Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3290

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
08/174727-25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak afpersing en veroordeling voor bezit illegaal vuurwapen

De rechtbank Overijssel behandelde op 4 juni 2026 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van afpersing met geweld en het bezit van een illegaal vuurwapen. De rechtbank sprak verdachte vrij van de afpersing omdat niet kon worden bewezen dat het slachtoffer onder dwang goederen had afgegeven; het betrof eerder diefstal met geweld, wat niet ten laste was gelegd.

Wel werd bewezen verklaard dat verdachte op 6 juni 2025 in het bezit was van een gaspistool van het merk Glock met munitie, een vuurwapen van categorie III volgens de Wet wapens en munitie. Verdachte bekende dit feit en er was voldoende bewijs in het dossier.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het gevaar van het wapen en de maatschappelijke impact van vuurwapenbezit. Tegelijkertijd werd meegewogen dat verdachte, een 19-jarige met een belaste voorgeschiedenis en verslavingsproblematiek, positieve stappen had gezet in begeleiding en behandeling. Daarom werd een taakstraf van 150 uur opgelegd, waarvan 54 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en diverse bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering en behandeling voor verslavingsproblematiek.

De vorderingen van de benadeelde partijen werden afgewezen omdat de afpersing niet bewezen was. De rechtbank bepaalde dat verdachte de eigen kosten draagt en dat de tijd in voorarrest in mindering wordt gebracht op de taakstraf. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer in Almelo.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van afpersing en veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur, waarvan 54 uur voorwaardelijk, voor bezit van een gaspistool met munitie.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08/174727-25 (P)
Datum vonnis: 4 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.Inleiding

