ECLI:NL:RBOVE:2026:323

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
08.031950-23 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openlijke geweldpleging in Attractie- & Vakantiepark Slagharen met letsel als gevolg

Op 10 juli 2022 vond er in Attractie- & Vakantiepark Slagharen een vechtpartij plaats tussen de verdachte en zijn medeverdachte aan de ene kant en twee slachtoffers aan de andere kant. De aanleiding voor de ruzie was het voordringen in de rij voor een achtbaan. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachte openlijk geweld gepleegd tegen de slachtoffers, waarbij de slachtoffers meerdere keren zijn geslagen en geschopt. De rechtbank heeft op basis van getuigenverklaringen en camerabeelden vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachte de agressoren waren. De verdachte is schuldig bevonden aan openlijke geweldpleging en is veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en het betalen van schadevergoedingen aan de slachtoffers. De rechtbank heeft het beroep op noodweer en putatief noodweer van de verdediging verworpen, omdat er geen sprake was van een onmiddellijke dreiging van aanranding. De rechtbank heeft ook de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen, waarbij de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.031950-23 (P)
Datum vonnis: 27 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. J. van Wijk, advocaat in Eindhoven, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gevraagde schadevergoedingen.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en bondig weergegeven, op neer dat verdachte op 10 juli 2022 in Slagharen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (
primair), dan wel samen met een ander [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft mishandeld (
subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
primair
hij op of omstreeks 10 juli 2022 te Slagharen, gemeente Hardenbergopenlijk, te weten in Attractie- & Vakantiepark Slagharen, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniginggeweld heeft gepleegd tegen een of meerdere perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] door- een of meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val is gekomen) en/of- die [slachtoffer 1] een of meerdere malen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of- die [slachtoffer 1] een of meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen;
subsidiairhij op of omstreeks 10 juli 2022 te Slagharen, gemeente Hardenbergtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door- een of meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val is gekomen) en/of- die [slachtoffer 1] een of meerdere malen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of- die [slachtoffer 1] een of meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen. Volgens de officier van justitie komt verdachte geen beroep toe op (putatief) noodweer.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging moet worden vrijgesproken, omdat geen sprake is geweest van een optreden “in vereniging”. De verdediging heeft betoogd dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte geweldshandelingen heeft verricht in de richting van [slachtoffer 2], wat maakt dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Ook moet verdachte volgens de verdediging partieel worden vrijgesproken van het subsidiaire ten laste gelegde medeplegen, omdat hiervan geen sprake is. Hoewel verdachte [slachtoffer 1] twee keer heeft geslagen, is volgens de verdediging ten aanzien van deze subsidiair ten laste gelegde mishandeling sprake van noodweer, dan wel putatief noodweer. Dit dient te leiden tot vrijspraak, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de hieronder opgenomen feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen [1] zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
De rechtbank overweegt als volgt.
De feiten en omstandigheden
Op 10 juli 2022 is in Attractie- & Vakantiepark Slagharen een ruzie ontstaan tussen verdachte en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] anderzijds. De aanleiding van deze ruzie was het voordringen in de rij voor een achtbaan door het nichtje van [verdachte].
[getuige 1] is op 10 juli 2022 als beveiliger werkzaam in Attractie- & Vakantiepark Slagharen. Hij verklaart bij de politie het volgende. […] Om 18:10 uur die dag kreeg ik een melding van de shiftleader rides over agressie in de wachtrij van de attractie de Gold Rush. […] Toen ik daar aankwam zag ik dat er naast de ingang van de wachtrij van de Gold Rush een aantal mensen aan het vechten was. […] Ik zag dat een man met een zwart T-shirt, een donkerkleurige pet, een smal postuur en een ingevallen gezicht, wild om zich heen aan het slaan was. […] Ik zag dat de man met het zwarte T-shirt, de oudere man die op de grond lag, meerdere malen in het gezicht sloeg. Ik zag dat de man in het zwarte T-shirt bovenop de oudere man zat die op dat moment op de grond lag. Ik zag dat de man met het zwarte T-shirt meerdere malen met gebalde vuisten in het gezicht van de oudere man sloeg. Ik zag dat hij dit met beide armen/vuisten deed. […] Tevens zag ik dat de oudere man schoppende bewegingen maakte met zijn benen. Ik had het idee dat hij dit deed om zich te verweren. Ik zag tevens dat er een vrouw in een roze/paars joggingspak, met iets wat paarskleurig haar, klein, normaal van postuur, helemaal door het dolle heen was. Ik zag dat zij een schoppende beweging maakte in de richting van de oudere man die op de grond lag. Ik zag dat zij twee keer met haar voet tegen het hoofd van de oudere man schopte. […] [2]
[getuige 2], die met zijn gezin in het park was, verklaart tegenover de politie het volgende. […] Ik zag dat deze oude man van achteren werd geslagen door de jongen in het zwarte T-shirt. […] Toen de oude man op de grond lag, heeft deze jongen nog enkele keren geslagen. […] Ik zag ook dat de vrouw in het roze joggingspak ruzie had met de dochter van die oude man. De oude man is zeker acht keer geslagen door die jongen en ook geschopt. Toen de ruzie afgelopen leek, ging de vrouw in het roze het meisje weer slaan en aan de haren trekken. Ook heeft zij het meisje geschopt. […] [3]
Er zijn verschillende camerabeelden van voornoemde vechtpartij.
