Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3284

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
84.240107.24
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 AwrArt. 69a AwrArt. 51 lid 2 ahf/ond 2°Art. 47 lid 1 sub 1 SrArt. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor feitelijke leiding belastingfraude en niet tijdig doen van aangiften

De rechtbank Overijssel heeft op 29 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die werd verdacht van het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk niet doen van vennootschapsbelastingaangiften, het niet betalen van omzetbelasting en het niet tijdig doen van inkomstenbelastingaangiften over meerdere jaren. Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten bekend.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het niet doen van aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2018 tot en met 2021, het niet betalen van omzetbelasting over 2018 tot en met het tweede kwartaal van 2020, en het niet tijdig doen van inkomstenbelastingaangiften over 2018 tot en met 2021. Medeplegen is verworpen omdat feitelijke leiding geven aan eigen gedragingen niet mogelijk is.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, de benadeling van de staat en de belastingmoraal, maar ook met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn verslavingsproblematiek en zijn vrijwillige behandeling. De rechtbank heeft een taakstraf van 240 uren opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar, waarbij de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij verdachte zich schuldig maakt aan een nieuw strafbaar feit binnen de proeftijd.

De rechtbank heeft het benadelingsbedrag vastgesteld tussen €125.000 en €250.000 en vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend gezien de positieve gedragsverandering van verdachte. De straf is mede bedoeld als stimulans om deze weg voort te zetten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar wegens feitelijke leiding bij belastingfraude en het niet tijdig doen van belastingaangiften.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.240107.24 (P)
Datum vonnis: 29 mei 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 mei 2026 en van 29 mei 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de (gewijzigde) vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat in Nijmegen, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 11 mei 2026 kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 1 maart 2019 tot en met 18 oktober 2022 feitelijke leiding heeft gegeven aan het (mede)plegen van het opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting door [bedrijf] B.V. over de jaren 2018, 2019, 2020 en 2021;
feit 2:in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 juni 2024 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf] B.V. (mede)plegen van het opzettelijk niet betalen van de omzetbelasting over 2018, 2019 en het eerste en tweede kwartaal van 2020;
feit 3:in de periode van 28 februari 2019 tot en met 6 juni 2024 opzettelijk de aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2018, 2019, 2020 en 2021 niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft voldaan.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
[bedrijf] B.V. op/ één of meer tijdstippen in of omstreeks 1 maart 2019 tot
en met 18 oktober 2022 te Wijchen en/of Nijmegen en/of Apeldoorn, en/of
elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en) rechtspersonen en/of
met een of meer natuurlijke personen, althans en/of alleen,
(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als
bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een of meer
aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting (ten name van [bedrijf] B.V.)
over:
de/het jaar/jaren 2018 en/of 2019 en/of 2020 en/of 2021,
niet heeft gedaan, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting
werd geheven,
zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met één of meer anderen
(telkens)
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte
(telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven
verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,
voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde
betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd
( art 51 lid 2 ahf Pro/ond 2° en Artikel 47 lid 1 sub Pro 1Wetboek van Strafrecht, art 69
lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen )
2
[bedrijf] B.V. op verschillende één of meer tijdstippen in of omstreeks de
periode van 1 januari 2018 tot en met 26 juni 2024 in Wijchen en/of Nijmegen
en/of Apeldoorn, en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en) rechtspersonen en/of
met een of meer natuurlijke personen, althans en/of alleen,
(telkens) opzettelijk de Belasting welke op aangifte moet worden voldaan of
afgedragen, te weten:
(een) aangifte(n) Omzetbelasting over de/het aangiftetijdvak(ken):
