraak om actief te zijn in het aanbieden van de dienstverlening, het lokaal werven en acquireren van cliënten (…)”
Artikel 16 lid Pro 2:
“Het is opdrachtnemer gedurende de looptijd van deze overeenkomst en gedurende twee (2) jaar na het einde daarvan niet toegestaan om (direct of indirect) zelf activiteiten in het kader van de samenwerkingsovereenkomst verbonden uitvoeringsorganisaties en/of specifieke andere opdrachtgevers te verrichten, die gelijk of nagenoeg gelijk zijn aan de activiteiten van partijen ten tijde van de samenwerkingsovereenkomst, dan wel om door middel van intermediairs en/of tussenpersonen op die wijze werkzaam te zijn. Uiteraard staat het de opdrachtnemer vrij om een dienstverlening uit te voeren namens andere opdrachtgevers.”
In bijlage V bij de samenwerkingsovereenkomst staat onder meer:
“Van de aangesloten paardencoach wordt een pro-actieve en ondernemende instelling verwacht richting de contactpersonen bij het UWV als het gaat om het werven van nieuwe cliënten. Ook geldt dit bij de diverse andere [partij A] opdrachtgevers en potentiële cliënten om nieuwe trajecten te genereren. De coach neemt verder deel aan de diverse reïntegratiemarkten in de eigen regio en het periodiek collegiale overleg bij de [partij A] collega’s in het land.”
en
“Functie kwalificaties
(…)Een groot sociaal en zakelijk netwerk hebben in de eigen regio en bereid zijn dit verder uit te breiden,
In bijlage VII staat onder meer:
“De aangesloten paardencoach mag geen uitingen doen, op welke manier dan ook,
vanuit de eigen bedrijfsnaam. Het UWV stelt [partij A] verplicht erop toe te zien dat er alleen vanuit de naam van de contractpartij gehandeld en gecommuniceerd wordt, zodat er geen verwarring kan ontstaan bij UWV-medewerkers en/of -cliënten.”
3.6.
Naast de werkzaamheden voor [partij A] , verzorgde [partij B] voor [bedrijf 2] B.V. de Basisopleiding paardencoaching en werkt zij nog bij [bedrijf 3] als trajectbegeleider, jobcoach en consulent arbeidsbemiddeling.
3.7.
Op 6 april 2025 heeft een potentiële cliënt (hierna: cliënt X) het volgende aan [partij A] geschreven:
“Hallo, ik zou graag kennis maken om te zien of we misschien een match kunnen zijn. Ik loop bij UWV en wil graag verder in mijn herstel (…)”
3.8.
Per e-mail van 7 april 2025 heeft [partij A] geantwoord:
“(…) Wij hebben een coach werken vlakbij [plaats 1] maar die zit momenteel vol. Wel hebben we mogelijkheid in [plaats 2] . Is dit voor jou haalbaar?”
3.9.
In reactie daarop heeft cliënt X als volgt aan [partij A] bericht:
“Jammer dat [plaats 1] vol zit. [plaats 2] zou wel kunnen.”
3.10.
Per e-mail van 9 april 2025 heeft [partij A] aan cliënt X geschreven:
“Dan breng ik je graag in contact met onze coach [partij B] . [partij B] neemt contact met je op voor een kennismaking.”
3.11.
Bij e-mail van 18 april 2025 heeft [partij B] de samenwerking met [bedrijf 2] B.V. opgezegd.
3.12.
Per e-mail van 2 mei 2025 heeft [partij A] aan [partij B] geschreven:
“(…) Op basis daarvan willen we je laten weten dat wij geen verdere samenwerking zien, zowel binnen [bedrijf 2] als binnen [partij A] BV. Conform de samenwerkingsovereenkomst hanteren we voor [partij A] BV de opzegtermijn van drie maanden. (…).”
3.13.
Per e-mail van 8 juli 2025 heeft [partij A] cliënt X het volgende bericht:
“Alweer enige tijd geleden hebben we contact gehad over de mogelijkheid voor een re-integratietraject. Ik heb je toen gekoppeld aan [partij B] .
Ik ben even benieuwd hoe het een en ander gelopen is!”
3.14.
Daarop heeft cliënt X gereageerd met het volgende e-mailbericht:

Ik heb kennis gemaakt en aangegeven dat ik graag met haar het traject in ga. Na de vakantie starten we.”
3.15.
Cliënt X heeft naar aanleiding van door [partij B] gestelde vragen nog schriftelijk verklaard:
“Door wie ben je doorverwezen van het UWV?
