AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen verduistering en oplichting met voorwaardelijke gevangenisstraf en schadevergoeding
De rechtbank Overijssel heeft op 9 april 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van meerdere feiten van verduistering, medeplegen van verduistering en oplichting. De feiten betroffen het verduisteren van elektrische fietsen van diverse bedrijven en het oplichten van meerdere personen via valse verhuuraanbiedingen.
De rechtbank achtte de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8 wettig en overtuigend bewezen, waarbij feit 7 (opzetheling van een gestolen fiets) niet bewezen werd verklaard. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en begeleiding.
Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan verschillende benadeelde partijen, variërend van enkele honderden tot duizenden euro's, met bijbehorende gijzelingsdagen voor het geval van niet-betaling. De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte, zijn psychische problematiek en het advies van de reclassering bij de strafoplegging.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren met een proeftijd van drie jaren en schadevergoedingen aan benadeelden.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.269586.23 (P)
Datum vonnis: 9 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in de PI [locatie].
1.Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 maart 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat in Borne, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat door de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2]) is aangevoerd.
2.De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:in de periode van 6 juni 2022 tot en met 9 juni 2022 in Enschede twee fietsen van [bedrijf 1] heeft verduisterd;
feit 2:in de periode van 27 juni 2022 tot en met 1 juli 2022 in [plaats 1], al dan niet samen met een ander, drie fietsen van [slachtoffer 3] heeft verduisterd;
feit 3:in de periode van 4 juli 2022 tot en met 8 juli 2022 in [plaats 2], al dan niet samen met een ander, drie fietsen van [bedrijf 2] BV heeft verduisterd;
feit 4:in de periode van 6 juli 2022 tot en met 7 juli 2022 in [plaats 3], al dan niet samen met een ander, drie fietsen, behorende aan [bedrijf 3], heeft verduisterd;
feit 5:in de periode van 29 september 2022 tot en met 30 september 2022 in Zwolle, al dan niet samen met een ander, twee fietsen van [bedrijf 5] heeft verduisterd;
feit 6:in de periode van 12 oktober 2022 tot en met 17 oktober 2022 in [plaats 4], al dan niet samen met een ander drie fietsen van [bedrijf 4] heeft verduisterd;
feit 7:zich op 26 juni 2022 in Enschede, al dan niet samen met een ander, schuldig heeft gemaakt aan opzetheling dan wel schuldheling van een fiets van het merk Koga;
- [slachtoffer 9] tot afgifte van €1500,-, althans enig geldbedrag, en/of
- [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] tot afgifte van €1500,-, althans enig geldbedrag,
door
- via de internetsites kamerverhuur.nl en/of facebook.com en/of (vervolgens) via
Whatsapp (een bezichtiging van) (niet aan hem toebehorende)(huur)woning(en)
en/of verhuur van een kamer aan te bieden tegen betaling van huur en/of borg
en/of een aanbetaling,
- ( daarbij) een bankrekening van zichzelf en/of een derde op/door te geven, waarop
het te betalen (huur)bedrag kon worden overgeboekt en/of het bedrag contant in
ontvangst te nemen,
- een huurcontract op te maken,
- al dan niet een rondleiding in de woning te geven en/of sleutels te verstrekken,
en/of
- zich (daarbij) voor te doen als bonafide verhuurder
waardoor bovengenoemde personen zijn bewogen tot bovenomschreven afgiften.
3.De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6, en 8 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Van feit 7 moet verdachte worden vrijgesproken.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Van feit 7 moet verdachte worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6, en 8 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. [1] [2]
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 maart 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.
Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 5, 6, en 8
2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] namens [bedrijf 1], van 30 juni 2022, pagina’s 269-271;
3. Het proces-verbaal van aangifte, door [slachtoffer 3], van 4 juli 2022, pagina’s 343-345;
4. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] namens [bedrijf 2] B.V., van 8 juli 2022, pagina’s 386-388;
5. Het proces-verbaal van aangifte, door [aangever 3] namens [bedrijf 5] van 4 oktober 2022, pagina’s 360-361;
6. Het proces-verbaal van aangifte, met bijlagen, door [aangever 4], namens [bedrijf 4], van 28 oktober 2022, pagina’s 377-379;
7. Het proces-verbaal van aangifte, door [slachtoffer 4] van 22 november 2022, pagina’s 93-97;
8. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] namens [slachtoffer 1] van 25 november 2022 van, pagina’s 125-129;
9. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 9] van 24 november 2022, pagina’s 153-156;
10. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 10] van 21 november 2022, pagina’s 197-201;
11. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 6] van 28 november 2022, pagina’s 227-230;
12. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 7] van 21 november 2022, pagina’s 276-280;
Ten aanzien van feit 4
13. Het proces-verbaal van aangifte, met bijlage, door [aangever 5] van 12 juli 2022, pagina’s 5-9.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 7 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Verdachte is op 26 juni 2022 in Enschede aangetroffen bij een elektrische damesfiets van het merk KOGA. De fiets stond op een fietsendrager die was bevestigd aan een zwarte Volvo. Verdachte was in het bezit van de bijbehorende fietssleutel en fietscomputer. Verdachte heeft verklaard en [naam] (hierna ook: [naam]) heeft bevestigd dat de fiets van [naam] was en dat hij de fiets van [naam] had gekregen voor zijn vriendin. De betreffende fiets bleek op 22 juni 2021 in Enschede te zijn gestolen.
Het enkele feit dat verdachte is aangetroffen bij een, naar later bleek, gestolen fiets, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de KOGA fiets van diefstal afkomstig was. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van hetgeen onder feit 7 aan hem is ten laste gelegd.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij in de periode van 6 juni 2022 tot en met 9 juni 2022 te Enschede, opzettelijk meerdere elektrische fietsen(merk Batavus en Votani), goederen, die geheel toebehoren aan [bedrijf 1] en welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder en/of degene die een proefrit maakt, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2
hij in de periode van 27 juni 2022 tot en met 1 juli 2022 te [plaats 1], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk meerdere elektrische fietsen (merk Gazelle en Batavus), goederen, die geheel toebehoren aan [slachtoffer 3] en welke goederen verdachte en zijn mededader anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als huurder en/of degene die een proefrit maakt, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
3
hij in de periode van 4 juli 2022 tot en met 8 juli 2022 te 's-Heerenberg, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk meerdere elektrische fietsen (merk Gazelle en Batavus), goederen, die geheel toebehoren aan [bedrijf 2] BV en welke goederen verdachte en zijn mededader anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als huurder en/of degene die een proefrit maakt, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
4
hij in de periode van 6 juli 2022 tot en met 7 juli 2022 te [plaats 3], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk meerdere elektrische fietsen (merk Gazelle), goederen, die geheel toebehoren aan [bedrijf 3] en welke goederen verdachte en zijn mededader anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als huurder en/of degene die een proefrit maakt, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
5
hij in de periode van 29 september 2022 tot en met 30 september 2022 te Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk meerdere elektrische fietsen (merk Gazelle), goederen die geheel toebehoren aan [bedrijf 5] en welke goederen verdachte en zijn mededader anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als huurder en/of degene die een proefrit maakt, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
6
hij in de periode van 12 oktober 2022 tot en met 17 oktober 2022 te Hellendoorn, opzettelijk een of meerdere elektrische fietsen (merk Pegasus), goederen, die geheel toebehoren aan [bedrijf 4] en welke goederen verdachte en zijn mededader anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als huurder en/of degene die een proefrit maakt, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
8
hij op meerdere momenten in de periode van 10 november 2022 tot en 12 november 2022 te Enschede, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, te weten
- [slachtoffer 4] tot afgifte van €700,-,
- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 5] tot afgifte van €1.500,-
- [slachtoffer 6] tot afgifte van €750,-,
- [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] van €1.550,-,
- [slachtoffer 9] tot afgifte van €1500,-, en/of
- [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] tot afgifte van €1.500,-,
door
- via de internetsites kamerverhuur.nl en facebook.com en vervolgens via Whatsapp een bezichtiging van niet aan hem toebehorende huurwoningen
en/of verhuur van een kamer aan te bieden tegen betaling van huur en/of borg en/of een aanbetaling,
- daarbij een bankrekening van zichzelf en/of een derde op/door te geven, waarop het te betalen (huur)bedrag kon worden overgeboekt en/of het bedrag contant in ontvangst te nemen,
- een huurcontract op te maken,
- al dan niet een rondleiding in de woning te geven en/of sleutels te verstrekken, en/of
- zich daarbij voor te doen als bonafide verhuurder, waardoor bovengenoemde personen zijn bewogen tot bovenomschreven afgiften.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: verduistering, meermalen gepleegd;
feiten 2, 3, 4, 5 en 6
het misdrijf: medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd;
feit 8
het misdrijf: oplichting, meermalen gepleegd.
