Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3215

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
ak_26_1167 en ak_26_1168
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WpbrArt. 4:81 AwbArt. 4:84 AwbArt. 8:86 AwbArt. 1.2.2 Vuurwerkbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering toestemming voor stage beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid

Eiser volgt een mbo-opleiding Beveiliger en heeft stagegelopen bij QSS Security zonder de vereiste toestemming van de korpschef. De korpschef weigerde toestemming vanwege twijfels over de betrouwbaarheid van eiser, gebaseerd op de illegale verkoop van fakkels als stadionfakkels, baldadigheid door het verplaatsen van plantenbakken die hulpdiensten belemmerden, en het lopen van stage zonder toestemming.

Eiser betwist de onbetrouwbaarheid en stelt dat de gevolgen van de weigering onevenredig zijn, mede vanwege zijn diagnoses autisme en ADHD. De voorzieningenrechter oordeelt dat de korpschef terecht hogere eisen stelt aan beveiligingsmedewerkers en dat de feiten voldoende zijn om de betrouwbaarheid in twijfel te trekken. De illegale verkoop van fakkels, ondanks het ontbreken van strafrechtelijke vervolging, en het feit dat eiser als steward had moeten weten dat dit niet was toegestaan, wegen zwaar.

De voorzieningenrechter stelt dat de korpschef de relevante feiten voldoende heeft onderzocht en dat de bijzondere omstandigheden van eiser niet relevant zijn voor de betrouwbaarheidstoets. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waardoor eiser geen toestemming krijgt en studievertraging oploopt.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van toestemming voor beveiligingsstage wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 26/1167 en 26/1168
uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser], uit [woonplaats], verzoeker/eiser,

