Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3196

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
AK_25_1682
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31.3 planregelsOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag omgevingsvergunning bed & breakfast wegens niet voldoen aan planregels

Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om een bed & breakfast te exploiteren aan een woonadres in Almelo. Het college van burgemeester en wethouders heeft deze aanvraag afgewezen omdat het perceel de bestemming 'Wonen' heeft en een bed & breakfast niet is toegestaan zonder te voldoen aan specifieke voorwaarden uit het bestemmingsplan.

De rechtbank beoordeelt dat het college terecht heeft geoordeeld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 31.3 van de planregels, met name dat er een directe relatie moet zijn tussen de bed & breakfast-activiteit en de hoofdgebruikers van de woning, en dat de activiteit geen ernstige hinder mag veroorzaken voor het woonmilieu. Hoewel eisers stelden dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, oordeelt de rechtbank dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit niet zo zou zijn, maar dit leidt niet tot een ander oordeel.

Daarnaast is er een gegronde vrees voor overlast vanwege de exploitatie van een prostitutiebedrijf door een van de bewoners, eerdere meldingen van overlast en het ontbreken van concrete plannen voor de bed & breakfast. Dit rechtvaardigt de afwijzing op grond van mogelijke hinder. Andere aangevoerde gronden zoals het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel worden verworpen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de omgevingsvergunning voor de bed & breakfast wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1682

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , uit [woonplaats 1] , en [eiser 2] , uit [woonplaats 2] ,

gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: [gemachtigde 1] )
en
het college van burgemeester en wethouders van Almelo, verweerder, hierna: het college
(gemachtigden: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om een omgevingsvergunning voor een bed & breakfast aan de [adres 1] .
Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat niet aan één van de voor toewijzing vereiste voorwaarden wordt voldaan. Dit betekent dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand blijft.