Op de terechtzitting
De officier van justitie heeft verdachte (hierna: [verdachte]) opgeroepen om op 21 mei 2026 voor de rechtbank te verschijnen. Deze oproep wordt een dagvaarding genoemd. In de dagvaarding staat de tenlastelegging. In de tenlastelegging staan de beschuldigingen, dus een beschrijving van de strafbare feiten waaraan [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt.
Op 21 mei 2026 hebben de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsman, mr. C. Verrillo, advocaat in Denekamp, tijdens een openbare zitting gezegd wat zij van de beschuldigingen vinden. De rechtbank heeft daar naar geluisterd.
De rechtbank heeft ook geluisterd naar mevrouw [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland, die namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]), heeft verteld over de gevolgen van de beschuldigingen voor hen.
Het vonnis in het kort
De rechtbank schrijft hieronder kort waar het in het vonnis over gaat en daarna wat de conclusie van de rechtbank is.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het eerste feit waarvan [verdachte] wordt beschuldigd, de afpersing met geweld en bedreiging met geweld, niet kan worden bewezen. De rechtbank zal [verdachte] daarvan vrijspreken. [verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het in zijn bezit hebben van een gaspistool met munitie. Hij krijg daarom een straf opgelegd: een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van 150 uur, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 54 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Dit betekent dat [verdachte] het voorwaardelijke gedeelte van de taakstraf nu niet hoeft uit te voeren, op voorwaarde dat hij binnen twee jaren niet nogmaals een strafbaar feit pleegt en zich houdt aan de bijzondere voorwaarden zoals deze aan het eind van dit vonnis zijn geformuleerd.
Het volledige vonnis
De rechtbank gaat verder door uitgebreid te beschrijven wat zij van de beschuldigingen van de officier van justitie vindt. Dit doet zij aan de hand van verschillende stappen in een bepaalde volgorde, zoals de wet die voorschrijft.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er kort gezegd, op neer dat [verdachte]:
feit 1:samen met anderen althans alleen [slachtoffer 1] heeft afgeperst, dan wel dat [verdachte] medeplichtig is geweest aan die afpersing;
feit 2:een gaspistool met munitie voorhanden heeft gehad.
Voluit luiden de beschuldigingen aan [verdachte], dat:
1
hij op of omstreeks 5 juni 2025 te Enschede
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld waarbij hij en/of een van zijn
mededaders
[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een (witgouden) ring en/of een
echtheidscertificaat van die ring, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan
die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n)
door die ring en dat certificaat onverhoeds in zijn tas te stoppen en vervolgens
(rennend) de kamer te verlaten en zich daarbij los te rukken uit de greep van die
[slachtoffer 1] tengevolge waarvan zij ten val kwam en/of vervolgens (buiten) een op een
vuurwapen gelijkend voorwerp op/naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft
gericht en daarbij tegen haar/hen heeft geroepen: "ik ga schieten, ik ga schieten'
althans woorden van gelijke aard/strekking en/of met zijn, verdachtes wapen op de
linkerhand van die [slachtoffer 1] heeft geslagen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[betrokkene 1] en/of [medeverdachte] of omstreeks 5 juni 2025 te Enschede,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld waarbij hij en/of een van zijn
mededaders
[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een (witgouden) ring en/of een
echtheidscertificaat van die ring, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan
die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n)
door die ring en dat certificaat onverhoeds in zijn tas te stoppen en vervolgens
(rennend) de kamer te verlaten en zich daarbij los te rukken uit de greep van die
[slachtoffer 1] tengevolge waarvan zij ten val kwam en/of vervolgens (buiten) een op een
vuurwapen gelijkend voorwerp op/naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft
gericht en daarbij tegen haar/hen heeft geroepen: "ik ga schieten, ik ga schieten'
althans woorden van gelijke aard/strekking en/of met zijn, verdachtes wapen op de
linkerhand van die [slachtoffer 1] heeft geslagen;
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 5 juni 2025 te
Enschede, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid,
middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door die [medeverdachte] op een scooter naar de
plaats delict te vervoeren en/of vervolgens hem weer met die scooter van de plaats
delict weg te vervoeren;
2
hij op of omstreeks 6 juni 2025 te Hengelo, gemeente Hengelo (O)
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten gaspistool, van het merk Glock, type model 17 GEN5, kaliber 9 mm
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
en/of twee knalpatronen kaliber 9mm van het type Walther P.A. knall zijnde
munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie Pro III van de Wet
Wapens en Munitie;
voorhanden heeft gehad
3. De bewijsmotivering [1]
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat feit 1 onder primair en feit 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman refereert zich wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of [verdachte] zich (samen met anderen) schuldig heeft gemaakt aan het afpersen van [slachtoffer 1]. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Voor een bewezenverklaring van afpersing is vereist dat het slachtoffer wordt gedwongen tot
afgiftevan enig goed.
Uit het dossier en uit wat gezegd is op de terechtzitting blijkt het volgende. [slachtoffer 1] heeft in haar aangifte verklaard dat zij de ring in het doosje en het echtheidscertificaat aan medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) heeft gegeven om te bekijken. [medeverdachte] hield de ring en het certificaat vast en stopte ze daarna in zijn tas. Vervolgens wilde hij naar buiten rennen. [slachtoffer 1] probeerde [medeverdachte] tegen te houden, waarna hij een wapen uit zijn tas haalde. Hij richtte het wapen op haar en riep: “
ik ga schieten, ik ga schieten”.Daarna sloeg hij met het wapen op de linkerhand van [slachtoffer 1]. Zij liet [medeverdachte] los en hij rende weg. [2]
Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat in dit geval geen sprake is geweest van het onder dwang
afgevenvan goederen, maar van het
wegnemenvan goederen, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld. Dit zou kunnen worden gekwalificeerd als diefstal met geweld, maar dat is niet ten laste gelegd.
De rechtbank acht dan ook niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat zij [verdachte] daarvan zal vrijspreken.
Ten aanzien van feit 2
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. [verdachte] heeft dit feit bekend. Tijdens de zitting is door [verdachte] of zijn raadsman geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal - overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering – met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen volstaan:
de (bekennende) verklaring van [verdachte], afgelegd tijdens het onderzoek op de zitting van 21 mei 2026;
het proces-verbaal van bevindingen van 6 juni 2025, pagina 68;
