Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3036

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
08-263138-25
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 287 SrArt. 300 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en mishandeling in huiselijk geweldszaak

De rechtbank Overijssel heeft op 27 mei 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van poging tot doodslag, mishandeling en bedreiging van zijn toenmalige partner in oktober 2025.

Uit het bewijs, waaronder het LOEF-rapport en getuigenverklaringen, blijkt dat verdachte zijn partner meerdere malen bij haar keel heeft gegrepen en gewurgd, waardoor zij geen adem kon halen en licht in haar hoofd werd. De deskundige concludeerde dat er sprake was van mogelijk levensbedreigend letsel en dat vrijwel elke verwurgingshandeling een kans op overlijden inhoudt. Daarnaast werd verdachte veroordeeld voor mishandeling door duwen, slaan en trappen.

De rechtbank verwierp het beroep op noodweer en noodweerexces en achtte de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar, ondanks een e-mail waarin zij haar aangifte leek te willen afzwakken. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 38 maanden op, waarvan 20 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod en elektronisch toezicht.

Verder werd verdachte veroordeeld tot betaling van materiële en immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer, met een schadevergoedingsmaatregel van 40 dagen gijzeling bij niet-betaling. De rechtbank achtte de gedragingen van verdachte ernstig en benadrukte de impact van het geweld binnen de relationele sfeer en in aanwezigheid van het gezamenlijke kind.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 38 maanden gevangenisstraf, waarvan 20 maanden voorwaardelijk, en tot betaling van schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummers: 08.263138.25 (P), 08.140815.23 (TUL) en 08.010668.23 (TUL)
Datum vonnis: 27 mei 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1995 in [geboorteplaats],
niet ingeschreven volgens de gemeentelijke basisadministratie, nu verblijvende in de P.I. [locatie].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 5 maart 2026 en 13 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. N. Assouiki, advocaat in Tilburg, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens [slachtoffer] door mr. J. Broekhuizen is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 5 maart 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 4 oktober 2025 tot en met 5 oktober 2025 in [plaats]:
feit 1: primairheeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door haar te wurgen
subsidiairheeft geprobeerd haar op die manier zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
feit 2:[slachtoffer] heeft mishandeld door haar te duwen, te slaan, te stompen en/of te trappen;
feit 3: [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood en/of met zware mishandeling.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 4 oktober 2025 tot en met 5 oktober 2025 te [plaats], althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet- die [slachtoffer] één of meermalen met beide handen om haar hals en/of haar nek en/of haar keel voor langere tijd heeft gewurgd en/of gegrepen en/of vastgepakt en/of (daarbij) zodanige kracht heeft uitgeoefend, althans een zodanige geweldshandeling heeft verricht op de hals en/of nek en/of keel van die [slachtoffer] dat deze geen adem meer kon halen en/of zuurstof tekort kwam en/of licht in haar hoofd werd en/of (vervolgens)- die [slachtoffer] één of meermalen naar het bed heeft gesleurd terwijl hij zijn handen nog om haar hals en/of nek en/of keel vast had en/of (vervolgens)- één of meermalen een dekbed om de keel van die [slachtoffer] heeft gewonden;terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 4 oktober 2025 tot en met 5 oktober 2025 te [plaats], althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet,- die [slachtoffer] één of meermalen met beide handen om haar hals en/of haar nek en/of haar keel voor langere tijd heeft gewurgd en/of gegrepen en/of vastgepakt en/of (daarbij) zodanige kracht heeft uitgeoefend, althans een zodanige geweldshandeling heeft verricht op de hals en/of nek en/of keel van die [slachtoffer] dat deze geen adem meer kon halen en/of zuurstof tekort kwam en/of licht in haar hoofd werd en/of (vervolgens)- die [slachtoffer] één of meermalen naar het bed heeft gesleurd terwijl hij zijn handen nog om haar hals en/of nek en/of keel vast had en/of (vervolgens)- één of meermalen een dekbed om de keel van die [slachtoffer] heeft gewondenterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 4 oktober 2025 tot en met 5 oktober 2025 te [plaats], althans in Nederland [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]- één of meermalen te duwen en/of- één of meermalen tegen/op haar hoofd, althans haar lichaam, te slaan en/of te stompen en/of- één of meermalen tegen/op haar lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen;3
hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 4 oktober 2025 tot en met 5 oktober 2025 te [plaats], althans in Nederland [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen “ik maak je af” en/of "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair en onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Van feit 3 moet verdachte volgens de officier van justitie worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van steunbewijs.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Met betrekking tot feit 2 heeft zij een noodweerverweer gevoerd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vaststelling van feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde op de terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. [1]
Op 5 oktober 2025 ontving de politie een melding van mogelijk huiselijk geweld op het adres [adres] in [plaats]. Toen de politie ter plaatse ging, zag een van de agenten een vrouw naar buiten komen met een baby op haar arm. Dit bleek later te gaan om [slachtoffer]. De agent zag dat zij bloeddoorlopen ogen had en zag tranen in haar ogen, meerdere blauwe plekken en schaafplekken in haar gelaat en blauwe plekken op haar arm. Bij de schaafplekken zag de agent sporen van vers bloed. [2]
De agent vroeg [slachtoffer] om te blijven staan en hem te vertellen wat er was gebeurd. [slachtoffer] vroeg of hij mee wilde lopen naar een andere plek, omdat het gesprek anders zou worden gefilmd door de camera’s die buiten de woning hingen. Een stukje verderop in de straat vroeg de agent haar nogmaals wat er gebeurd was. Hij zag toen dat zij begon te huilen en hoorde dat zij verklaarde al langere tijd slachtoffer te zijn van huiselijk geweld. De afgelopen nacht en ochtend was er ook sprake geweest van geweld. [slachtoffer] tilde haar kleding op en liet meerdere blauwe plekken op haar lichaam zien. Desgevraagd bevestigde zij dat ook de verwondingen in haar gezicht van die nacht waren. Zij gaf aan dat het letsel was toegebracht door verdachte. Verdachte is vervolgens aangehouden. [3]
Diezelfde dag heeft [slachtoffer] aangifte gedaan. Zij verklaarde dat zij verdachte kent sinds januari 2024 en in maart 2024 zwanger van hem raakte. Na de bevalling werd hij gewelddadig. Dit begon met duwen en ging later over in slaan. Op zaterdagnamiddag 4 oktober 2025 gaf zij aan dat zij klaar was met de situatie, waarna een woordenwisseling ontstond. Toen [slachtoffer] haar stem verhief, begon verdachte te slaan. Hij greep haar bij haar nek en schreeuwde “Ik maak je af”. Zij is vervolgens naar boven gegaan, waarna verdachte is vertrokken. De volgende ochtend stond verdachte rond 08.30 uur voor de deur. Hij beloofde rustig te blijven, alleen wat spullen te zullen pakken en daarna weg te gaan. Toen [slachtoffer] hem binnenliet, liep hij echter achter haar aan in de woning en pakte hij haar op verschillende momenten en op verschillende plekken in de woning bij haar keel. Daarbij kneep hij zo lang haar keel dicht dat zij geen adem kreeg en licht werd in haar hoofd. Hij reageerde niet toen zij schreeuwde dat hij haar los moest laten. Hij zei dat hij haar dood ging maken en dat hij haar al eerder had moeten doodmaken. Vervolgens sleurde hij haar mee naar het bed, met zijn arm om haar keel. Hij gooide haar op het bed, zei weer “Ik maak je dood” en probeerde het dekbed om haar keel te winden. Toen dit niet lukte, ging hij door met zijn handen. Op een gegeven moment stopte hij en ging hij naar beneden, aldus [slachtoffer] in haar aangifte. [4]
In een aanvullend verhoor dat op dezelfde dag als de aangifte telefonisch plaatsvond, heeft [slachtoffer] desgevraagd verklaard dat zij door de mishandelingen van 4 en 5 oktober 2025 het volgende letsel heeft opgelopen:
  • een blauwe plek op de achterzijde van haar rechterbovenbeen;
  • blauwe plekken op de binnenzijde van haar beide bovenarmen, doordat verdachte haar heeft vastgepakt;
  • een schram op haar ruggenwervel;
  • een blauwe plek op haar rug ter hoogte van haar ribben, doordat verdachte haar heeft geslagen, getrapt en geduwd;
  • een schaafwond op haar voorhoofd, doordat zij is gevallen (waarbij zij heeft verklaard dat zij niet meer precies weet hoe dit is gebeurd);
  • een blauw rechteroog, doordat verdachte haar heeft geduwd of geslagen;
  • pijn in haar keel, doordat verdachte met zijn elleboog op haar keel zat, hij haar met zijn handen heeft vastgepakt bij haar keel en het dekbedovertrek om haar keel wilde trekken.