Procesverloop

1. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 mei 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding
2. Eisers zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres 1] . Mevrouw [naam 1] woont samen met haar broer in deze woning. Het is de bedoeling dat mevrouw [naam 1] en haar broer de bed & breakfast gaan beheren.
2.1.
Eisers hebben eerder, op 1 december 2022, een aanvraag ingediend voor het verbouwen van de bij de woning behorende werkplaats tot een bed & breakfast. De vergunning is aanvankelijk van rechtswege verleend, maar bij de heroverweging in bezwaar alsnog geweigerd in de beslissing op bezwaar van 6 oktober 2023. Eisers hebben beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard in de uitspraak van 28 november 2024 in de beroepsprocedure met zaaknummer ZWO 23/2303. Eisers hebben geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. De beslissing op bezwaar van 6 oktober 2023 staat daarmee in rechte vast.
2.2.
[eiser 1] heeft op 30 maart 2024 (opnieuw) een aanvraag ingediend voor het realiseren van een bed & breakfast op het perceel [adres 1] . De aanvraag heeft betrekking op de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
2.3.
Op deze aanvraag heeft het college beslist met de besluitvorming, zoals beschreven onder Procesverloop.
De besluitvorming
3. Het college heeft de aanvraag van [eiser 1] afgewezen, omdat het perceel aan de [adres 1] in het bestemmingsplan "[bestemmingsplan]" de bestemming 'Wonen' heeft en een bed & breakfast hierin niet is toegestaan. Het college wil geen medewerking verlenen aan een afwijking van het omgevingsplan ten behoeve van het realiseren van een bed & breakfast, omdat niet voldaan zal worden aan de voorwaarden. Aangezien geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met continuïteit in de samenstelling, kan volgens het college niet worden voldaan aan het vereiste van artikel 31.3, onder g, van de planregels dat er een directe relatie moet bestaan tussen de (B&B-) activiteit en de (hoofd)bewoner(s) van de woning. Daarnaast doet de uitoefening van de activiteit volgens het college naar verwachting afbreuk aan de beleving van de (woon)omgeving. Het college heeft de aanvraag voor de technische bouwactiviteit in de besluitvorming verder niet getoetst.
3.1.
In de beslissing op bezwaar is verder overwogen dat het beoogde gebruik van de aanbouw van de achterliggende panden aan de [adres 2] ten behoeve van de bed & breakfast niet is toegestaan. Ook is een keuken voor eigen gebruik van de gasten niet toegestaan.
3.2.
Op de zitting bij de rechtbank heeft het college toegelicht dat deze argumenten geen zelfstandige afwijzingsgronden zijn, maar dat ze dienen als voorbeeld dat mevrouw [naam 1] dingen wil die volgens de regels niet zijn toegestaan.
Overwegingen
Afbakening
4. Eisers hebben in deze beroepsprocedure ook gronden naar voren gebracht die betrekking hebben op de beslissing op bezwaar van 6 oktober 2023. Dat besluit staat in rechte vast en vormt geen onderdeel van deze beroepsprocedure. De rechtbank zal die gronden dan ook niet bespreken.
5. Gebleken is dat eisers een herzieningsverzoek bij de rechtbank hebben ingediend voor wat betreft de uitspraak van 28 november 2024 van de rechtbank in zaaknummer ZWO 23/2303. Dit herzieningsverzoek wordt in een andere procedure door de rechtbank behandeld en valt buiten de omvang van deze beroepsprocedure.
Toetsingskader
6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Omdat de aanvraag is ingediend na die datum, is de Ow daarop van toepassing.
6.1.
Met de inwerkingtreding van de Ow heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel aan de [adres 1] geldt het "Omgevingsplan gemeente Almelo". Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.
6.2.
Op het perceel aan de [adres 1] was – voor zover in deze zaak van belang – vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan "[bestemmingsplan]" van toepassing. Dit plan maakt dus deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op grond van dit bestemmingsplan heeft het betrokken perceel de bestemming 'Wonen'.
6.3.
Op grond van artikel 31.3 van de planregels kan het college bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen voor het bestemmingsplan voor het gebruik van ruimten van de woning en/of de bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een bed & breakfast accommodatie, met dien verstande dat (voor zover hier van belang):
(…)
g. er een directe relatie bestaat tussen de activiteit en de (hoofd)bewoner(s) van de woning;
h. de uitoefening van de activiteit (naar verwachting) geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert of afbreuk doet aan de beleving van de (woon)omgeving;
(…).
Beoordeling van de beroepsgronden
7. Voor zover in het beroepschrift is gewezen op de eerder aan eisers van rechtswege verleende vergunning, merkt de rechtbank op dat hiervan geen sprake is gelet op de beslissing op bezwaar van 6 oktober 2023.
8. Het gebruik van de woning als bed & breakfast is niet in overeenstemming met de ter plekke geldende bestemming 'Wonen'. Het gebruik van de woning als bed & breakfast is mogelijk als voldaan wordt aan de voorwaarden uit artikel 31.3 van de planregels en als het college vervolgens gebruik maakt van de bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van de bepalingen van het bestemmingsplan voor het gebruik van ruimten van de woning en/of de bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een bed & breakfast.
9. Volgens het college wordt hier niet voldaan aan de voorwaarden uit artikel 31.3 van de planregels zoals vermeld onder g. en h. van dit artikel.
10. Met betrekking tot de onder g. beschreven voorwaarde overweegt de rechtbank als volgt.
