Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
2.De beoordeling
3.De beslissing
ongegrond.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Overijssel
Verzoeker, de vader van een kind dat betrokken is bij een uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling, heeft tijdens een zitting op 1 april 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. H.Th. Pos, de kinderrechter die de zaak behandelt. Mr. Pos heeft het wrakingsverzoek schriftelijk bestreden en ontkende elke vorm van vooringenomenheid.
De wrakingskamer heeft het verzoek op 26 mei 2026 openbaar behandeld, waarbij verzoeker aanwezig was en mr. Pos afwezig bleef. De kamer heeft beoordeeld of er sprake is van partijdigheid of de schijn daarvan, waarbij het uitgangspunt is dat rechters onpartijdig worden vermoed tenzij uitzonderlijke omstandigheden dit tegenspreken.
De wrakingskamer concludeerde dat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die wijzen op partijdigheid of de schijn daarvan. Het ongenoegen van verzoeker over eerdere beslissingen en de vermeende klakkeloze opvolging van adviezen door de kinderrechter zijn onvoldoende om wraking te rechtvaardigen. Ook het verzoek tot contra-expertise is niet behandeld en vormt geen grond voor wraking.
Verder zijn tijdens de mondelinge behandeling nieuwe gronden aangevoerd die niet tijdig zijn voorgedragen, waardoor deze buiten beschouwing zijn gelaten. De wrakingskamer verklaart het verzoek tot wraking in alle onderdelen ongegrond en benadrukt dat tegen deze beslissing geen rechtsmiddel openstaat.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de kinderrechter is ongegrond verklaard wegens gebrek aan concrete feiten die partijdigheid aantonen.