Op 6 oktober 2025 werd bij [slachtoffer] een forensisch medisch onderzoek uitgevoerd bij het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (het LOEF). Dit onderzoek bestond uit een vragenlijst, een inspectie van het lichaam met overzichts- en letselfotografie en het beoordelen van beelden van beide netvliezen (door een oogarts) en beelden van de binnenkant van de keel (door een KNO-arts). Nadien werd in het Meander Medisch Centrum in Amersfoort een MRI-scan gemaakt van de hals, die werd beoordeeld door een forensisch radioloog. Tijdens het forensisch medisch onderzoek werd vastgesteld dat er bij [slachtoffer] uitwendig sprake was van:
  • oppervlakkige huidbeschadigingen op het voorhoofd;
  • onderhuidse bloeduitstortingen rondom beide ogen, aan de voorzijde van de hals, op de borstklas, op beide bovenarmen, op de rug, op beide bovenbenen en op het linker onderbeen;
  • krasverwondingen op de borstkas en op de rug;
  • een schaafverwonding rechts op de onderrug.
Vervolgens is [naam 1], die als forensisch arts KNMG is verbonden aan het LOEF, als deskundige benoemd. Volgens hem kan het letsel aan de voorzijde van de hals (op zichzelf of in combinatie met de bloeduitstorting en het krasletsel net onder de hals) worden verklaard door een samendrukkende krachtsinwerking op de hals. De bloeduitstortingen op de voorzijde van de linker bovenarm passen volgens hem bij fingertip-bruising, wat wordt gezien als een lichaamsdeel stevig met de handen/vingertoppen wordt vastgegrepen. Voor wat betreft de ernst van het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel geldt dat het krasletsel van de huid, schaafletsel en bloeduitstortingen kunnen worden geclassificeerd als ‘licht’ letsel (AIS-score = 1). Op de vraag of [slachtoffer] had kunnen overlijden of zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen, antwoordt de deskundige dat het daadwerkelijk ontstane letsel niet levensbedreigend is geweest. Dit staat echter los van de gevaarzetting van de handeling van het uitoefenen van samendrukkend geweld op de hals door een derde (strangulatie). Het gevaar van een samendrukkende kracht op de hals bestaat uit het optreden van zuurstoftekort. Dit kan via twee mechanismes optreden, namelijk door het dichtdrukken van de bloedvaten of het dichtdrukken van de ademweg. Bij het uitoefenen van deze handeling kan er letsel optreden, zoals bloeduitstortingen, inwendig letsel en/of krasletsel. Dit letsel op zichzelf genomen, is niet levensbedreigend. Bij het uitoefenen van deze handeling is echter ook sprake van een kans op zuurstoftekort. Deze kans is groter naarmate de uitgeoefende kracht op de hals groter is of langer duurt. Indien het zuurstoftekort niet tijdig wordt opgeheven leidt dit tot bewustzijnsverlies en uiteindelijk tot de dood. Het kritieke punt waarop verwurging levensbedreigend wordt, is niet precies vast te stellen, net zoals de exacte duur dat een verwurging moet worden aangehouden na bewusteloosheid om het punt zonder spontaan herstel van het bewustzijn en de ademhaling te bereiken. Zonder medisch ingrijpen leidt deze situatie tot de dood. De gevaarzetting van een samendrukkende kracht op de hals kan volgens de deskundige bij [slachtoffer] aan de hand van de letsels (bloeduitstortingen, krasletsel en keelklachten), met in achtneming van de beperkingen van deze studie, geclassificeerd worden als mogelijk levensbedreigend letsel (Plattner’s classificatie klasse 2). [7]
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 5 maart 2026 was deskundige [naam 1] aanwezig en heeft hij in aanvulling op zijn deskundigenrapport verklaard dat het feit dat in de keel van [slachtoffer] niets afwijkends is gezien, verwurging niet uitsluit. De kans dat je na verwurging in de keel iets ziet is 25%. Bij de meerderheid van de verwurgingsgevallen wordt in de keel niets gezien. Tot slot heeft de deskundige toegelicht dat op basis van het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel niet valt te zeggen hoe lang en hard de druk op de hals precies is geweest, maar dat tegelijkertijd geldt dat, doordat niet is te zeggen hoe lang en hoe hard je druk op de hals kunt uitoefenen zonder levensgevaar, bij vrijwel iedere verwurgingshandeling levensgevaar aan de orde is.