hierna: [eiser],
(gemachtigde: mr. S. van de Griek),
en

de korpschef van de Nationale Politie, verweerder,

hierna: de korpschef,
(gemachtigde: mr. C.E. Oosterlaken).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de korpschef om [eiser] toestemming te verlenen voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 7, tweede lid van de Wet particuliere beveiligingswerkzaamheden en recherchebureaus (Wpbr). [eiser] heeft toestemming nodig om stage te kunnen lopen voor zijn opleiding tot beveiliger. De korpschef heeft toestemming geweigerd omdat [eiser] niet beschikt over de voor het werk als beveiliger benodigde betrouwbaarheid. [eiser] is het daar niet mee eens en vindt dat het oordeel van de korpschef onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Ook zijn de gevolgen van de weigering van de toestemming onevenredig in verhouding tot de met de weigering van de toestemming te dienen doelen.
[eiser] heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening zodat hij eindexamen kan doen voor de opleiding Beveiliger of het tweede studiejaar kan overdoen.
1.1.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de korpschef in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de betrouwbaarheid van [eiser] voor het werk van beveiliger niet boven iedere twijfel verheven is.
[eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2.1
Op 5 mei 2025 heeft QSS Security een aanvraag ingediend om toestemming voor [eiser] om beveiligingswerkzaamheden voor haar te verrichten.
2.2
Met het besluit van 12 februari 2026 heeft de korpschef toestemming geweigerd voor [eiser] om voor QSS Security beveiligingswerkzaamheden te verrichten.
2.3
Met het bestreden besluit van 5 maart 2026 op het bezwaar van [eiser] is de korpschef bij de afwijzing van de aanvraag gebleven voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden voor QSS Security. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.4
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser],
[naam 1] en namens de korpschef de gemachtigde en [naam 2].
2.5
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van [eiser] daartegen. [1]
2.6
Overigens heeft [eiser] ook beroep ingesteld tegen de beslissing van de korpschef tot intrekking van toestemming voor het verrichtten van beveiligingswerkzaamheden voor F.C. Twente als steward. Dat beroep maakt geen onderdeel uit van deze procedure en wordt daarom hier niet behandeld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Griffierecht
3.1
[eiser] heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht voor het griffierecht en dat onderbouwd. De voorzieningenrechter wijst dat beroep toe. Dat betekent dat zijn verzoek ook zonder betaling van het griffierecht inhoudelijk kan worden behandeld.
Waar heeft [eiser] toestemming voor nodig?
3.2
[eiser] volgt sinds september 2024 de mbo-opleiding Beveiliger aan het ROC Twente. Hij zit in het tweede en laatste jaar van de opleiding. Om eindexamen te kunnen doen, dient [eiser] te beschikken over een door de school afgetekende stage.
[eiser] heeft stagegelopen bij QSS Security vanaf maart 2025 tot eind augustus/ begin september 2025. School weigert de stage af te tekenen omdat [eiser] niet beschikt over toestemming voor de stage. [eiser] heeft de gevraagde toestemming voor 1 juli 2026 nodig zodat hij het tweede jaar van zijn opleiding kan overdoen in het schooljaar 2026-2027.
Waarom heeft de korpschef toestemming geweigerd
3.3
Op 5 mei 2025 heeft QSS Security in Hengelo de korpschef om toestemming gevraagd om [eiser] in het kader van zijn stage beveiligingswerkzaamheden voor haar te laten verrichten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr. De korpschef heeft de toestemming geweigerd omdat hij [eiser] daarvoor onvoldoende betrouwbaar vindt.
Hieraan legt de korpschef na heroverweging in bezwaar de volgende feiten ten grondslag.
a. [eiser] wordt ervan verdacht fakkels die bedoeld zijn als noodsignaalfakkels voor de maritieme sector op Marktplaats te verhandelen als zogenaamde stadionfakkels. Dat is een misdrijf [2] en een tamelijk ernstige aantasting van de openbare orde. Zeker omdat [eiser] zelf werkzaam is als steward bij F.C. Twente.
Aan [eiser] is een proces-verbaal wegens baldadigheid aangezegd omdat hij plantenbakken op de weg heeft verplaatst in de nacht van zaterdag 21 op zondag 22 februari 2026 waardoor de hulpdiensten konden worden belemmerd.
[eiser] heeft stagegelopen bij een beveiligingsbedrijf zonder de daarvoor benodigde toestemming van de korpschef.
Volgens vast rechtspraak [3] biedt dat laatste feit al voldoende aanleiding om te concluderen dat er sprake is van onbetrouwbaarheid waardoor de toestemming kan worden geweigerd, aldus de korpschef.
Gronden van [eiser]
3.4
[eiser] meent dat de korpschef hem ten onrechte onbetrouwbaar vindt en dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd.
Met de feiten die de korpschef aan de weigering van de toestemming ten grondslag heeft gelegd wordt de drempel van artikel 3.3, onder b, van de Beleidsregels, dat sprake moet zijn van een tamelijke ernstige aantasting van de rechtsorde, niet gehaald.
[eiser] is niet strafrechtelijk vervolgd voor de online verkoop van fakkels en de korpschef heeft erkend dat dit feit op zich van beperkte ernst is. Dat [eiser] als steward werkzaam was versterkt de verwijtbaarheidsvraag maar draagt niet bij aan de objectieve ernst van de gedraging. [eiser] wist niet dat de verkoop van fakkels voor particuliere activiteiten niet was toegestaan en hij is, nadat hij daarop door de politie werd gewezen, direct met de verkoop gestopt. Verder is niet gebleken dat de fakkels daadwerkelijk voor stadiongebruik waren bestemd.
Het verplaatsen van de plantenbakken in de nacht van 21 op 22 februari 2026 is een overtreding en geen misdrijf. Een overtreding als deze voldoet niet aan het vereiste dat sprake moet zijn van een tamelijk ernstige verstoring van de rechtsorde.
