Partij A, een re-integratiebureau gespecialiseerd in paardencoaching, en partij B hadden een samenwerkingsovereenkomst met een concurrentie-/relatiebeding. Na beëindiging van de samenwerking is partij B begonnen met het uitvoeren van opdrachten voor UWV, de belangrijkste klant van partij A. Partij A vordert een verbod voor partij B om werkzaamheden voor UWV te verrichten.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het concurrentiebeding rechtsgeldig is en dat partij B zich daaraan moet houden voor wat betreft UWV. Partij B heeft een netwerk opgebouwd onder de vlag van partij A en heeft zich een cliënt toegeëigend. Het belang van partij A bij handhaving van het beding weegt zwaarder dan het recht van partij B op vrije arbeidskeuze voor UWV-opdrachten.
Voor andere opdrachtgevers dan UWV wordt het concurrentiebeding geschorst omdat partij A onvoldoende belang heeft aangetoond. Het verbod geldt tot 2 augustus 2027 of totdat de bodemrechter anders beslist. Partij B wordt veroordeeld in de proceskosten en een dwangsom wordt opgelegd bij overtreding van het verbod.