[naam 3] . Zij kent jou uit de tijd dat je werkzaam bent geweest bij ZaZ Welzijn. In die tijd hebben jullie vaker contact gehad en trajecten uitgevoerd.
Degene die je doorverwezen heeft, heeft zij mijn naam genoemd destijds?
Ja, [naam 3] noemde heel specifiek jouw naam en ik zag op jouw website dat de aanmelding via [partij A] moest dus vandaar dat ik het contactformulier heb ingevuld.
(…)
Wat zou het met jou doen als je het traject niet bij mij zou kunnen volgen?
Dat zou een enorme teleurstelling zijn ,want ik heb jou met zorg gekozen. Het alternatief was een paardencoach hier om de hoek in [plaats 1] , maar daar ontbraken de echte klik en het vertrouwen in het kennismakingsgesprek.”
3.16.
Op de website van [partij B] staat dat zij in opdracht van UWV re-integratietrajecten met inzet van paardencoaching aanbiedt.
3.17.
Per brief van 22 augustus 2025 heeft de gemachtigde van [partij A] [partij B] verzocht per direct alle concurrerende werkzaamheden te staken.

4.Het geschil

4.1.
[partij A] vordert kort gezegd:
dat het [partij B] met onmiddellijke ingang, tot twee jaar na het eindigen van de samenwerkingsovereenkomst, zal worden verboden om op directe of indirecte wijze opdrachten aan te gaan met, diensten te verrichten ten behoeve van of op enige andere wijze betrokken te zijn bij het UWV of een andere grote opdrachtgever van [partij A] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere overtreding en per dag(deel) dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 50.000,-;
[partij B] te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
[partij A] voert daartoe aan dat [partij B] onder meer handelt in strijd met het concurrentie-/relatiebeding door opdrachten voor haar belangrijkste klant UWV uit te voeren. Ook heeft [partij B] zich na het eindigen van de samenwerkingsovereenkomst een potentiële cliënt (X) van [partij A] toegeëigend. [partij A] heeft een spoedeisend belang dat [partij B] de werkzaamheden voor (met name) UWV staakt. [partij A] wil haar bedrijfsdebiet en goede reputatie beschermen.
[partij B] heeft kunnen profiteren van het netwerk van [partij A] en van het contract van [partij A] met UWV. [partij B] had daardoor een structurele stroom aan UWV-opdrachten. UWV kan niet rechtstreeks naar [partij B] cliënten voor paardencoaching doorverwijzen; [partij B] heeft daarvoor een partij (zoals [partij A] ) nodig die een contract heeft met UWV. Dat [partij B] nu via een andere partij met een contract van UWV werkzaamheden voor UWV kan verrichten, is uitsluitend te danken aan de kennis en ervaring die zij heeft opgebouwd gedurende de samenwerking met [partij A] . Weliswaar had [partij B] door haar arbeidsverleden enige contacten met medewerkers van UWV, maar dat was niet in het kader van paardencoaching. De workshops die [partij B] aan arbeidsdeskundigen van UWV heeft gegeven (en waarbij contacten zijn gemaakt), zijn bovendien onder de vlag van [partij A] georganiseerd.
4.3.
[partij B] is van mening dat het concurrentie-/relatiebeding nietig is. Zo is het beding verwarrend, aangezien er geen logische zin staat en het niet duidelijk is welke relaties onder een eventueel verbod zouden vallen. Ook is het beding nietig in het verlengde van artikel 9a Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (hierna: Waadi).
Daarnaast is het beroep op het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Met het concurrentie-/relatiebeding maakt [partij A] het onmogelijk om gedurende twee jaar te werken, waarbij het in feite gaat om een landelijk werkverbod. [partij B] verklaart dat 95% van haar trajecten afkomstig is van UWV. Daar komt bij dat [partij A] zelf de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen heeft opgezegd. Het netwerk bij UWV heeft [partij B] bovendien zelf opgebouwd, zonder bijdrage van [partij A] . De verwijzingen vanuit UWV ontstaan door het vertrouwen van arbeidsdeskundigen in een specifieke coach. Zij had het netwerk bij UWV bovendien al voordat zij bij [partij A] kwam werken. Ze voert al sinds 2018 re-integratietrajecten voor UWV uit. Ook heeft [partij A] geen schade; [partij A] heeft niet één traject genoemd dat zonder [partij B] wel door [partij A] zou zijn geleverd. Handhaving van het concurrentie-/relatiebeding dient al met al geen legitiem doel.
Het UWV kan bovendien niet als één relatie worden beschouwd, aangezien er vele afdelingen en contactpersonen zijn, en het lokale netwerken betreffen.
