Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3131

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
ak_25_2109
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij vanaf 18 maart 2024 geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

De rechtbank heeft het medisch en arbeidskundig onderzoek beoordeeld, waaronder rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. De medische beperkingen van eiser zijn vastgesteld op basis van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) die rekening houdt met artrose, rugklachten en andere fysieke beperkingen. Eiser bracht geen nieuwe medische gegevens in tijdens de procedure.

De arbeidsdeskundige concludeerde dat eiser in staat is om diverse geduide functies te vervullen zonder overschrijding van zijn belastbaarheid. De rechtbank achtte het onderzoek zorgvuldig en de motivering van het UWV voldoende.

De rechtbank concludeert dat het verlies aan verdienvermogen 16,14% bedraagt, wat onder de 35% grens ligt voor recht op WIA-uitkering. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2109

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna: [eiser]),

gemachtigde: mr. M. Berkel,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: mr. Y.A. van Veelen.

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 26 april 2024 heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat hij vanaf 18 maart 2024 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.2
[eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 26 juni 2025 op het bezwaar van [eiser] is het UWV bij dit besluit gebleven.
1.3
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], bijgestaan door [naam], de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het UWV. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om [eiser] in de gelegenheid te stellen medische informatie in geding te brengen en het UWV de gelegenheid te geven nog te reageren op de aanvullende gronden.
1.5
[eiser] heeft geen medische gegevens in geding gebracht. Wél heeft [eiser] aanvullende gronden ingediend op 28 januari 2026. Het UWV heeft in reactie een verweerschrift, een rapport van 13 februari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 17 februari 2026 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in geding gebracht. [eiser] heeft hierop gereageerd op 11 maart 2026. Het UWV heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.6
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld mee te delen of zij behandeling van het beroep op een nadere zitting wensen. Partijen hebben niet aangegeven dat zij nog een nadere zitting wensen. Hierop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. [eiser] is vanaf 9 november 2020 gedurende gemiddeld 34,58 uur per week werkzaam geweest als kozijnenmonteur via uitzendbureau WerkTijd B.V. Op 21 maart 2022 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Hij heeft een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen.
[eiser] heeft het UWV verzocht hem een WIA-uitkering toe te kennen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.