- 1 e kwartaal 2018 en/of 2e kwartaal 2018 en/of 3e kwartaal 2018 en/of 4e
kwartaal 2018 en/of
- 1 e kwartaal 2019 en/of 2e kwartaal 2019 en/of 3e kwartaal 2019 en/of 4e
kwartaal 2019 en/of
- 1 e kwartaal 2020 en/of 2e kwartaal 2020
(telkens) niet heeft betaald, althans en/of heeft doen of laten betalen, immers
heeft/hebben [bedrijf] B.V. en/of haar mededader(s), (telkens) opzettelijk
de belasting op de bovengenoemde aangifte(n) omzetbelasting, welke op
aangifte moet worden voldaan niet, althans en/of niet binnen de in de
Belastingwet gestelde termijn voldaan en/of afgedragen aan de inspecteur der
Belastingen,
zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met één of meer anderen
(telkens) tot het plegen van welk(e) bovenomschreven feit(en) verdachte
(telkens) opdracht heeft gegeven dan en/of aan welke bovenomschreven
verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan die
verboden gedraging(en)
( art 51 lid 2 ahf Pro/ond 2° Artikel 47 lid 1 sub Pro 1Wetboek van Strafrecht, art 69a lid
1. Algemene wet inzake rijksbelastingen )
3
hij op/ één of meer tijdstippen in of omstreeks 28 februari 2019 tot en met 6
juni 2024 te Wijchen en/of Nijmegen en/of Apeldoorn, en/of elders in
Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n),
als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)
aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over:
de/het jaar/jaren 2018 en/of 2019 en/of 2020 en/of 2021,
(telkens) niet binnen de door de Inspecteur der belastingen, gestelde termijn
heeft gedaan, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig
belasting werd geheven
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,
voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde
betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd
( art 69 lid 1 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen )

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging is geen bewijsverweer gevoerd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen [1] .
1. De door de verdachte afgelegde bekennende verklaring op de terechtzitting van 11 mei 2026;
2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 3 Sv, een ambtsedige verklaring opgemaakt door [naam], gemandateerd inspecteur van Belastingdienst MKB Arnhem, van 29 april 2024, DOC-051, pagina’s 1207-1212.
Medeplegen feiten 1 en 2
Aanvullend overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat van medeplegen door verdachte geen sprake is en spreekt verdachte daarvan vrij. Bij bewezenverklaring van medeplegen in onderling verband en in samenhang beschouwend met de tenlastelegging, die gericht is op het feitelijk leidinggeven aan een strafbaar feit gepleegd door de vennootschap, zou betekenen dat bewezen verklaard wordt het feitelijk leidinggeven aan het eigen (mede)plegen. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet mogelijk, althans niet goed denkbaar, in strafrechtelijke zin feitelijk leiding te geven aan eigen gedragingen, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
[bedrijf] B.V. op één of meer tijdstippen in de periode van 1 maart 2019 tot en met 18 oktober 2022 in Nederland
telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de vennootschapsbelasting (ten name van [bedrijf] B.V.) over:
de jaren 2018 en2019 en 2020 en 2021,
niet heeft gedaan, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,
zulks terwijl hij, verdachte, tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;
2
[bedrijf] B.V. op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 juni 2024 in Nederland
telkens opzettelijk de Belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, te weten:
aangiften Omzetbelasting over de aangiftetijdvakken:
- 1 e kwartaal 2018 en 2e kwartaal 2018 en 3e kwartaal 2018 en 4e kwartaal 2018 en
- 1 e kwartaal 2019 en 2e kwartaal 2019 en 3e kwartaal 2019 en 4e kwartaal 2019 en
- 1 e kwartaal 2020 en 2e kwartaal 2020
telkens niet heeft betaald, immers heeft [bedrijf] B.V. telkens opzettelijk de belasting op de bovengenoemde aangiften omzetbelasting, welke op aangifte moet worden voldaan niet, of niet binnen de in de Belastingwet gestelde termijn voldaan of afgedragen aan de inspecteur der Belastingen, zulks terwijl hij verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedragingen;
3
hij op één of meer tijdstippen in de periode van 28 februari 2019 tot en met 6 juni 2024 in
Nederland, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten
aangiften voor de inkomstenbelasting over:
de jaren 2018 en 2019 en 2020 en 2021,
telkens niet binnen de door de Inspecteur der belastingen, gestelde termijn heeft gedaan, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 69 lid 1 en 69a lid 1 van de Awr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk een belasting welke moet worden voldaan of afgedragen niet dan wel niet binnen de in de Belastingwet gestelde termijn betalen, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;
feit 3:
het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet binnen de daarvoor gestelde termijn doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met een lager benadelingsbedrag dan waar het openbaar ministerie van uitgaat. Indien de gefactureerde bedragen als winst van de besloten vennootschap worden aangemerkt, kunnen zij niet zonder meer tegelijk als inkomsten van verdachte worden beschouwd. Wat betreft de inkomstenbelasting is door het openbaar ministerie, bij vaststelling van het benadelingsbedrag, ook het jaar 2022 meegenomen, maar dit is niet aan verdachte ten laste gelegd. Verder heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder zijn inmiddels onder controle zijnde verslavingsproblematiek.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een aantal jaren schuldig gemaakt aan belastingfraude door feitelijk leiding te geven aan het niet doen van aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting door [bedrijf]. Daarnaast heeft verdachte niet (tijdig) zijn aangiften inkomstenbelasting ingediend over een tijdsbestek van vier jaren. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan. De goede werking van het belastingsysteem staat of valt met de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van aangiften. Dit systeem is mede gebaseerd op het vertrouwen dat (rechts)personen tijdig en juiste aangiften doen. Daarnaast wordt de gemeenschap door belastingfraude benadeeld, omdat de Staat der Nederland inkomsten ten behoeve van het algemeen nut misloopt. Dit leidt tot verzwaring van de belastingdruk bij andere belastingbetalers en draagt bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 5 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor een soortgelijk strafbaar feit.
Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van de reclassering van 30 januari 2026. Hieruit volgt dat verdachte de afgelopen acht tot negen jaren een onstuimig leven heeft geleid dat werd gekenmerkt door fors middelenmisbruik en gokken. Vanwege zijn middelengebruik werd verdachte in een kliniek opgenomen en bleek hij acuut leverfalen te hebben. Verdachte is op vrijwillige basis afgekickt en wordt nu ambulant behandeld. Omdat verdachte zich bij de reclassering op zijn zwijgrecht heeft beroepen kon er geen inschatting gemaakt worden van de risico’s. De reclassering ziet geen aanknopingspunten voor het voorstellen van een interventie vanuit de reclassering en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De strafmodaliteit
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen.
Door zijn handelen heeft verdachte de overheid, en daarmee de samenleving benadeeld. De officier van justitie gaat uit van een benadelingsbedrag van € 365.114,00 en de raadsman van € 214.153,00. De rechtbank volgt in dit kader het verweer van de raadsman en gaat uit van een benadelingsbedrag tussen de € 125.000,00 en € 250.000,00. In de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS geldt als uitgangspunt bij een benadelingsbedrag tussen € 125.000,00 en € 250.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden.
De rechtbank weegt verder mee dat verdachte ter terechtzitting verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Verdachte is zelfstandig en vrijwillig afgekickt en laat zich ambulant behandelen voor meerdere verslavingen. Verdachte moet daarnaast zijn belastingschuld, inclusief opgelegde boetes, voldoen. Hij heeft hier zelf de eerste stappen in gezet en gesprekken hierover gepland.
Alles afwegende acht de rechtbank daarom een taakstraf voor de duur van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden.
De rechtbank kiest voor een andere strafmodaliteit dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank wil hiermee tot uitdrukking brengen dat zij heeft gezien dat verdachte uit eigen beweging een andere weg is ingeslagen. Door het opleggen van een forse gevangenisstraf zou dit worden doorbroken. Met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf met een langere proeftijd dan gevorderd, beoogt de rechtbank verdachte een stok achter de deur te geven om dit vol te houden.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51 en 57 Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1,het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;
feit 2,het misdrijf: opzettelijk een belasting welke moet worden voldaan of afgedragen niet dan wel niet binnen de in de Belastingwet gestelde termijn betalen, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;
feit 3,het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet binnen de daarvoor gestelde termijn doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. R.P. van Campen en mr. M.J.E. Vink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Bomans-Weekhout, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.
Buiten staat
Mr. M.J.E. Vink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD/Belastingdienst met nummer 73114 (onderzoek Desford). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.