Van onrechtmatige concurrentie is ook geen sprake. Tot slot verzet [partij B] zich tegen (de hoogte van) de dwangsom.
4.4.
In reconventie vordert [partij B] schorsing van het concurrentie-/relatiebeding, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.

5.De beoordeling

Spoedeisend belang
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [partij A] bij de gevorderde voorziening een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat in dit geval voortvloeit uit de aard van de zaak, aangezien [partij B] momenteel buiten [partij A] om werkzaamheden verricht voor de belangrijkste klant van [partij A] (UWV) en [partij A] er belang bij heeft dat daarover snel wordt geoordeeld.
5.2.
De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.
[partij B] mag geen opdrachten uitvoeren voor UWV
5.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het concurrentie-/relatiebeding is opgenomen in een door partijen ondertekende overeenkomst van opdracht (in artikel 16 lid Pro 2) en rechtsgeldig is overeengekomen.
5.4.
Weliswaar is de voorzieningenrechter het met [partij B] eens dat het beding duidelijker opgeschreven had kunnen worden, maar uit het beding vloeit voldoende voort dat het [partij B] verboden is om concurrerende werkzaamheden te verrichten voor opdrachtgevers van [partij A] . Aangezien UWV zowel in de samenwerkingsovereenkomst als in de bijbehorende bijlagen een prominente rol inneemt, moet het [partij B] ook duidelijk zijn geweest dat UWV in ieder geval valt onder het begrip ‘uitvoeringsorganisatie/ opdrachtgever’, zoals genoemd in het concurrentie-/relatiebeding. Uit de samenwerkingsovereenkomst blijkt dus voldoende dat afgesproken is dat [partij B] na het eindigen van de samenwerkingsovereenkomst geen werkzaamheden voor UWV mocht verrichten.
5.5.
[partij B] moet zich daarom in beginsel aan het beding houden.
-
Redelijkheid en billijkheid
5.6.
Dit is anders als het beroep van [partij A] op het concurrentie-/relatiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW Pro. Deze lat ligt hoog: een beroep op een overeengekomen beding wordt niet gauw als onaanvaardbaar aangemerkt. Aan de andere kant kan de beperking die een concurrentiebeding aan iemand oplegt, ingrijpend zijn.
5.7.
Er moet een afweging worden gemaakt tussen het grondwettelijk recht op vrije arbeidskeuze van [partij B] enerzijds en het belang van [partij A] bij handhaving van het concurrentie-/relatiebeding anderzijds. Bij deze afweging spelen alle feiten en omstandigheden van het geval een rol.
5.8.
De voorzieningenrechter heeft deze afweging gemaakt en is voorlopig van oordeel dat het niet onaanvaardbaar is dat [partij A] een beroep doet op het beding, voor zover het gaat om werkzaamheden die [partij B] verricht voor UWV. Hieronder wordt dat nader toegelicht.
5.9.
[partij A] heeft er een gerechtvaardigd belang bij dat [partij B] stopt met haar concurrerende werkzaamheden voor UWV, de grootste klant van [partij A] .
5.10.
Vaststaat dat [partij B] [partij A] beconcurreert door opdrachten van UWV aan te nemen. Ook staat vast dat zij zich een UWV-klant van [partij A] heeft toegeëigend. [partij B] stelt dat UWV aan cliënt X specifiek haar naam had doorgegeven en verwijst daarbij naar de verklaring van de betreffende cliënt. De verklaring lijkt echter tegenstrijdig met de inhoud van de mailcorrespondentie tussen [partij A] en de betreffende cliënt. Mocht de medewerker van UWV bovendien wel de naam van [partij B] hebben genoemd, maakt dat nog niet dat [partij B] deze cliënt had mogen toe-eigenen. De naam van [partij B] kon namelijk alleen genoemd worden, omdat zij onder de vlag van [partij A] werkte en [partij A] een contract met UWV heeft. De cliënt is via [partij A] binnengekomen en het traject zou ook onder haar vlag worden gedaan.
5.11.
Alleen partijen die een contract met UWV hebben, kunnen vanuit UWV cliënten doorverwezen krijgen. Daarvoor moet de betreffende partij aan verschillende voorwaarden voldoen. [partij B] kon via [partij A] dus UWV-klanten doorverwezen krijgen, waar zij dat zonder [partij A] – of een andere organisatie die een contract met UWV heeft – niet kon. Momenteel coacht [partij B] cliënt X via een andere (concurrerende) partij, die kennelijk een contract met UWV heeft.
5.12.