Standpunten van partijen

Standpunt van het UWV
3. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat [eiser] met ingang van
18 maart 2024 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%. Het UWV acht [eiser] met zijn beperkingen nog steeds in staat werk te verrichten. Met dit werk zou hij hetzelfde kunnen verdienen als hij verdiende in zijn werk als kozijnenmonteur voor gemiddeld 34,58 uur per week.
Standpunt van [eiser]
4. [eiser] stelt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. [eiser] acht zich meer beperkt dan aangenomen en acht zich niet in staat de geduide functies te vervullen.
4.1
De bevindingen van de behandelaren en het dagverhaal zijn onvoldoende vertaald in concrete duur- en gewichtsgrenzen. Het ontbreken van een urenbeperking en de ruime duurbeperkingen zijn onvoldoende gemotiveerd tegenover de duurzame artrose en medicatie. Erkend is dat [eiser] ook rugklachten heeft, maar deze zijn onvoldoende vertaald naar beperkingen in de FML. Ten tijde van de datum in geding was sprake van forse alcoholproblematiek en psychische klachten. Het UWV heeft dit niet kenbaar gewogen in rubrieken 1 en 2 van de FML.
4.2
Verder is sprake van een interne tegenstrijdigheid bij de items 4.17 en 5.4 (1 uur vs tot en met 2 uur). De notitie 300 x per uur buigen is evident ongerijmd. Dat [eiser] geschikt wordt geacht voor beroepsvervoer, maar beperkt wordt geacht voor grove schokken, stoten of trillingen, is volgens [eiser] innerlijk onlogisch, omdat autorijden juist gepaard gaat met trillingen en schokken van het voertuig als geheel, pijn bij gas geven met de rechtervoet en belastend is bij in- en uitstappen. De FML laat klimmen op een huishoudtrap toe. Gezien de instabiliteit en artrose rechts, is dit onveilig en had dit verder beperkt moeten worden geacht.
4.3
Ten aanzien van de functies productiemedewerker industrie (samenstellen producten) (SBC-code 111180) en assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) stelt [eiser] dat veiligheidsschoenen en belasting van voet/enkel problematisch zijn. Dat [eiser] op maat gemaakt arthrodesesimulerend orthopedisch (veiligheids)schoeisel kan dragen is een theoretische veronderstelling. Het UWV moet aantonen dat dit daadwerkelijk beschikbaar en passend is vóórdat functies geschikt kunnen worden geacht. Dit kan niet worden weggeredeneerd.
4.4
Bij de functie assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) is onvoldoende gemotiveerd dat staan past binnen de mogelijkheden van [eiser]. Miskend is dat “staan tijdens werk” in combinatie met lopen, schokken/trillingen en instabiliteit structureel te zwaar kan zijn.
4.5
Bij de functie medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) wordt gesteld dat hoofdbewegingen geen knelpunt vormen, maar de kernbeperking zit in mobiliteit en duurbelasting voet/enkel.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] met ingang van 18 maart 2024, de datum in geding, heeft vastgesteld op minder dan 35%. Daartoe dient de rechtbank te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of [eiser], rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de geselecteerde functies te verrichten.
6. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De medische grondslag
7. De belastbaarheid van [eiser] op de datum in geding is op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
7.1
De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 9 maart 2024 vastgesteld dat [eiser] zich ziek heeft gemeld na een val van de trap met een verbrijzeling van het hielbeen. De breuk vergde veel hersteltijd. Er is sprake van beperkingen op het gebied van de fysieke belastbaarheid. [eiser] is aangewezen op enigszins voetsparend werk. De verzekeringsarts heeft een FML opgesteld.
7.2
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 14 mei 2025 geconcludeerd dat er aanleiding is om af te wijken van de beoordeling van de verzekeringsarts. Op basis van informatie van de huisarts en de orthopedisch chirurg, waaruit blijkt van onder meer artrose in het onderste spronggewricht (OSG) rechts en van al langer bestaande rugklachten, acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep [eiser] aangewezen op rechterenkelsparende en rugsparende werkzaamheden. Naast de al aangenomen beperkingen, acht de verzekeringsarts [eiser] verdergaand beperkt in de rubrieken fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML aangepast.
7.3
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennis heeft genomen van informatie van de huisarts en de orthopedisch chirurg. Hierin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien [eiser] aanvullend beperkt te achten ten aanzien van het dragen van zware persoonlijke beschermingsmiddelen, dragen, lopen tijdens het werk, het met rechts frequent bedienen van voetpedalen, staan tijdens het werk en gebogen en/of getordeerd actief zijn en licht beperkt voor frequent buigen, lopen, traplopen, knielen of hurken, zitten en zitten tijdens het werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet geen medische reden(en) om een beperking aan te nemen op het beoordelingspunt beroepsmatig vervoer. Het met de rechtervoet niet kunnen bedienen van de rem en gaspedaal in een auto kan zo nodig worden opgevangen door middel van een handbediening aanpassing. Ten aanzien van veiligheidsschoeisel bestaat de mogelijkheid om orthopedisch veiligheidsschoeisel te laten aanmeten. De rechtbank ziet geen aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen.
7.4
In zijn rapport van 13 februari 2026 heeft de verzekeringsarts voldoende en inzichtelijk gemotiveerd waarom hij in het aangevoerde geen aanleiding ziet om meer beperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet in de FML geen "interne tegenspraak" in de items betreffende zitten, staan en lopen. Een beperking voor zitten (item 5.1) impliceert niet dat tevens een beperking voor zitten tijdens werk (item 5.2) aan de orde is. De toegestane overschrijdingen op items 4.17 en 5.4 passen binnen de systematiek van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Uit het dossier (met name het huisartsenjournaal) blijkt niet dat er op datum geding sprake was van psychopathologie en/of verslavingsproblematiek bij [eiser]. Een indicatie voor een urenbeperking conform de betreffende verzekeringsgeneeskundige standaard ontbreekt. Met betrekking tot beroepsmatig vervoer ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om een specifieke beperking aan te nemen. In de FML worden beperkingen aangegeven voor trillingsbelasting en het bedienen van pedalen met de rechtervoet. Daarnaast is beschreven onder welke voorwaarden of met welke hulpmiddelen [eiser] een voertuig zou kunnen besturen. Hiermee wordt bij de functieduiding rekening gehouden. Gelet op de beschreven toestand van de voet in de correspondentie van de orthopedisch chirurg van 27 juni 2024, is het beklimmen van een huishoudtrap niet onmogelijk. Deze belasting komt in de geduide functies overigens niet voor.
7.5
[eiser] heeft in beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij op de datum in geding meer beperkingen heeft dan in de FML van 14 mei 2025 is vastgesteld.
7.6
Gelet op het vorenstaande, mocht het UWV bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] uitgaan van de belastbaarheid, zoals vastgelegd in de FML van 14 mei 2025.
De arbeidskundige grondslag
8. Uitgaande van de FML van 14 mei 2025 is het aannemelijk dat [eiser] met ingang van
18 maart 2024 in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker industrie (samenstellen producten) (SBC-code 111180), assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) en medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140), alsmede de reservefunctie monteur reparatie smartphones en/of tablets (SBC-code 267032) te vervullen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
8.1
De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft toegelicht dat de belasting in de geduide functies geen belemmering is voor het verrichten van deze functies door [eiser]. In het rapport van 25 juni 2025 heeft hij afdoende gemotiveerd waarom de geduide functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van [eiser] op de in geding zijnde datum. In zijn rapport van 17 februari 2026 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar aanleiding van wat in beroep is aangevoerd nader toegelicht dat geen sprake is van wegredeneren, maar dat uitvoering is gegeven aan de werkinstructie zoals beschreven in de Basisinformatie CBBS. Als een functie uitgevoerd kan worden door de inzet van een eenvoudige werkvoorziening, dan staat dit de functieduiding niet in de weg. Uit overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de arbeidsdeskundige gebleken dat er geen medische bezwaren zijn tegen het dragen van aangepast schoeisel. De functie assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) acht de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep passend, aangezien in deze functie praktisch de hele dag zitten wordt gewerkt. Van de genoemde schokken/trillingen is geen sprake. Ten aanzien van de functie medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vermeld dat de mogelijkheden qua mobiliteit en duurbelasting voet/enkel, zoals weergegeven in de in bezwaar opgestelde FML niet worden overschreden.

Conclusie en gevolgen

9. Vergelijking van het inkomen dat [eiser] met ingang van 18 maart 2024 in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen van 16,14%. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] op de datum in geding dus terecht bepaald op minder dan 35%, zodat hij met ingang van die datum geen recht heeft op een WIA-uitkering.
10. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.