Ten eerste zijn beelden beschikbaar die met een mobiele telefoon door een omstander zijn gemaakt. Verbalisant [verbalisant 1] verklaart dat op deze beelden het volgende is te zien. [medeverdachte] raakt [slachtoffer 2] met haar rechterarm tegen haar hoofd. [slachtoffer 1] loopt dan richting [medeverdachte] en zij steken allebei hun armen naar voren en raken elkaar met hun handen. [slachtoffer 1] valt. [verdachte] rent naar [slachtoffer 1]. [slachtoffer 2] gaat op beide mannen liggen. [slachtoffer 3] valt dan ook op de grond bij [slachtoffer 1] en [verdachte]. [slachtoffer 2] ligt dan op [verdachte] en [slachtoffer 1] kruipt iets naar achteren. [medeverdachte] komt dan van rechts in beeld aanrennen en loopt naar [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [verdachte]. […] Dan maakt ze met haar rechterbeen een beweging richting [slachtoffer 1]. Het lijkt dat ze [slachtoffer 1] schopt en hem ook raakt. […] [slachtoffer 2] is ondertussen van [verdachte] af en ligt ook op de grond. […] [verdachte] ligt nog steeds op de grond. Aan de beweging van [slachtoffer 2] te zien lijkt het erop dat zij haar arm los rukt. Dit lijkt zo omdat zij haar rechterarm krachtig naar achteren trekt. [slachtoffer 2] tilt dan haar been omhoog en trapt haar been krachtig naar beneden. Vervolgens schopt [slachtoffer 2] met haar rechterbeen richting [verdachte] die nog op de grond ligt. […] Links in beeld loopt dat [slachtoffer 2] naar [medeverdachte] en pakt haar van de linkerkant om haar nek pakt. [medeverdachte] draait zich dan om en aan haar bewegingen te zien slaat zij [slachtoffer 2] drie keer met haar rechterarm. [slachtoffer 2] en [medeverdachte] liggen dan op de grond. […] [slachtoffer 3] komt er dan links bij staan en hij maakt met zijn rechterbeen een beweging richting [medeverdachte]. Aan de beweging te zien schopt hij [medeverdachte], maar niet te zien is dat zij daadwerkelijk geraakt wordt. […] [4]
Daarnaast zijn er camerabeelden van Attractie- & Vakantiepark Slagharen. Verbalisant [verbalisant 2] verklaart dat op deze beelden het volgende is te zien. […] Ik zag dat te 18:12:05 uur de beide partijen uit elkaar leken te gaan. Echter zag ik dat [verdachte] op [slachtoffer 2] afliep en haar met zijn handen een duwtje naar achteren gaf. […] Ik zag dat [medeverdachte] met haar rechterarm een zwaaiende beweging maakte richting [slachtoffer 2]. Ik zag dat zij geraakt werd en achterover op de grond viel. […] Ik zag dat [slachtoffer 1] hierop richting [medeverdachte] rende en dat hij hierbij ten val kwam. Ik zag dat [verdachte] hierop direct op hem afrende. […] [5]
Bovendien verbaliseert verbalisant [verbalisant 3]: “dat hij met een man sprak die hem vertelde dat hij er niks mee te maken had, de personen niet kende, maar dat hij het hele voorval gefilmd had. Hij toonde mij het filmpje op zijn telefoon. Ik zag dat dit filmpje 19 minuten duurde. Ik heb het filmpje bekeken en zag een vrouw met donker lang haar, een paars joggingspak (broek en trui) aan komen rennen die een vrouw met korte broek een klap met haar rechterhand tegen haar hoofd gaf. De vrouw zag ik vervolgens een andere vrouw met een roze jas meerdere klappen geven. Hierna zag ik dat een man met een spijkerbroek, een zwart shirt met witte bedrukking op de achterzijde en een zwart petje bovenop een oudere man sprong die kort daarvoor gevallen was omdat hij de vechtende vrouwen uit elkaar probeerde te halen. Ik zag de eerder omschreven man meerdere keren vuistslagen geven op de oudere man die op de grond lag. Hierna zag ik beelden dat iedereen elkaar uit elkaar probeerde te halen en dat beveiligers er tussen sprongen en de groepen scheidden”. [6]
Overwegingen en oordeel