Verder is aannemelijk dat [partij B] onder de vlag van [partij A] een netwerk heeft kunnen opbouwen bij UWV. Daar doet niet aan af dat de paardencoaches uiteindelijk de relatie met (de medewerkers van) UWV op-/uitbouwen. Daarvoor heeft – zoals ook uit de door [partij B] overgelegde verklaringen blijkt - [partij B] onder meer workshops georganiseerd voor arbeidsdeskundigen van UWV en heeft zij haar contacten uit haar arbeidsverleden aangewend. Dit alles gebeurde onder de vlag van [partij A] . Uit de samenwerkingsovereenkomst (artikel 7 lid 2 en Pro bijlage V en VII) blijkt ook dat het juist de bedoeling was dat [partij B] proactief zou acquireren en nieuwe cliënten zou werven (onder meer door een proactieve instelling richting de contactpersonen bij UWV). Dit maakte onderdeel uit van de samenwerking tussen [partij A] en [partij B]
5.13.
Dat [partij B] al voordat zij ging samenwerken met [partij A] een netwerk op het gebied van paardencoaching bij UWV had, is niet gebleken. Tijdens de mondelinge behandeling verklaarde zij dat zij, voordat zij voor [partij A] begon te werken, alleen particulieren als cliënt bediende. Zij kende al wat mensen bij UWV vanuit haar werkverleden, maar die kenden [partij B] niet als paardencoach. Die contactpersonen heeft zij wel gebruikt om voor (en onder de vlag van) [partij A] haar netwerk voor paardencoaching op te bouwen.
5.14.
De voorzieningenrechter ziet ook het belang van [partij B] , aangezien UWV een grote opdrachtgever is, die het leeuwendeel van de opdrachten voor paardencoaching aanlevert. [partij B] zal dus een grote (landelijke) toeleverancier van opdrachten missen als zij aan het concurrentie-/relatiebeding wordt gehouden. Echter mag zij nog altijd voor andere opdrachtgevers werken, zowel op de zakelijke markt als voor particulieren. Daarnaast is tijdens de zitting gebleken dat [partij B] via [partij A] slechts een klein deel van haar tijd trajecten als paardencoach voor UWV uitvoerde (in ongeveer 2,5 jaar tijd circa 280 tot 350 uur, te weten ongeveer 10 à 12 uur per maand). De overige tijd werkte zij onder meer als opleider voor [bedrijf 4] B.V.; die overeenkomst, met [partij A] B.V., heeft [partij B] zelf op 18 april 2025 opgezegd. Ook werkt [partij B] nog parttime bij [bedrijf 3] als trajectbegeleider, jobcoach en consulent arbeidsbemiddeling. [partij B] was/is qua werk dus niet alleen maar afhankelijk van UWV-trajecten.
5.15.
[partij B] is van mening dat UWV niet als één organisatie moet worden gezien, maar dat iedere regio een eigen relatie betreft. Echter bedienen paardencoaches van [partij A] UWV-cliënten door het hele land en opereert het UWV ook als één organisatie, aangezien het contract met UWV landelijk geldt.
5.16.
Alles afwegende is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het beroep van [partij A] op het concurrentie-/relatiebeding voor wat betreft UWV niet onaanvaardbaar is. Dat [partij A] de samenwerking met [partij B] heeft opgezegd, legt onvoldoende gewicht in de schaal en maakt – gezien voorgaande omstandigheden – het niet onaanvaardbaar dat [partij A] een beroep op het concurrentie-/relatiebeding doet.
5.17.
Ten aanzien van de andere opdrachtgevers van [partij A] geldt dit niet. [partij B] heeft voor [partij A] – op één opdracht na – alleen maar trajecten voor UWV-cliënten verricht. [partij A] heeft onvoldoende toegelicht wat haar belang is bij handhaving van het concurrentie-/relatiebeding ten aanzien van andere opdrachtgevers dan UWV. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer [naam 2] ook verklaard dat het [partij A] vooral om UWV als opdrachtgever is te doen. Na afweging van de belangen, is de voorzieningenrechter dan ook voorlopig van oordeel dat het onaanvaardbaar is dat [partij A] zich ten aanzien van de ‘andere opdrachtgevers’ dan UWV op het concurrentie-/relatiebeding beroept.
-
Belemmeringsverbod Waadi
5.18.
Dan is nog de vraag of het concurrentie-/relatiebeding in strijd is met het belemmeringsverbod, zoals dat staat in artikel 9a Waadi. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat dat niet het geval is.
5.19.
