ECLI:NL:RBOVE:2026:320

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
08.031947-23 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen in Attractie- & Vakantiepark Slagharen

Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. De zaak vond zijn oorsprong in een incident op 10 juli 2022 in Attractie- & Vakantiepark Slagharen, waar een ruzie ontstond tussen de verdachte en twee slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De verdachte en een medeverdachte werden beschuldigd van het plegen van geweld tegen deze slachtoffers. Tijdens de zitting op 13 januari 2026 heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie en de verdediging gehoord. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en dat zij bevoegd was om de zaak te behandelen. De verdediging voerde aan dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces, maar de rechtbank verwierp dit verweer. De rechtbank oordeelde dat de verdachte en de medeverdachte gezamenlijk geweld hadden gepleegd, maar dat de verdachte zich had verdedigd tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. De rechtbank honoreerde het beroep op noodweer en verklaarde de verdachte niet strafbaar, waardoor zij van alle rechtsvervolging werd ontslagen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.031947-23 (P)
Datum vonnis: 27 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. E.J.M.J. Damen, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en bondig weergegeven, op neer dat verdachte op 10 juli 2022 in Slagharen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (
primair), dan wel samen met een ander [slachtoffer 1] en
[slachtoffer 2] heeft mishandeld (
subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
primair
zij op of omstreeks 10 juli 2022 te Slagharen, gemeente Hardenbergopenlijk, te weten in Attractie- & Vakantiepark Slagharen, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniginggeweld heeft gepleegd tegen een of meerdere perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] door- die [slachtoffer 2] bij de kleding en/of het haar en/of de nek vast te pakken en/of die [slachtoffer 2] (vervolgens) naar achteren te trekken en/of- die [slachtoffer 2] op/tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen en/of te slaan en/of- die [slachtoffer 1] op/tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen en/of- die [slachtoffer 1] op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan;
subsidiairzij op of omstreeks 10 juli 2022 te Slagharen, gemeente Hardenbergtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door- die [slachtoffer 2] bij de kleding en/of het haar en/of de nek vast te pakken en/of die [slachtoffer 2] (vervolgens) naar achteren te trekken en/of- die [slachtoffer 2] op/tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen en/of te slaan en/of- die [slachtoffer 1] op/tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen en/of- die [slachtoffer 1] op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan.

3.De voorvragen

3.1
De geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.
3.2
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
3.2.1
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, met verwijzing naar de gang van zaken en het tijdsverloop in deze zaak, bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Volgens de verdediging is sprake van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces, die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Het handelen van het Openbaar Ministerie zou daarom met niet-ontvankelijkheid moeten worden gesanctioneerd.
3.2.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat het tijdsverloop in deze zaak inderdaad onwenselijk is, maar niet uitsluitend aan het Openbaar Ministerie is te wijten. Het tijdsverloop is ook gelegen in de onderzoekswensen van de verdediging en de termijn waarbinnen de getuigen bij de rechter-commissaris konden worden gehoord. Van een situatie die ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) tot niet-ontvankelijkheid kan leiden is geen sprake.
3.2.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing.
In het geval het instellen of voortzetten van de vervolging onverenigbaar is met beginselen van goede procesorde, kan plaats zijn voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Bij de toepassing daarvan wordt niet toegekomen aan de inhoudelijke beraadslaging. Gelet op deze ingrijpende gevolgen, is het bestendige rechtspraak dat niet-ontvankelijk van het Openbaar Ministerie moet worden beschouwd als een uiterste sanctie, die alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan worden toegepast (vlg. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889).
De verdediging heeft gewezen op het tijdsverloop en het feit dat uiteindelijk vrijwel direct na de indiening van een verzoek tot eindezaakverklaring werd overgegaan tot het plannen van de zaak (door de verdediging aangeduid als ‘reactief overgaan tot planning van een strafzaak’). Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat in het bijzonder het tijdsverloop erg vervelend is geweest voor verdachte, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een in de rechtspraak bedoelde uitzonderlijke situatie, waarin niet-ontvankelijkheidverklaring moet volgen.
De rechtbank verwerpt het verweer en stelt vast dat de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.
3.3
Geen redenen voor schorsing van de vervolging
De rechtbank heeft tot slot vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.De bewijsmotivering

