Uitspraak
1.[eiser 1],
2.
[eiser 2],
1.De procedure
- de pleitnota van mr. de Hoog.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Overijssel
De (schoon)moeder van eisers huurde een woning van de Stichting en is in januari 2024 overleden. Eisers wilden de huurovereenkomst voortzetten op grond van een vermeende duurzame gemeenschappelijke huishouding met de overledene, zoals bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW Pro. De kantonrechter oordeelt echter dat geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, mede gelet op het feit dat de woning feitelijk uit twee aparte wooneenheden bestond en de intentie tot gezamenlijke huishouding ontbrak.
Daarnaast vorderden eisers subsidiair een vergoeding van €125.000 voor investeringen in de woning. De kantonrechter stelt dat zij geen huurder zijn en dat de Stichting niet is verrijkt door de investeringen, die bovendien onvoldoende zijn onderbouwd. Daarom wordt ook deze vordering afgewezen.
De kantonrechter veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van €3.174,00. Het vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vorderingen tot voortzetting van de huurovereenkomst en vergoeding van investeringen worden afgewezen.