Op grond van artikel 9a Waadi mag degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt geen belemmeringen in de weg leggen voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst na afloop van de terbeschikkingstelling tussen de ter beschikking gestelde arbeidskracht en degene aan wie hij ter beschikking is gesteld. Uit de jurisprudentie blijkt dat dit belemmeringsverbod ook van toepassing kan zijn als een uitgeleend persoon na de inleenperiode als zzp’er aan de slag wil bij de inlener. Voor de toepasselijkheid is echter onder meer vereist dat een opdrachtnemer onder toezicht en leiding van de inlenende onderneming werkzaamheden verrichte.
5.20.
[partij B] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij ‘onder (toezicht en) leiding’ van UWV werkzaamheden heeft verricht. [partij B] voert aan dat UWV toezicht hield op de voortgang, de inhoud en het resultaat, maar heeft niet toegelicht hoe dit er in de praktijk uitzag en in hoeverre UWV leiding zou geven. Voor zover de voorzieningenrechter bekend, moest [partij B] weliswaar rapportages opstellen, maar mocht zij haar werk op haar eigen locatie uitvoeren en op een manier hoe haar dat goeddunkte. Dit blijkt ook uit bijlage V bij de samenwerkingsovereenkomst: “
Daarbij is de coach vrij om het inhoudelijke traject invulling te geven naar eigen inzicht, binnen de doelstellingen en kwaliteitsnormen die door de specifieke opdrachtgevers en [partij A] gesteld worden.”
5.21.
De voorzieningenrechter is daarom voorlopig van oordeel dat het beroep van [partij B] op artikel 9a Waadi niet slaagt.
-
Conclusie en ingangsdatum verbod
5.22.
De voorzieningenrechter wijst de vordering van [partij A] in zoverre toe dat het [partij B] wordt verboden – al dan niet via derden – opdrachten te verrichten voor UWV.
5.23.
Bij het bepalen van de ingangsdatum van het verbod houdt de voorzieningenrechter rekening met de cliënten die al in traject zijn bij [partij B] . De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat van hen niet kan worden verlangd het traject opnieuw bij een andere coach te beginnen. [partij B] zal daarom worden verboden vanaf de datum van dit vonnis nieuwe cliënten van UWV aan te nemen – al dan niet via een contractspartij van UWV. Dit verbod geldt tot 2 augustus 2027 of tot het moment dat de bodemrechter anders beslist.
(Gematigde) dwangsom
5.24.
De voorzieningenrechter wijst de gevorderde dwangsommen toe, maar acht de door [partij A] gevorderde dwangsom(men) niet in verhouding tot de bedragen die [partij B] ontvangt bij een traject, waarbij – zoals ter zitting naar voren werd gebracht – één afspraak met een cliënt op een dag ongeveer 1,5 uur duurt (met eventuele uitloop).
5.25.
De voorzieningenrechter wijst de gevorderde dwangsom daarom vanaf de vonnisdatum toe, zoals hieronder vermeld onder de beslissing.
Proceskosten
5.26.
[partij B] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij A] betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.140,21
In reconventie
5.27.
Zoals hiervoor al aan de orde kwam, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het belang van [partij B] om voor andere opdrachtgevers (dan UWV) te mogen werken – ook als deze ook klant zijn van [partij A] – zwaarder weegt dan het belang van [partij A] . Voor zover het beding aldus ziet op andere opdrachtgevers dan UWV, wordt het beding geschorst.
5.28.
De proceskosten worden gecompenseerd, omdat de vordering samenhangt met de vordering in conventie. Dit betekent dat in reconventie beide partijen de eigen proceskosten dragen.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
verbiedt [partij B] om vanaf de dag van dit vonnis, op enigerlei directe of indirecte wijze nieuwe (concurrerende) diensten te verrichten ten behoeve van of nieuwe (concurrerende) opdrachten aan te gaan met UWV (zoals hiervoor bedoeld onder 5.23) tot twee jaar na het eindigen van de samenwerkingsovereenkomst (2 augustus 2027) of totdat in een bodemzaak anders wordt beslist, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding en per dag(deel) dat die overtreding voortduurt, tot een maximum van € 20.000,-, welke aan [partij A] verschuldigd zal zijn;
6.2.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op € 2.140,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
in reconventie
6.3.
schorst het concurrentie- en relatiebeding zoals opgenomen in artikel 16 lid 2 van Pro de tussen [partij A] en [partij B] gesloten samenwerkingsovereenkomst voor zover het artikel ziet op andere opdrachtgevers/uitvoeringsorganisaties dan UWV totdat in een bodemprocedure anders wordt beslist;
6.4.
compenseert de proceskosten, in die zin dat beide partijen de eigen proceskosten dragen;
in conventie en in reconventie
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026. (JK)