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het slaan van [slachtoffer 1] , het schoppen in het gezicht van [slachtoffer 1] en het schoppen van [slachtoffer 2] .
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van het primaire feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat volgens de verdediging in ieder geval niet alle in de tenlastelegging opgesomde geweldshandelingen bewezen kunnen worden verklaard.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de hieronder opgenomen feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen [1] zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
De rechtbank overweegt als volgt.
De feiten en omstandigheden
Op 10 juli 2022 is in Attractie- & Vakantiepark Slagharen een ruzie ontstaan tussen verdachte en [medeverdachte] , enerzijds en de heer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en mevrouw [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) anderzijds. De aanleiding van deze ruzie was het voordringen in de rij voor een achtbaan door het nichtje van [slachtoffer 1] . Verdachte sprak haar en [slachtoffer 1] daarop aan, waarna tussen verdachte en [slachtoffer 1] een kort gesprek plaatsvond, waarin [slachtoffer 1] aanbood om samen met zijn nichtje achteraan te sluiten en verdachte aangaf dat dit niet nodig was. Zij zijn vervolgens allemaal in de attractie gegaan. [2]
Na afloop gingen verdachte en [medeverdachte] naar het toilet. In het toiletgebouw werd [medeverdachte] aangesproken door [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] vroeg wat nou eigenlijk precies het probleem was geweest. [medeverdachte] zei dat verdachte gefrustreerd was geweest doordat de hele dag al mensen hadden voorgedrongen, maar dat het zo goed was. [3]
Buiten het toiletgebouw ontstond vervolgens een discussie tussen verdachte en [slachtoffer 1] . Daarbij raakten ook [slachtoffer 2] en een andere man (die later de vader van het meisje dat had voorgedrongen bleek te zijn) betrokken. Tijdens de discussie liepen de spanningen op. [4]
Wat er vervolgens gebeurde is op camerabeelden vastgelegd, onder meer op camerabeelden van Attractie- & Vakantiepark Slagharen, die in een proces-verbaal van bevindingen zijn omschreven door verbalisant [verbalisant 1] . Volgens verbalisant [verbalisant 1] is op deze beelden te zien dat partijen om 18.12 uur uit elkaar lijken te gaan, maar dat [slachtoffer 1] dan op verdachte afloopt en haar met zijn handen een duwtje naar achteren geeft. Vervolgens ziet verbalisant [verbalisant 1] [slachtoffer 2] naar de groep terugrennen en met haar rechterarm bewegen in de richting van verdachte. [5]
Daarnaast zijn beelden beschikbaar die met een mobiele telefoon door een omstander zijn gemaakt. Verbalisant [verbalisant 2] verklaart dat op deze beelden het volgende is te zien. [slachtoffer 2] raakt [verdachte] met haar rechterarm tegen haar hoofd. [vader van verdachte] loopt dan richting [slachtoffer 2] en zij steken allebei hun armen naar voren en raken elkaar met hun handen. [vader van verdachte] valt. [slachtoffer 1] rent naar [vader van verdachte] . [verdachte] gaat op beide mannen liggen. [medeverdachte] valt dan ook op de grond bij [vader van verdachte] en [slachtoffer 1] . [verdachte] ligt dan op [slachtoffer 1] en [vader van verdachte] kruipt iets naar achteren. [slachtoffer 2] komt dan van rechts in beeld aanrennen en loopt naar [verdachte] , [vader van verdachte] en [slachtoffer 1] . […] Dan maakt ze met haar