Van de bij [slachtoffer] geconstateerde bloeduitstortingen op de oogleden is aannemelijk dat deze veroorzaakt zijn door druk op de hals. Wanneer een blauw oog ontstaat door een val, zoals door verdachte is verklaard, zou je ook letsel aan de oogkas moeten zien. Dat is hier niet het geval. Ook letsel, zoals bloeduitstortingen, in de hals komen niet snel door vallen, aangezien bij een val de hals vanuit een reflex wordt beschermd. [8]
3.3.2.
Overwegingen en oordeel
De betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen
Door de verdediging is verweer gevoerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen. Daarbij heeft de verdediging gewezen op een e-mail die [slachtoffer] op 14 oktober 2025 aan de vorige raadsman van verdachte heeft gestuurd, waarin zij schrijft dat zij uit boosheid aangifte heeft gedaan, terwijl sprake was van een uit de hand gelopen ruzie.
Dit wordt verder door de verdediging ondersteund door verklaringen van de begeleidsters van verdachte, [naam 2] en [naam 3], die verklaren dat [slachtoffer] tegen hen heeft gezegd dat zij de gebeurtenissen van 4 en 5 oktober 2025 uit boosheid heeft aangedikt in haar aangifte. Verder is in dit verband door de verdediging gewezen op het feit dat tijdens het buurtonderzoek dat op 6 oktober 2025 heeft plaatsgevonden, door een buurvrouw is verklaard dat zij regelmatig verheven stemmen hoort uit de woning met nummer [adres] en dat zij dan vooral de vrouw hoort.
Hoewel verdachte, op duwen en slaan op 5 oktober 2025 na, ontkent [slachtoffer] te hebben mishandeld en gewurgd en [slachtoffer] inderdaad op 14 oktober 2025 een e-mail aan de toenmalige raadsman van verdachte heeft gestuurd, waarin zij haar eerdere verklaringen lijkt te hebben willen afzwakken, twijfelt de rechtbank niet aan de verklaringen die [slachtoffer] bij de politie heeft afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verklaringen gedetailleerd en consistent. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen over de geweldshandelingen op concrete onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen, waaronder de waarnemingen van de politieagent die op 5 oktober 2025 ter plaatse is gekomen en met haar heeft gesproken en het bij haar waargenomen letsel. Dit letsel past bij de geweldshandelingen die [slachtoffer] heeft omschreven.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel door verschillende andere, door hem toegelichte, oorzaken is veroorzaakt. De rechtbank beschouwt de door verdachte afgelegde verklaring, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden, echter als ongeloofwaardig en schuift deze terzijde. Temeer nu verdachte bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting wisselend heeft verklaard over wat er precies tussen hem en [slachtoffer] is voorgevallen en voor het eerst tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verklaard over wurgseks die hij op 4 oktober 2025 met [slachtoffer] zou hebben gehad.