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte en [medeverdachte] de volgende geweldshandelingen hebben gepleegd. [medeverdachte] slaat [slachtoffer 2] met haar rechterarm tegen het hoofd en trekt aan haar haren, waarna [slachtoffer 2] op de grond valt. Verdachte valt [slachtoffer 1] van achteren aan en slaat meerdere malen (met kracht) tegen het hoofd van [slachtoffer 1], terwijl [slachtoffer 1] op de grond ligt. Ook [medeverdachte] schopt tegen het hoofd van [slachtoffer 1].
Met zijn gedrag heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een (voldoende significante) bijdrage geleverd aan het gepleegde geweld, wat maakt dat verdachte en zijn mededader [medeverdachte] voornoemde geweldshandelingen samen hebben gepleegd. De gedraging van verdachte staat dus niet op zichzelf, maar vormt een onderdeel van het gezamenlijk optreden en dus van een optreden ‘in vereniging’.
Het geweld is gepleegd in een Attractie- & Vakantiepark. Dit betreft een voor (een willekeurig) publiek toegankelijke plaats. Bovendien waren er ook daadwerkelijk personen aanwezig die het in vereniging gepleegde geweld (gedeeltelijk) hebben gezien.
De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de inhoud van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
primair
hij op 10 juli 2022 te Slagharen, openlijk, te weten in Attractie- & Vakantiepark Slagharen, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door- tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te slaan (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val is gekomen) en- [slachtoffer 1] meerdere malen (met kracht) tegen het hoofd of het lichaam te slaan en- [slachtoffer 1] meerdere malen tegen het hoofd of het lichaam te schoppen
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de strafbaarheid van verdachte

Het beroep op noodweer of putatief noodweer
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer of putatief noodweer. De officier van justitie vindt dat daar geen sprake van is en dat die verweren van de verdediging moeten worden verworpen.
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij [medeverdachte] wilde verdedigen. Volgens de verdediging was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens [medeverdachte]. Verdachte zag dat [slachtoffer 1] agressief op haar afliep en zag dat zij door hem werd aangevallen. Verdachte wilde [slachtoffer 1] vervolgens in bedwang houden. Om dit te kunnen doen, heeft hij [slachtoffer 1] twee klappen gegeven. Gezien het postuur van verdachte was het niet mogelijk om hem fysiek in bedwang te houden. Het handelen van verdachte was in de visie van de verdediging noodzakelijk om de situatie te doen stoppen en [medeverdachte] te beschermen tegen de agressie van [slachtoffer 1].
Het hierboven door de verdediging geschetste scenario is de rechtbank op basis van het dossier geenszins aannemelijk geworden en wordt door de bewijsmiddelen (onafhankelijke getuigenverklaringen en de beschrijven van de camerabeelden) weerlegd. Uit die bewijsmiddelen volgt immers dat [medeverdachte] en verdachte de agressoren waren en dat zij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben aangevallen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de hem verweten gedraging dus niet verricht in een situatie waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging tegen een gedraging van [slachtoffer 1] die naar haar uiterlijke verschijningsvorm kon worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Omdat de noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer.
Onder putatief noodweer wordt verstaan de situatie dat een verdachte bij vergissing in de veronderstelling verkeerde dat hij zich mocht of moest verdedigen tegen (onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Een beroep op putatief noodweer slaagt als de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie.