rechterbeen een beweging richting [vader van verdachte] . Het lijkt dat ze [vader van verdachte] schopt en hem ook raakt. […] [verdachte] is ondertussen van [slachtoffer 1] af en ligt ook op de grond. […] [slachtoffer 1] ligt nog steeds op de grond. Aan de beweging van [verdachte] te zien lijkt het erop dat zij haar arm los rukt. Dit lijkt zo omdat zij haar rechterarm krachtig naar achteren trekt. [verdachte] tilt dan haar been omhoog en trapt haar been krachtig naar beneden. Vervolgens schopt [verdachte] met haar rechterbeen richting [slachtoffer 1] die nog op de grond ligt. […] Links in beeld loopt [verdachte] naar [slachtoffer 2] loopt en pakt haar van de linkerkant om haar nek vast. [slachtoffer 2] draait zich dan om en aan haar bewegingen te zien slaat zij [verdachte] drie keer met haar rechterarm. [verdachte] en [slachtoffer 2] liggen dan op de grond. […] [medeverdachte] komt er dan links bij staan en hij maakt met zijn rechterbeen een beweging richting [slachtoffer 2] . Aan de beweging te zien schopt hij [slachtoffer 2] , maar niet te zien is dat zij daadwerkelijk geraakt wordt. […] [6]
Bij de politie heeft [medeverdachte] bekend een of twee klappen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] te hebben gegeven. Daarnaast heeft [medeverdachte] bekend [slachtoffer 2] bij haar capuchon te hebben vastgepakt en naar achteren te hebben getrokken. [7]
Verdachte heeft bij de politie bekend dat zij [slachtoffer 1] heeft geschopt toen hij op haar vader lag en haar vader sloeg. Zij schopte met rechts en raakte [slachtoffer 1] naar eigen zeggen in zijn zij. Vervolgens is verdachte nogmaals in gevecht geraakt met [slachtoffer 2] . [8]
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat zij [slachtoffer 2] heeft vastgepakt. [9]
Overwegingen en oordeel
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte en [medeverdachte] de volgende geweldshandelingen hebben gepleegd. Verdachte heeft, toen [slachtoffer 1] met haar vader op de grond lag, [slachtoffer 1] geschopt en hem daarbij in zijn zij geraakt. [medeverdachte] heeft [slachtoffer 1] op dat moment een of twee klappen gegeven tegen zijn achterhoofd. Daarnaast heeft verdachte [slachtoffer 2] bij het haar en de nek vastgepakt. Toen verdachte en [slachtoffer 2] samen op de grond lagen heeft [medeverdachte] [slachtoffer 2] bij haar capuchon gepakt (waarbij ook haren zijn vastgepakt) en naar achteren getrokken. Daarnaast heeft [medeverdachte] [slachtoffer 2] geschopt.
De gedragingen van verdachte staan naar het oordeel van de rechtbank niet op zichzelf, maar vormen een onderdeel van het gezamenlijk optreden met [medeverdachte] . Daarbij geldt dat verdachte een voldoende significante bijdrage heeft geleverd, om te kunnen spreken van geweld ‘in vereniging’.
Het geweld is gepleegd in een Attractie- & Vakantiepark. Dit betreft een voor (een willekeurig) publiek toegankelijke plaats. Bovendien waren er ook daadwerkelijk personen aanwezig die het in vereniging gepleegde geweld (gedeeltelijk) hebben gezien.
De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
primair
zij op 10 juli 2022 te Slagharen, gemeente Hardenberg,openlijk, te weten in Attractie- & Vakantiepark Slagharenin vereniginggeweld heeft gepleegd tegen meerdere personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door- [slachtoffer 2] bij het haar en de nek vast te pakken en- [slachtoffer 1] tegen het lichaam te schoppen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.