Met betrekking tot de voornoemde e-mail die door aangeefster is verstuurd en de verklaringen van de begeleiders van verdachte, acht de rechtbank van belang dat aangeefster toen zij daarover op 7 november 2025 door de politie werd bevraagd, direct heeft aangegeven dat zij onder druk werd gezet door de begeleiders van verdachte en dat alles wat zij in haar aangifte heeft gezegd waar is. Verdachte zou over opnames beschikken, waardoor zij haar zoontje misschien kwijt zou kunnen raken. Uit het verhoor van [naam 3] bij de rechter-commissaris en de verklaring van verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat er inderdaad een of meer geluidsopnamen zijn, waarop [slachtoffer] in ieder geval door verdachte is gewezen. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat [naam 2] en [naam 3] op een aantal punten wisselend en tegenstrijdig hebben verklaard en dat uit de verklaringen naar voren komt dat zij een hechte/vriendschappelijke band hebben met verdachte. De rechtbank schuift ook de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] daarom terzijde.
Ook de voornoemde verklaring van de buurvrouw doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, volgt daaruit niet dat de inhoud van de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen onjuist is. [slachtoffer] heeft immers in haar aangifte van 5 oktober 2025 verklaard dat zij tijdens ruzies haar stem wel eens tegen verdachte verhief en dat er dan iets bij verdachte knapte en hij haar sloeg.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen betrouwbaar en zal zij deze als uitgangspunt nemen.
Ten aanzien van feit 1:
Met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde feit is vervolgens van belang dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen over de geweldshandelingen, zoals hiervoor al is overwogen, steun vinden in de waarnemingen van de politieagent die op 5 oktober 2025 ter plaatse is gekomen en met haar heeft gesproken en het bij haar geconstateerde letsel.
Uit het deskundigenrapport van [naam 1] volgt voor wat betreft de gevaarzetting dat bij [slachtoffer] sprake was van mogelijk levensbedreigend letsel (Plattner’s classificatie klasse 2). Daarnaast volgt uit dit rapport dat niet is te zeggen hoe lang en hoe hard je veilig druk op de hals kunt uitoefenen. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is op inzichtelijke wijze door de deskundige toegelicht dat daardoor bij vrijwel alle verwurgingshandelingen sprake is van een kans op overlijden.
Gelet op het feit dat verdachte [slachtoffer] meermaals bij haar keel/hals heeft gegrepen en daarbij zo hard heeft geknepen dat [slachtoffer] geen adem kreeg en duizelig werd, blauwe verkleuringen in de hals zijn ontstaan en volgens de deskundige ook aannemelijk is dat daardoor bloeduitstortingen op de oogleden zijn ontstaan, is de rechtbank van oordeel dat de kans op overlijden in het geval van [slachtoffer] aanmerkelijk moet zijn geweest.
Tijdens de geweldshandelingen heeft verdachte bovendien geroepen dat hij [slachtoffer] ging doodmaken, of woorden van gelijke strekking. Alles overziend is de rechtbank dan ook van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht te zijn dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door middel van verwurging heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden.
Ten aanzien van feit 2:
Zoals hiervoor al aan de orde kwam, heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte haar op 4 en 5 oktober 2025 heeft vastgepakt bij haar bovenarmen en haar heeft geslagen, getrapt en geduwd. Met betrekking tot het onder feit 2 ten laste gelegde feit geldt dat de verklaringen van [slachtoffer] worden ondersteund door de waarnemingen van de politieagent die op 5 oktober 2025 ter plaatse is gekomen en met haar heeft gesproken en het bij haar geconstateerde letsel.
Het door de verdediging gedane beroep op noodweer wordt door de rechtbank verworpen, nu niet aannemelijk is geworden dat sprake was (geweest) van een noodweersituatie.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld.