Ook het stage lopen zonder voorafgaande toestemming van de korpschef is verwijtbaar maar van beperkte zwaarte in de context van een student die in het kader van zijn studie stageloopt. De Afdelings-uitspraak waarnaar de korpschef verwijst had betrekking op het gedurende langere tijd feitelijk beveiligingswerkzaamheden verrichten zonder toestemming en die situatie verschilt wezenlijk van de situatie van [eiser] die niet (langere tijd) als beveiliger heeft gewerkt maar voor slechts 6 maanden stage heeft gelopen.
[eiser] wordt vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig benadeeld in verhouding tot het doel van de Beleidsregels. Door de weigering van de toestemming loopt [eiser] studievertraging op en kan hij zijn studie mogelijk niet afmaken Deze gevolgen zijn voor [eiser] disproportioneel omdat bij hem de diagnoses autisme en adhd zijn gesteld. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2024 volgt dat deze diagnoses niet meewegen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid maar wel een belangrijke rol spelen in het kader van de evenredigheidsbeoordeling.
De korpschef heeft deze omstandigheden in zijn besluit ten onrechte niet behandeld, gewogen en gemotiveerd.
De korpschef heeft het beginsel van hoor- en wederhoor geschonden door het plantenbakkenincident slechts drie dagen voor de hoorzitting van 25 februari 2026 als aanvullende grondslag voor de weigering van de toestemming in te brengen. [eiser] had daardoor onvoldoende tijd om het proces-verbaal adequaat te bestuderen en erop te reageren.
Beoordelingskader
3.5
Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wpbr stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. (…).
Ingevolge het vierde lid wordt de toestemming, bedoeld in het tweede lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. (…).
3.6
De term ‘betrouwbaarheid’, heeft de korpschef nader ingevuld in de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties 2019.
Volgens paragraaf 3.3 van de Beleidsregels wordt de toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:
a.veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
b.andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
Voor wat betreft andere omtrent de aanvrager bekende feiten (ad b) is in de Beleidsregels vermeld dat de toestemming ook kan worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.
3.7
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de korpschef bij de beantwoording van de vraag of iemand voldoende betrouwbaar is, beoordelingsruimte heeft [4] . Aan medewerkers in de beveiligingsbranche mogen, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als beoordelingsmaatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven moeten zijn. Bij deze toets maakt de korpschef gebruik van de Beleidsregels en moet hij artikel 4:84 van Pro de Awb toepassen. Daarbij mag hij alleen omstandigheden betrekken die relevant zijn voor het oordeel of de betrokkene al dan niet bekwaam of betrouwbaar is. [5]
De vereiste mate van betrouwbaarheid kan de korpschef per geval laten afhangen van de aard van de te verrichten beveiligingswerkzaamheden en andere omstandigheden.
Kon de korpschef [eiser] onvoldoende betrouwbaar vinden voor het werk als beveiliger?
3.8
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [eiser] de door de korpschef aan de weigering van de toestemming ten grondslag gelegde feiten als zodanig niet bestrijdt.
[eiser] vindt dat hij ondanks deze feiten voldoende betrouwbaar is voor het werk als beveiliger.
3.9
Ten aanzien van de verkoop van fakkels, miskent [eiser] volgens de voorzieningenrechter dat de minister heeft overwogen dat die verkoop op zichzelf beperkt is in ernst, maar dat dit handelen wel extra kwalijk is vanwege het werk van [eiser] als steward bij FC Twente. Vanwege die hoedanigheid had [eiser] moeten weten dat dergelijke fakkels gebruikt worden in voetbalstadions. Bovendien heeft [eiser] ze te koop aangeboden als stadionfakkels. Daarmee is voldoende aannemelijk dat [eiser] ze daadwerkelijk als stadionfakkels bedoeld heeft te verkopen. [eiser] heeft op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat er door hem verkochte fakkels meegenomen zouden worden in een stadion, voor eigen financieel gewin. Dit terwijl hij als steward juist de taak had om te voorkomen dat dergelijke fakkels meegenomen, laat staan worden gebruikt in het stadion. Dat niet bewezen is dat de fakkels ook als stadionfakkels zijn gebruikt doet hieraan niet af.
3.1
Dat [eiser] niet strafrechtelijk is vervolgd voor de illegale verkoop van fakkels maakt niet dat de korpschef dit handelen niet heeft kunnen meenemen bij de betrouwbaarheidsbeoordeling.
De b-grond zoals die hiervoor in rechtsoverweging 3.7 is aangehaald, biedt de korpschef immers ruimte om zijn oordeel te baseren op feiten en omstandigheden die geen aanleiding hebben gegeven tot strafrechtelijke vervolging maar wel worden opgevat als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.
Zoals de korpschef terecht stelt worden de gedragingen niet ontkend en duiden ze op onbetrouwbaarheid.
3.11
Dat [eiser] niet wist dat de verkoop van fakkels voor particuliere activiteiten niet was toegestaan acht de voorzieningenrechter met de korpschef niet geloofwaardig vanwege [eiser] functie als steward.
Daarbij komt dat in de samenleving het adagium geldt dat eenieder wordt geacht de wet te kennen. Het maken van een uitzondering daarop zou leiden tot onaanvaardbare vormen van willekeur en de aantasting van de rechten van derden. De gevolgen van het feit dat
[eiser] onvoldoende heeft gecontroleerd of de verkoop van de fakkels wettelijk is toegestaan komt voor zijn rekening en risico. Overigens had, zoals de korpschef stelt, een enkele zoekslag op internet [eiser] hier duidelijkheid over kunnen geven.