10.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er een directe relatie moet bestaan tussen de bed & breakfast-activiteit en de (hoofd)bewoner(s) van de woning. Aan deze voorwaarde wordt volgens het college niet voldaan, omdat de huurster mevrouw [naam 1] heeft aangekondigd dat er zich binnenkort een wijziging in de woningsamenstelling zal voordoen die in strijd is met de regels hieromtrent uit het omgevingsplan. Indien geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met continuïteit in de samenstelling, wordt niet voldaan aan het vereiste van artikel 31.3, onder g, van de planregels.
10.2.
De rechtbank volgt het college hierin niet. Mevrouw [naam 1] en haar broer wonen aan de [adres 1] en staan ook op dat adres ingeschreven in de basisregistratie personen. Zij zullen als beheerder van de bed & breakfast gaan optreden. Mevrouw [naam 1] en haar broer hebben een huurovereenkomst met eisers gesloten vanaf 1 augustus 2024 voor de duur van vijf jaren. Niet valt in te zien waarom dit niet als een duurzame gemeenschappelijke huishouding is aan te merken. Dat de man van mevrouw [naam 1] mogelijk ook naar Nederland komt, betekent op zichzelf niet per definitie dat geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en betreft bovendien een mogelijke toekomstige gebeurtenis. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet toereikend gemotiveerd dat niet voldaan wordt aan de voorwaarde van artikel 31.3, onder g, van de planregels.
10.3.
Overigens is op de zitting ook gebleken dat het pand [adres 1] in de verkoop staat en dat bij verkoop mevrouw [naam 1] en haar broer het pand binnen drie maanden zullen verlaten. Dit gegeven is weliswaar van na de bestreden besluitvorming maar zal bij eventuele nieuwe besluitvorming wel van belang zijn.
11. Met betrekking tot de onder h. beschreven voorwaarde overweegt de rechtbank als volgt.
11.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorgeschiedenis hierbij een rol speelt. Er was eerder sprake van met het omgevingsplan strijdige bewoning toen in de woning van eisers twee personen woonden die niet stonden ingeschreven in de basisregistratie personen. Verder heeft het college in de korte periode dat de bed &
breakfast - zonder de benodigde omgevingsvergunning - open is geweest diverse meldingen van overlast ontvangen. Het college heeft verder in aanmerking genomen dat mevrouw [naam 1] geen idee heeft wat de kosten van de bed & breakfast zullen zijn, wat de opbrengsten zullen zijn en ook niet wat er gebeurt als de kosten hoger zijn dan de opbrengsten. Zij heeft evenmin marktonderzoek gedaan om te kunnen bepalen of er voldoende vraag is naar recreatief nachtverblijf in Almelo voor een rendabele bed & breakfast. Dit maakt het volgens het college aannemelijk dat de bed & breakfast niet is bedoeld voor louter recreatief nachtverblijf.
11.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31.3, onder h, van de planregels. Hierbij is van belang dat mevrouw [naam 1] samen met haar broer een prostitutiebedrijf heeft. De eerdere huurster van de woning aan de [adres 1] was mevrouw [naam 2]. Zij werkte op dat moment voor het prostitutiebedrijf van mevrouw [naam 1] . De destijds ontvangen meldingen van overlast hingen deels samen met de klanten van het prostitutiebedrijf waarvoor mevrouw [naam 2] werkte. Mevrouw [naam 2] is weliswaar niet meer woonachtig in de woning, maar het college kan uit de ervaringen uit die tijd wel een vrees voor overlast voor de (woon)omgeving ontlenen. Ook in het geval van mevrouw [naam 1] , die mede-eigenaar is van het betreffende prostitutiebedrijf, bestaat het risico dat overlast door de uitoefening van het prostitutiebedrijf een rol gaat spelen. De twijfel of de bed & breakfast voor louter recreatief nachtverblijf zal worden gebruikt, wordt versterkt door het feit dat mevrouw [naam 1] niets heeft kunnen vertellen over de plannen voor de bed & breakfast, niet heeft gedacht over de exploitatie van de bed & breakfast en niet op de hoogte is van de daarvoor geldende regels. Deze omstandigheden tezamen maken dat het college naar het oordeel van de rechtbank een gerechtvaardigde twijfel heeft dat het toestaan van het gebruik van de woning als bed & breakfast geen ernstige hinder voor het woonmilieu zal opleveren of afbreuk zal doen aan de beleving van de (woon)omgeving. Hierbij hoeft het college niet aannemelijk te maken dat deze hinder aanwezig is, maar volstaat het aannemelijk maken van de verwachting van hinder. Gelet op het voorgaande heeft het college hier aan voldaan. Dit betekent dat de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31.3, onder h, van de planregels. Omdat het niet voldoen aan één van de voorwaarden uit artikel 31.3 van de planregels al volstaat om de aanvraag af te wijzen, heeft het college de aanvraag van eisers terecht afgewezen.
12. Met betrekking tot het beroep van eisers op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat onvoldoende is onderbouwd waaraan eisers een gerechtvaardigd vertrouwen menen te kunnen ontlenen. Wat betreft de door eisers aangehaalde strijd met het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat dit betoog niet slaagt. Niet is gebleken dat het college in gelijke gevallen verschillend heeft gehandeld. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is de rechtbank evenmin gebleken. Het college heeft met zowel eisers als mevrouw [naam 1] gesprekken gevoerd en heeft de relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. Zoals uit het voorgaande volgt, heeft het college de afwijzing van de aanvraag afdoende gemotiveerd in verband met het niet voldoen aan de voorwaarde van artikel 31.3, onder h, van de planregels.
13. Wat eisers voor het overige hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.