5.De kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
primair
het misdrijf:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

6.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en verdachte

Het beroep op noodweer of noodweerexces
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer dan wel noodweerexces. De officier van justitie vindt dat daarvan geen sprake is en dat deze verweren van de verdediging moeten worden verworpen. Volgens de officier van justitie kunnen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] weliswaar als de agressors worden aangemerkt, maar moet het daarop volgende handelen van verdachte niet als verdedigend, maar eveneens als aanvallend worden beschouwd.
De rechtbank stelt op basis van de wettige bewijsmiddelen vast dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] de volgende geweldshandelingen hebben gepleegd. [slachtoffer 2] heeft [verdachte] met haar rechterarm tegen het hoofd geslagen en aan haar haren getrokken, waarna [verdachte] op de grond is gevallen. [slachtoffer 1] heeft [vader van verdachte] van achteren aangevallen en meerdere malen (met kracht) tegen het hoofd van [vader van verdachte] geslagen, terwijl [vader van verdachte] op de grond lag. [slachtoffer 2] heeft tegen het hoofd van [vader van verdachte] geschopt.
Verdachte heeft zowel bij de politie als tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat zij zichzelf en haar vader tegen deze geweldshandelingen wilde verdedigen. Volgens de verdediging was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens verdachte toen [slachtoffer 2] op haar afkwam en haar sloeg. Vervolgens was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens de vader van verdachte ( [vader van verdachte] ) toen [slachtoffer 1] hem van achteren aanviel en hem meermaals sloeg, terwijl hij op de grond lag. Verdachte wilde [slachtoffer 1] naar eigen zeggen van haar vader afhalen. Zij heeft eerst geprobeerd hem van haar vader af te trekken en toen dat niet lukte heeft zij hem geschopt. Haar vader is ook aangevallen door [slachtoffer 2] . Verdachte heeft [slachtoffer 2] toen vastgepakt om te voorkomen dat zij weer naar haar vader zou gaan.
Het hierboven door de verdediging geschetste scenario vindt steun in de verklaring die op
1 juli 2024 bij de rechter-commissaris is afgelegd door onafhankelijke getuige [getuige] (hierna: [getuige] ). [getuige] bevond zich op een paar meter afstand van het gevecht en heeft het van begin tot het eind gezien. Volgens [getuige] moeten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als de aanstichters en agressors worden beschouwd. Daarbij beschrijft [getuige] onder andere dat [slachtoffer 1] ineens op de vader van verdachte afging, onverwachts uithaalde en hem sloeg terwijl hij op de grond lag. Daarnaast beschrijft [getuige] dat hij heeft gezien dat verdachte in paniek was en [slachtoffer 1] van haar vader probeerde te halen.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte en van haar vader. De handelingen van verdachte kunnen, gelet op haar bedoeling en de uiterlijke verschijningsvorm van haar gedrag, worden aangemerkt als verdedigingshandelingen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de situatie zodanig was dat de wijze van verdediging als noodzakelijk en geboden moet worden beschouwd. De door verdachte toegepaste geweldshandelingen stonden in redelijke verhouding tot het geweld van de wederrechtelijke aanranding.
De rechtbank honoreert het beroep op noodweer. Verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare oplevert:
primair
het misdrijf:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Postma, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
Buiten staat
Mr. S.H. Peper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, met zaaksregistratienummer PL0600-2022313347. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het proces-verbaal van aangifte door [verdachte] van 10 juli 2022, pagina’s 21 tot en met 23.
3.Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte] van 10 juli 2022, pagina 41, eerste alinea.
4.Het proces-verbaal van aangifte door [verdachte] van 10 juli 2022, pagina’s 21 tot en met 23.
5.Het proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2022, pagina’s 70 tot en met 74.
6.Het proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2023, pagina’s 49 en 50, met als bijlagen de screenshot van de camerabeelden, pagina 52, en het proces-verbaal van bevindingen van 12 juli 2022, pagina’s 53 tot en met 55, met als bijlagen de screenshots van de camerabeelden, pagina’s 56 tot en met 68.
7.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] van 16 januari 2023, pagina’s 114 en 115.
8.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 2 december 2022, pagina 107.
9.De (bekennende) verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 13 januari 2025.