Ten aanzien van feit 3:
[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte haar heeft bedreigd door meermaals te zeggen dat hij haar dood gaat maken of haar gaat afmaken. Hoewel de rechtbank de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen, zoals hiervoor is toegelicht, betrouwbaar acht, kan het onder feit 3 ten laste gelegde feit niet worden bewezen. Een veroordeling voor een strafbaar feit kan namelijk niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van aangeefster, terwijl op dit punt geen steunbewijs aanwezig is. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit en het onder feit 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
1. primair
hij opeen ofmeerdere momenten inof omstreeksde periode van 4 oktober 2025 tot en met 5 oktober 2025 te [plaats], althans in Nederlandter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet- die [slachtoffer]één ofmeermalen met beide handen om haar halsen/of haar neken/of haar keelvoor langere tijdheeftgewurgd en/ofgegrepen en/of vastgepakt en/of (daarbij)zodanige kracht heeft uitgeoefend, althans een zodanige geweldshandeling heeft verricht op de hals en/of nek en/of keel van die [slachtoffer]dat deze geen adem meer kon halenen/of zuurstof tekort kwamen/oflicht in haar hoofd werd en/of (vervolgens)- die [slachtoffer]één of meermalennaar het bed heeft gesleurd terwijl hij zijn handen nog om haar halsen/of neken/of keel vast had en/of (vervolgens)- één of meermalen een dekbed om de keel van die [slachtoffer] heeft gewonden;terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij opeen ofmeerdere momenten inof omstreeksde periode van 4 oktober 2025 tot en met 5 oktober 2025 te [plaats], althans in Nederland[slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]-één ofmeermalen te duwen en/of-één of meermalentegen/ophaar hoofd, althans haar lichaam,te slaan en/of te stompen en/of-één of meermalentegen/ophaar lichaam te slaanen/of te stompenen/ofte trappen;
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair
het misdrijf: poging tot doodslag.
feit 2
het misdrijf: mishandeling.

5.De strafbaarheid van verdachte

Het beroep op noodweerexces
5.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, in het geval het beroep op noodweer niet slaagt, betoogd dat verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde een beroep op noodweerexces toekomt en dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ter onderbouwing daarvan heeft zij aangevoerd dat, in het geval de rechtbank van oordeel is dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dit het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding van [slachtoffer] en de psychische problematiek van verdachte.
5.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake kan zijn geweest van noodweerexces nu geen sprake was van een noodweersituatie.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat, nu zij onder hiervoor onder de bespreking van het bewijs heeft overwogen dat van een noodweersituatie geen sprake was, verdachte ook geen beroep op noodweerexces kan toekomen. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.
Er zijn voorts geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering. Daarbij heeft de officier van justitie gevraagd te bepalen dat het contactverbod met [slachtoffer] zo lang geldt als de reclassering nodig acht en dat contact met [slachtoffer] ten behoeve van hun gezamenlijke kind tijdens de looptijd van het contactverbod enkel kan plaatsvinden onder begeleiding van een door de reclassering aangewezen hulpverlener. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat:
-het elektronisch toezicht – gekoppeld aan het locatieverbod - voor een termijn van 6 maanden bepaald wordt;
- deze voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, in lijn met het advies in het Pro Justitia rapport verzocht de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de strafbare feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag en het mishandelen van [slachtoffer], zijn toenmalige partner. De rechtbank acht de geweldshandelingen van verdachte buitengewoon schokkend en zorgwekkend. Het had veel ernstiger voor [slachtoffer] kunnen aflopen. De geweldshandelingen hebben bovendien plaatsgevonden in de woning van [slachtoffer], de plek waar zij zich bij uitstek veilig en geborgen zou moeten kunnen voelen, en in aanwezigheid van hun zoontje. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Juist binnen de relationele en huiselijke sfeer zijn veiligheid, vertrouwen en lichamelijke integriteit van groot belang. Verdachte heeft hier door zijn handelen een ernstig inbreuk op gemaakt. De ervaring leert dat slachtoffers van huiselijk geweld hiervan nog lange tijd klachten kunnen ondervinden, in de vorm van bijvoorbeeld gevoelens van schaamte, angst en onveiligheid. Uit de namens [slachtoffer] ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring bleek dat de geweldshandelingen van verdachte inderdaad tot op heden een enorme impact op haar hebben.
Persoon van verdachte
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 2 februari 2026 opgesteld door I.C. Kool, GZ-psycholoog in opleiding, onder supervisie van A.C.J. Schrama, GZ-psycholoog. Hieruit komt naar voren dat er bij verdachte sprake is een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken en een stoornis in het gebruik van cocaïne en cannabis. Dit alles speelt zich af tegen de achtergrond van zwakbegaafdheid. Deze stoornissen en problematiek waren aanwezig ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Het handelen van verdachte werd gestuurd door een pathologische angst voor controleverlies en een onvermogen tot emotieregulatie. Hij wilde krampachtig het “perfecte gezin” redden. Het gedrag van verdachte was een gevolg van een impulsdoorbraak (‘acting-out’) voortkomend uit onmacht. Door zijn beperkte introspectie en het onvermogen om te mentaliseren, kon hij de oplopende spanningen niet verwoorden. De cocaïne die hij gebruikte als coping om zijn zelfbeeld overeind te houden en spanningen te kanaliseren, verlaagde zijn drempel tot agressie. Hierdoor werd de interne chaos direct omgezet in fysieke actie om de controle te herwinnen. Gelet op het voorgaande adviseert de psycholoog de feiten in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over.