3.12
Dat [eiser] onmiddellijk is gestopt met de verkoop van de fakkels nadat hij door de politie was aangesproken maakt niet dat de illegale verkoop hem niet kan worden tegengeworpen.
Het opvolgen van aanwijzingen van de politie wordt immers van eenieder verwacht.
3.13
Ten aanzien van het verplaatsen van de plantenbakken overweegt de voorzieningenrechter dat de korpschef dit, anders dan [eiser] lijkt te veronderstellen, niet als zelfstandig feit aan de weigering van de toestemming ten grondslag gelegd. De korpschef ziet het incident als een voorbeeld dat [eiser], zoals hij zelf aangeeft, door zijn diagnoses de gevolgen van zijn handelen niet altijd kan overzien. De korpschef heeft daardoor niet het vertrouwen of de overtuiging dat [eiser] zich in de nabije toekomst te allen tijde aan de geldende wet- en regelgeving zal houden, wat de voorzieningenrechter kan volgen. Daarbij komt dat het plantenbakkenincident na de verkoop van fakkels op Marktplaats het tweede incident is waarbij [eiser] een situatie creëert die een reële kans op gevaarzetting kan opleveren, terwijl van een beveiliger juist wordt verwacht dat hij een positieve bijdrage levert aan de veiligheid.
3.14
Ten aanzien van het derde feit, dat [eiser] heeft stagegelopen bij een beveiligingsbedrijf terwijl hij hiervoor geen geldige toestemming van de korpschef had, overweegt de voorzieningenrechter dat vaststaat dat de benodigde toestemming door QSS Security was aangevraagd en dat, omdat [eiser] erop vertrouwde dat deze zou worden verleend, de stage al is afgerond. Dat QSS Security en [eiser] verwachtten dat de toestemming zou worden verleend, maakt niet dat het ontbreken van toestemming niet aan de weigering van de toestemming ten grondslag kan worden gelegd. Ook hierbij geldt dat eenieder wordt geacht de wet te kennen. [eiser] had dus moeten weten dat hij toestemming nodig had, voordat zijn stage begon. Bovendien wordt in het curriculum van de opleiding de voor werk of stage benodigde toestemming behandeld, zo is door de korpschef ter zitting betoogd en door [eiser] niet weersproken.
3.15
Anders dan [eiser] stelt, ziet de door de korpschef aangehaalde uitspraak van de Afdeling niet op een wezenlijk ander, en daarmee niet vergelijkbaar, geval. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat [eiser] gedurende 6 maanden voor QSS Security gewerkt heeft als beveiliger in een hotel en in die hoedanigheid portier was en nachtrondes liep. Dat [eiser] geen feitelijke beveiligingswerkzaamheden heeft verricht volgt de voorzieningenrechter daarom niet.
Ook het feit dat [eiser] maar 6 maanden heeft gewerkt maakt niet dat dat de uitspraak niet van overeenkomstige toepassing is.
3.16
Gelet op het voorgaande heeft de korpschef naar het oordeel van de voorzieningenrechter mogen concluderen dat de betrouwbaarheid van [eiser], door de illegale verkoop van fakkels, een mutatie wegens baldadigheid en het werken als beveiliger zonder de vereiste toestemming niet boven elke twijfel is verheven. Dat maakt dat [eiser] terecht door de korpschef onbetrouwbaar is gevonden.
Evenredigheidstoets
3.17
[eiser] doet een beroep op de evenredigheidstoets. Dat beroep is echter beperkt door het toepasselijke wettelijk kader. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr moet de korpschef namelijk toestemming weigeren als hij de betrokkene onbetrouwbaar vindt. Deze bepaling heeft dus een dwingendrechtelijk karakter. Alleen bij de beoordeling of de betrokkene betrouwbaar is, kan de korpschef een afweging maken en artikel 4:81 van Pro de Awb toepassen, dat bepaalt dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Dat betekent dat de korpschef alleen omstandigheden mag betrekken die relevant zijn voor de betrouwbaarheid.
3.18
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die relevant zijn voor de betrouwbaarheid van [eiser] en die de korpschef ten onrechte niet zou hebben meegewogen.
Voor zover [eiser] bedoelt te stellen dat de korpschef zijn diagnoses ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken omdat deze relevant zijn voor de beoordeling van zijn betrouwbaarheid heeft [eiser] niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt in hoeverre die diagnoses dan relevant zijn voor die beoordeling.
Dat [eiser] zijn opleiding mogelijk niet kan afmaken en dat dat hem onevenredig raakt, zijn omstandigheden die, hoe spijtig dat ook voor hem kan zijn, geen verband houden met de beoordeling of [eiser] voldoende betrouwbaar is.
Deze omstandigheden heeft de korpschef dan ook terecht niet in de beoordeling betrokken.
3.19
Uit het voorgaande volgt dat de korpschef de voor de beoordeling relevante omstandigheden voldoende heeft onderzocht.
Hoor en wederhoor
3.2
Tijdens de hoorzitting op 25 februari 2026 is namens de korpschef meegedeeld dat de (politie-)systemen zoals gebruikelijk voorafgaand aan de hoorzitting zijn geraadpleegd en dat daaruit is gebleken dat het weekeinde voorafgaande aan de hoorzitting sprake is geweest van baldadigheid in de vorm van het verplaatsen van plantenbakken waardoor de hulpdiensten er niet door konden. [eiser] is hierop tijdens de hoorzitting gevraagd of hij wilde reageren of eerst wilde overleggen met zijn advocaat. [eiser] heeft ervoor gekozen om direct te reageren. Niet gebleken is dat hij daarvoor onvoldoende gelegenheid heeft gehad. Van schending van het beginsel van hoor- en wederhoor is dan ook geen sprake

Conclusie

4. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.strafbaar gesteld in de artikelen. 1.2.2, lid 1, 3 en 5 van het Vuurwerkbesluit en in de Wet op de economische delicten
3.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2022:2929
4.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2026:1068