5.De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6.De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van achttien maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van drie jaren. Aan de proeftijd moeten de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals door de reclassering geadviseerd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte zit momenteel andere opgelegde gevangenisstraffen uit. Door zijn huidige detentie ziet verdachte in dat er een ommekeer moet komen. Hij staat nu open voor behandeling. Verder heeft de raadsvrouw opgemerkt dat rekening moet worden gehouden met de redelijke termijn in deze zaken.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich, meestal samen met zijn medeverdachte, in een korte periode schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten, allemaal vermogensdelicten. Verdachte heeft meerdere fietsen van verschillende fietsenwinkels verduisterd en hij heeft meerdere mensen opgelicht. Dit levert veel hinder en (financiële) schade op. Dit blijkt ook uit de verschillende vorderingen die zijn ingediend. Verdachte heeft op geen enkele wijze respect getoond voor de eigendommen van anderen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 16 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte een fors strafblad heeft en eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Ook is artikel 63 SrPro van toepassing.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het over verdachte opgemaakte advies van de reclassering van 13 maart 2026. De reclassering rapporteert, kort en zakelijk weergegeven, dat verdachte is aangemerkt als zeer actieve veelpleger. Hij zit momenteel in detentie meerdere aan hem opgelegde straffen uit. Het recente verdiepingsonderzoek onderschrijft de eerdere diagnoses (uit 2018). Hieruit blijkt dat er bij verdachte sprake is van een psychopathische stoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en borderline trekken en een gokstoornis. Ook zijn er mogelijke neuropsychologische gebreken vanwege een val op twaalfjarige leeftijd. Door de tijd in detentie lijkt bij verdachte een omslag plaats te vinden. Hij wil een ander leven gaan leiden, maar heeft daar veel begeleiding en een (langdurig) kader bij nodig. De reclassering ziet mogelijkheden om middels reclasseringsinterventies, voor langere duur en in een gedwongen kader, gericht op klinische opname, opgevolgd door ambulante behandeling, begeleid wonen, dagbesteding en ondersteuning bij de financiën, te werken aan gedragsverandering en recidivevermindering. Het risico op recidive wordt momenteel ingeschat als hoog en de risico’s op letsel en onttrekken aan de voorwaarden als gemiddeld.
De strafmodaliteit en de hoogte daarvan
Verdachte heeft zich aan meerdere strafbare feiten schuldig gemaakt. Het gaat hierbij om strafbare feiten waarop gevangenisstraffen zijn gesteld en doorgaans ook worden opgelegd. Gelet op het strafblad van verdachte en de veelheid aan bewezenverklaarde feiten is de eis van de officier van justitie in beginsel passend. Verdachte zit echter sinds december 2022 meerdere gevangenisstraffen uit en zegt dat dit een omslag teweeg heeft gebracht. Verdachte zegt zijn criminele verleden achter zich te willen laten en open te staan voor hulp en (langdurige) begeleiding. De rechtbank wil verdachte die kans geven, maar als blijkt dat de goede voornemens loze woorden zijn dan moet verdachte daar ook de consequentie van ondervinden. Daarom legt de rechtbank een hogere (voorwaardelijke) gevangenisstraf op, waarmee de overschrijding van de redelijke termijn nog steeds ruimschoots is verdisconteerd.