het proces-verbaal onderzoek wapen van 18 juli 2025, pagina 364 tot en met 374.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank vindt op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
2
hij op 6 juni 2025 te Hengelo, gemeente Hengelo (O)
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten gaspistool, van het merk Glock, type model 17 GEN5, kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en twee knalpatronen kaliber 9mm van het type Walther P.A. knall zijnde
munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie Pro III van de Wet
Wapens en Munitie, voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 2
het misdrijf:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot vuurwapen van categorie III
en
het misdrijf:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 dagen, met aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met een proeftijd van twee jaar en daarbij de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering deze heeft geadviseerd, met uitzondering van de lange klinische opname. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd [verdachte] een taakstraf op te leggen van 150 uren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman vindt een gevangenisstraf voor de duur van 48 dagen met aftrek van de duur van het voorarrest een passende straf. De raadsman heeft verzocht de taakstraf te matigen naar 80 uur.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte] zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank heeft daarbij vooral op het volgende gelet.
De aard en de ernst van het gepleegde feit
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een gaspistool en patronen. Een gaspistool is geschikt voor afdreiging en is in staat letsel te veroorzaken. Een dergelijk wapen vormt een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving. Er is in Nederland een zorgwekkende toename van vuurwapenbezit en het daarbij komende geweld en er staan dan ook niet voor niets zware straffen op het bezit van vuurwapens. De rechtbank vindt het een ernstig feit en rekent [verdachte] dit aan.
De persoon van [verdachte]
Wat betreft de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank gekeken naar zijn strafblad van
11 mei 2026. Hieruit volgt dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor wapenbezit.
Daarnaast heeft de rechtbank het reclasseringsadvies van 11 mei 2026 gelezen. De reclassering beschrijft [verdachte] als een 19-jarige jongen met een belaste voorgeschiedenis, die bekend is met drugsverslaving.. [verdachte] begeeft zich in een sociaal netwerk waarin delictgedrag niet wordt gemeden. Hij was tot voor kort niet bij machte om zijn gedrag te veranderen. [verdachte] loopt sinds augustus 2025 in een schorsingstoezicht en heeft gedurende dit toezicht positieve stappen gezet. [verdachte] woont sinds enkele maanden bij ‘Zekere Basis’, hij krijgt hulpverlening op het gebied van zijn financiën en de band met zijn familie wordt sterker. De reclassering ziet een voorzichtige stijgende lijn. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld-hoog, met name omdat een terugval in harddrugs als risicoverhogend wordt gezien. De reclassering vindt diagnostiek, behandeling en eventueel een klinische opname noodzakelijk en denkt dat een gedragsverandering nodig is om toe te werken naar een structurele stabiliteit op de leefgebieden en het vergroten van vaardigheden betreffende het probleemoplossend vermogen van [verdachte]. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling en diagnostiek met een mogelijke kortdurende opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met medeverdachten, het hebben van een dagbesteding en het beheersen van het middelengebruik.
De strafoplegging
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. [verdachte] verdient een straf, gelet op de ernst van het feit en het signaal daarover naar hem en ook naar de rest van de samenleving. De rechtbank ziet dat [verdachte] stappen in de goede richting heeft gezet en houdt er bij de oplegging van een straf rekening mee dat [verdachte] bezig is zijn leven weer op de rit te krijgen. Hij heeft tijdens de terechtzitting van 21 mei 2026 laten merken dat hij veel spijt heeft van wat hij heeft gedaan. Dat is positief.
De rechtbank ziet echter ook dat [verdachte] zijn gedrag zal moeten veranderen, met name op het gebied van zijn middelengebruik. De rechtbank deelt de zorgen van de reclassering dat een kans op een terugval in middelengebruik en daarmee samenhangend delictgedrag groot is. De rechtbank ziet dan ook de noodzaak voor [verdachte] om alle begeleiding en behandeling die hem wordt geboden met beide handen aan te pakken.
De rechtbank zal [verdachte] een taakstraf van 150 uur opleggen, waarvan een gedeelte van 54 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarbij de voorwaarden opleggen zoals de reclassering ze heeft geadviseerd, met uitzondering van de lange klinische opname en het contactverbod met medeverdachten.

7.De schade van benadeelden

7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
Ten aanzien van feit 1
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 8.000,00 (achtduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de waarde van de gestolen ring € 3.500,00. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 4.500,00 gevorderd.
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.750,00 (zevenentwintighonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde schade bestaat uit
immateriële schade.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de beide benadeelde partijen op grond van artikel 361, tweede lid, Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, omdat de rechtbank [verdachte] van het ten laste gelegde feit 1 vrijspreekt.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 2
het misdrijf:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot vuurwapen van categorie III
en
het misdrijf:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
150 uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
75 dagen;
- bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte van
54 uren (te vervangen door 27 dagen hechtenis bij niet naar behoren verricht bij tenuitvoerlegging)
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij Reclassering Nederland, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, detoxificatie, verslavingsproblematiek en psychische problematiek. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van
maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Verdachte zal zich dan houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij Zekere Basis of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of
vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik
en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol, verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;
schadevergoeding
ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is in de vordering;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1)
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is in de vordering;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.B. de Wit, voorzitter, mr. C.A. Peterzon en
mr. J.L. Souman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
Buiten staat
Mr. C.A. Peterzon is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnummer ON2R025042/WEZEL25. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 6 juni 2025, pagina 124 tot en met 126.