In dit geval dient dan vastgesteld te worden dat verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar vanuit [slachtoffer 1] heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Voor de beoordeling van putatief noodweer is een “enigszins geobjectiveerde waarneming” van belang. Dit betekent dat een onmiddellijke dreiging van aanranding niet alleen voor verdachte, maar ook voor derden (voor de gemiddelde mens) aannemelijk moet zijn geweest op grond van hetgeen op dat moment gebeurde. In dit verband overweegt de rechtbank dat er voor verdachte objectief gezien geen enkele aanleiding bestond te vrezen voor een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding vanuit [slachtoffer 1]. Een onafhankelijke getuige heeft verklaard dat verdachte wild om zich heen aan het slaan was en dat [medeverdachte] helemaal door het dolle heen was. Dit beeld past niet bij het verontschuldigbaar inbeelden van een onmiddellijk dreigende aanval. De rechtbank verwerpt het beroep op putatief noodweer.
De rechtbank is van oordeel dat er voor het overige ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit of van verdachte uitsluiten. Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Verdachte is ook strafbaar voor het bewezen verklaarde feit.
Het bewezen verklaarde levert op:
primair
het misdrijf:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.De motivering van de straf

5.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat aan verdachte een taakstraf van 120 uren wordt opgelegd.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging betoogt dat toepassing moet worden gegeven aan het rechterlijk pardon, zoals bedoeld in artikel 9a Sr, dan wel dat moet worden volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf.
5.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van het gepleegde feit
Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in Attractie- & Vakantiepark Slagharen. De wijze waarop verdachte zich heeft gedragen is laakbaar. Twee andere bezoekers van het park zijn immers ogenschijnlijk zonder enige gerede aanleiding door verdachte en zijn mededader aangevallen. [slachtoffer 1] is meerdere keren (met kracht) geslagen, ook tegen zijn hoofd en ook toen hij op de grond lag. Daarnaast is onder meer tegen het hoofd van [slachtoffer 2] geslagen. Andere bezoekers van het park, in het bijzonder kinderen, zijn met dat geweld, dat voor de ingang van een achtbaan plaatsvond, geconfronteerd. Het geweld heeft bij [slachtoffer 1] geleid tot onder meer verwondingen in het gezicht en aan zijn knie en bij en [slachtoffer 2] tot onder meer verwondingen aan haar elleboog en knie.
De wetgever heeft de strafbaarstelling van een openlijke geweldpleging, zoals in deze strafzaak, in het leven geroepen ter bescherming van de openbare orde en de lichamelijke integriteit van een persoon. Deze norm heeft verdachte met zijn gedrag geschonden. Daarbij geldt dat een slachtoffer van dit soort strafbare feiten nog lange tijd nadelige fysieke en psychische gevolgen kan ondervinden van wat hem of haar is overkomen. Zo kampen de slachtoffers tot aan de dag van vandaag met angstgevoelens, in het bijzonder als zij ergens in een wachtrij staan. Bovendien brengen dit soort feiten in de samenleving gevoelens van onveiligheid teweeg.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 2 juli 2025. Hieruit volgt dat verdachte achttien jaar geleden eenmaal eerder voor een openlijke geweldpleging met politie en justitie in aanraking is geweest. Daarnaast is hij in de afgelopen jaren ook voor andersoortige feiten meermalen met politie en justitie in aanraking geweest.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland van
14 december 2023. Verdachte heeft in april 2025 een bedrijfsongeval gehad, waarbij hij een hersenbloeding heeft opgelopen. Hij is herstellende en ontvangt een bijstandsuitkering.
De relatie tussen verdachte en zijn mededader is geëindigd, maar de scheiding is nog niet rond. Zij hebben samen drie kinderen. Verdachte heeft inmiddels een nieuwe vriendin die hoogzwanger is. Binnenkort verwachten zij een dochter. De reclassering adviseert de oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij interventies of toezicht niet nodig vindt.
De strafoplegging
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Stafrecht (LOVS) voor openlijke geweldpleging. Deze oriëntatiepunten zijn in het leven geroepen om te komen tot een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Bij een openlijke geweldpleging, lichamelijk letsel tegen gevolge hebbend, hanteert het LOVS als uitgangspunt een taakstraf van 150 uren. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen deze strafzaak inhoudelijk had moeten worden behandeld. Dit heeft ruim anderhalf jaar te lang geduurd en hier zal de rechtbank in strafmatigende zin rekening mee houden. Het strafbare feit dat verdachte heeft gepleegd is echter wel zodanig ernstig dat naar het oordeel van de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke taakstraf op zijn plaats is.
De rechtbank acht het, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een taakstraf van 120 uren.