Alles afwegende en rekening houdend met de redelijke termijn acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren passend en geboden met een proeftijd van drie jaren. Aan de proeftijd worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd. Gelet op de klinische behandeling zal de rechtbank bepalen dat verdachte, mocht plaatsing nog niet mogelijk blijken, na zijn detentie wordt geplaatst in een overbruggingskliniek.
7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
7.1.1
Vordering van [bedrijf 6] B.V. (feit 1)
[bedrijf 6] B.V., vertegenwoordigd door [bedrijf 1], heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Dames E-bike € 1.500,00;
- Dames E-bike € 1.500,00.
7.1.2
Vordering van [bedrijf 3] (feit 4 )
[bedrijf 3], vertegenwoordigd door Wendy de Vree, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 873,79 (achthonderddrieënzeventig euro en negenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- 3 x Bosch oplader € 419,85;
- 3 x Accu slot € 149,85;
- 3 x Dubbele fietstas € 209,85;
- Transportkosten (fiets ophalen in Duitsland) € 94,24.
7.1.3
Vordering van [bedrijf 5] fietsenwinkel (feit 5)
[bedrijf 5] fietsenwinkel, vertegenwoordigd door [slachtoffer 2], heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.092,81 (drieduizendtweeënnegentig euro en eenentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Niet vergoede schade € 3.092,81.
Daarnaast heeft de benadeelde partij vergoeding van de proceskosten van € 500,00 gevorderd.
7.1.4
Vordering van [slachtoffer 1] (feit 8)
[slachtoffer 1] (feit 8) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.500,00 (vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Borg/huur € 1.500,00.
7.1.5
Vordering van [slachtoffer 10] (feit 8)
[slachtoffer 10] (feit 8) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van maximaal € 1.350,00 (dertienhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Borg/huur € 750,00.
Ter vergoeding van de (zo de rechtbank begrijpt) immateriële schade wordt een bedrag tussen de € 400,00 en € 600,00 gevorderd.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [bedrijf 6] B.V. niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat de schade onvoldoende is onderbouwd. Wat betreft de vordering van [bedrijf 5] komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Door de verzekeraar is de inkoopwaarde van de fietsen vergoed. De extra geleden schade komt niet voor vergoeding in aanmerking, de vordering moet op dat punt niet-ontvankelijk worden verklaard. De vorderingen van [bedrijf 3] en [slachtoffer 1] zijn voor volledige toewijzing vatbaar. De vordering van [slachtoffer 10] kan worden toegewezen wat het materiële deel betreft. Wat betreft het immateriële deel moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [bedrijf 6] B.V. niet ontvankelijk verklaard moet worden. Naast dat deze onvoldoende is onderbouwd, ontbreekt ook de machtiging. Wat betreft de vordering van [slachtoffer 2] B.V., kan het eigen risico van de verzekeraar, een bedrag van € 60,00, worden toegewezen. De overige materiële kosten en de proceskosten moeten niet ontvankelijk worden verklaard. De vordering van [slachtoffer 10] kan wat het materiële deel betreft worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Over de vorderingen van [bedrijf 3] en [slachtoffer 1] zijn door de verdediging geen opmerkingen gemaakt.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
7.4.1
Vordering van [bedrijf 6] B.V. (feit 1)
De benadeelde partij heeft de vordering tot schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
7.4.2
Vordering van [bedrijf 3] (feit 4 )
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder feit 4 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom toe tot een bedrag van € 873,79, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
7.4.3
Vordering van [bedrijf 5] fietsenwinkel (feit 5)
De benadeelde partij heeft gevorderd om vergoeding van de schade die niet al door de verzekeraar is vergoed. Het gedeelte van de vordering dat ziet op het vergoeden van het eigen risico is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder feit 5 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe tot een bedrag van € 60,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De rechtbank wijst de vordering voor het overige materiele deel af, omdat niet is gemotiveerd waarom de schade hoger is dan de inkoopprijs, welke inkoopprijs de verzekeringsmaatschappij ook als maatstaf voor vergoeding heeft gehanteerd.
