De veroordeelde was veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren wegens een relatief lichte overtreding gepleegd in januari 2022. Omdat hij deze taakstraf niet had uitgevoerd, werd deze omgezet in 39 dagen vervangende hechtenis. De tenuitvoerlegging hiervan werd bevolen op 24 december 2025, maar het afschrift van deze beslissing werd niet naar het bekende woonadres van de veroordeelde in Duitsland gestuurd.
De veroordeelde maakte bezwaar tegen de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis en verzocht om alsnog de taakstraf te mogen uitvoeren. De officier van justitie stelde dat het bezwaar te laat was ingediend en niet ontvankelijk moest worden verklaard. De politierechter oordeelde echter dat de veroordeelde wel ontvankelijk was, omdat het afschrift niet naar het juiste adres was gestuurd.
Tijdens de zitting op 3 juni 2026 werd vastgesteld dat de veroordeelde gemotiveerd was om de taakstraf alsnog te verrichten en dat bijzondere omstandigheden, zoals een mogelijke vergissing bij het CJIB, maakten dat de vervangende hechtenis niet passend was. De politierechter gaf de veroordeelde een allerlaatste kans om de taakstraf te voltooien en verklaarde het bezwaarschrift gegrond.
De veroordeelde werd op 2 juni 2026 in vrijheid gesteld en kreeg de termijn tot uiterlijk 1 februari 2027 om de resterende 68 uren taakstraf te voltooien, rekening houdend met de tijd die hij in detentie had doorgebracht.