De veroordeelde was bij vonnis van 29 maart 2021 veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Omdat de taakstraf niet binnen de gestelde termijn was uitgevoerd, beval de officier van justitie op 17 februari 2025 de omzetting in 73 dagen vervangende hechtenis. De kennisgeving van deze omzetting werd echter nooit aan de veroordeelde toegezonden vanwege het ontbreken van een actueel adres.
De veroordeelde maakte bezwaar tegen de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Tijdens de openbare terechtzitting op 3 juni 2026 werd vastgesteld dat de omzettingsbeslissing buiten de wettelijk toegestane termijn van drie maanden na het verstrijken van de taakstrafdatum was genomen. Hierdoor moest de beslissing als nietig worden beschouwd.
De politierechter oordeelde dat het bezwaarschrift ontvankelijk en gegrond was, dat de veroordeelde de taakstraf niet meer hoefde te verrichten, noch de vervangende hechtenis hoefde te ondergaan, en bepaalde dat de veroordeelde onmiddellijk in vrijheid moest worden gesteld.