Daarnaast heeft de benadeelde partij vergoeding van de proceskosten gevorderd.
Bij begroting van de door de benadeelde partij gemaakte kosten moet aansluiting worden gezocht bij de maatstaf die wordt gehanteerd in civiele procedures. In artikel 241 BurgerlijkePro rechtsvordering (Rv) is bepaald dat alleen de kosten genoemd in de artikelen 237 tot en met 240 Rv voor vergoeding in aanmerking komen. Deze artikelen bevatten een limitatieve en exclusieve regeling ten aanzien van de proceskosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld.
Uit artikel 238 RvPro volgt dat reis- en verblijfskosten en verletkosten (van de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij) voor vergoeding in aanmerking komen indien zonder gemachtigde wordt geprocedeerd. Aan die voorwaarde is voldaan. De verdachte wordt daarom verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte kosten, begroot op € 500,00.
7.4.4
Vordering van [slachtoffer 1] (feit 8)
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder feit 8 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom toe tot een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
7.4.5
Vordering van [slachtoffer 10] (feit 8)
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder feit 8 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom toe tot een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, sub b, BW als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen of anderszins sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank overweegt dat voor vergoeding van immateriële schade bij vermogensfeiten slechts in uitzonderlijke gevallen en met uitgebreide motivering plaats is en nu elke onderbouwing ontbreekt de vordering voor dit deel moet worden afgewezen.
7.4.6
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte een van deel van de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten (feit 5). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met de navolgende dagen gijzeling:
- [bedrijf 3] 8 dagen;
- [bedrijf 5] fietsenwinkel 1 dag;
- [slachtoffer 1] 15 dagen;
- [slachtoffer 10] 7 dagen.
Toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.
9.De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 ,3 ,4 ,5 ,6 en 8 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 2 (twee) jaren;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal met verdachte contact opnemen voor het maken van een eerste afspraak;
- zich tijdens de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een forensische klinische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie (IFZ). De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. Als die plaatsing niet mogelijk is, laat verdachte zich opnemen in een nader te bepalen overbruggingsplek, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en schuldenproblematiek. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- zich, aansluitend aan de klinische opname en indien geïndiceerd, ambulant laat behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en schuldenproblematiek;
- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
schadevergoedingen
[bedrijf 6] B.V.
- bepaalt dat de benadeelde partij: [bedrijf 6] B.V. (feit 1) in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
[bedrijf 3]
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 873,79, bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 3] (feit 4) van een bedrag van € 873,79, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2022, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 873,79, (zegge: achthonderd drieënzeventig euro en negenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2022 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzelingvoor de duur van 8 dagenkan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
[bedrijf 5]
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 60,00, bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 5] fietsenwinkel (feit 5) van een bedrag van € 60,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2022 met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast, hoofdelijk, in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 500,00, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 60,00, (zegge: zestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2022 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzelingvoor de duur van 1 dagkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering voor het overige af;
[slachtoffer 1]
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.500,00, bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 8): van een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 november 2022;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.500,00, (zegge: vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 november 2022 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzelingvoor de duur van 15 dagenkan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
[slachtoffer 10]
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 750,00, bestaande uit
materiële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 10] (feit 8): van een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 november 2022;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 750,00, (zegge: zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 november 2022 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzelingvoor de duur van 7 dagenkan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. E.C de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Bomans-Weekhout, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
Voetnoten
1.Wanneer hierna ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 5, 6 en 8 wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2022315356 van 12 oktober 2023. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Wanneer hierna ten aanzien van feit 4 wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2023083625 van 20 februari 2025. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.