6.De schade van benadeelden

6.1
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. Hij vordert verdachte te veroordelen om € 2.199,30,-- aan schadevergoeding te betalen, bestaande uit
materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
  • € 110,30 wegens zorgkosten in de vorm van eigen risico;
  • € 849,-- voor de aanschaf van een nieuwe bril;
  • € 240,-- wegens een intake en EMDR-behandeling.
Het gevorderde bedrag wegens immateriële schade bedraagt € 1.000,--.
6.2
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. Zij vordert verdachte te veroordelen om € 990,-- aan schadevergoeding te betalen, bestaande uit € 220,-- materiële schade (wegens een intake en EMDR-behandeling) en € 750,-- voor immateriële schade (smartengeld), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verzochte schadevergoedingen in zijn geheel hoofdelijk toewijsbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.4
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] moet worden afgewezen, omdat verdachte jegens haar geen geweld heeft gebruikt. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering wegens de bepleit vrijspraak, dan wel omdat niet in redelijkheid valt vast te stelen dat verdachte het letsel en de schade bij de benadeelde heeft veroorzaakt en een beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
6.5
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partijen gestelde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadeposten, die overigens door de verdediging onvoldoende zijn betwist, voldoende met bewijsstukken zijn onderbouwd en aannemelijk zijn. De gevorderde materiële schadeposten zijn dus toewijsbaar voor een bedrag van in totaal € 1.199,30.
De immateriële schade
Op basis van artikel 6:106, aanhef en sub b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als sprake is van lichamelijk letsel. Daarvan is in dit geval sprake.
[slachtoffer 1] is tijdens de openlijke geweldpleging meerdere keren geslagen en geschopt en liep hierdoor onder meer verwondingen op in zijn gezicht en aan zijn knie. Om die reden kan hij aanspraak maken op smartengeld.
De rechtbank houdt bij het vaststellen van de hoogte van het schadebedrag rekening met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend. De rechtbank is op basis van deze in deze zaak ter beoordeling voorliggende stukken en de onderbouwing daarvan van oordeel dat een bedrag van € 1.000,-- aan smartengeld billijk is.
De rechtbank zal de door [slachtoffer 1] gevorderde schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 2.199,30, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd (10 juli 2022).
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 22 (tweeëntwintig) dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De materiële en immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadepost van € 240,-- en de immateriële schade van € 750,--, die overigens door de verdediging onvoldoende zijn betwist, naar algemene ervaringsregels voldoende met bewijsstukken zijn onderbouwd en aannemelijk zijn. De gevorderde materiële schadeposten zijn dus toewijsbaar voor een bedrag van in totaal € 240,--.
De rechtbank zal gelet daarop de door [slachtoffer 2] gevorderde schadevergoeding geheel toewijzen tot een bedrag van € 990,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 10 juli 2022.
De schadevergoedingsmaatregel
Verdachte is voor de schade van de benadeelde partijen naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het niet-opleggen van de hoofdelijkheidsclausule.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 10 (tien) dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c en 22d Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
120 (honderdtwintig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
60 (zestig) dagen;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
- wijst de vordering van
de benadeelde partij [slachtoffer 1]toe tot een bedrag van
€ 2.199,30 (tweeduizend honderdnegenennegentig euro en dertig cent), bestaande uit materiële en immateriële schade;
  • veroordeelt verdachte tot (hoofdelijke) betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 2.199
  • veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • legt de
  • bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
- wijst de vordering van
de benadeelde partij [slachtoffer 2]toe tot een bedrag van
€ 990,-- (negenhonderdnegentig euro), bestaande uit materiële en immateriële schade;
  • veroordeelt verdachte tot (hoofdelijke) betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 990,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2022, te weten dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zijn bevrijd;
  • veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • legt de
  • bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
Buiten staat
Mr. S.H. Peper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, met zaaksregistratienummer PL0600-2022313347. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 11 juli 2022, pagina’s 38 en 39.
3.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 10 juli 2022, pagina 45.
4.Het proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2023, pagina’s 49 en 50, met als bijlagen de screenshot van de camerabeelden, pagina 52, en het proces-verbaal van bevindingen van 12 juli 2022, pagina’s 53 tot en met 55, met als bijlagen de screenshots van de camerabeelden, pagina’s 56 tot en met 68.
5.Een proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2022, pagina’s 70 tot en met 74.
6.Een proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] van 10 juli 2022, pagina’s 75 en 76.