Op basis van de bij verdachte aanwezige stoornissen en problematiek acht de psycholoog het risico op herhaling hoog. Gelet daarop adviseert zij een langdurige opname in een beschermde woonvorm met 24-uurs toezicht, evenals middelencontrole en behandeling op het gebied van emotieregulatie, vergroting van zijn coping en terugvalpreventie op het gebied van middelen.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 18 februari 2026. Het advies van de reclassering sluit aan op dat van de psycholoog, met dien verstande dat de reclassering ook het inzetten van controlemaatregelen gericht op slachtofferbescherming adviseert gezien de ernst van de ten laste gelegde feiten.
Het risico op herhaling en onttrekken aan voorwaarden schat de reclassering in als hoog. Hoewel verdachte bereid is zich te houden aan voorwaarden, deels geput uit zijn motivatie een goede vader te zijn voor zijn zoon, is het op dit moment, mede vanwege de ontkennende houding van verdachte, voor de reclassering onvoldoende duidelijk welke structurele beschermende factoren nodig zijn om het recidiverisico te verminderen. Ook vraagt de reclassering zich af of verdachte echt in staat en bereid is tot gedragsverandering. Haar advies is een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden op te leggen en daarvan de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen:
  • Meldplicht bij reclassering
  • Ambulante behandeling
  • Verblijf in beschermd wonen, begeleid wonen of maatschappelijke opvang
  • Contactverbod
  • Locatieverbod (met elektronisch toezicht)
  • Locatiegebod (met elektronisch toezicht)
  • Dagbesteding
  • Verbod op andere huisvesting
  • Beheersing middelengebruik
Strafoplegging
De rechtbank rekent verdachte het hiervoor omschreven handelen ernstig aan. Gelet op de ernst van de gepleegde feiten, is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.
Uit het strafblad van verdachte is naar voren gekomen dat er sprake was van een lopende proeftijd voor een misdrijf gepleegd in de relationele sfeer toen verdachte onderhavige feiten pleegde. De rechtbank overweegt dat deze veroordeling verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw de huidige feiten binnen de relationele sfeer te plegen. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee bij het bepalen van de strafmaat. Ook houdt de rechtbank er in strafverzwarende zin rekening mee dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem gepleegde feiten. Hij heeft ter terechtzitting geen empathie of betrouw getoond voor het door hem bij [slachtoffer] veroorzaakte leed. In plaats daarvan probeert verdachte juist de oorzaak en de schuld van het incident en het letsel van [slachtoffer] op haar af te schuiven.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, passend en geboden is. De voorwaardelijke gevangenisstraf is bedoeld om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Met de bijzondere voorwaarden kan bovendien het risico op recidive worden beperkt, aan de hand van onder meer een contactverbod met [slachtoffer], voor zolang de reclassering dit nodig acht. Daarbij zal de rechtbank, conform het verzoek van de officier van justitie, bepalen dat dat contact met [slachtoffer] ten behoeve van hun gezamenlijke kind tijdens de looptijd van het contactverbod enkel kan plaatsvinden onder begeleiding van een door de reclassering aangewezen hulpverlener. De rechtbank zal daarbij verder bepalen dat het elektronisch toezicht ter controle op de naleving van het locatieverbod en -gebod voor de eerste 6 maanden van de proeftijd worden opgelegd, zodat verdachte, nadat hij in vrijheid is gesteld, aanvankelijk onder strengere controle komt te staan. Binnen die 6 maanden kan het toezicht van de reclassering en de behandeling van verdachte concrete vorm krijgen.
De rechtbank zal bepalen dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal worden afgetrokken van deze straf.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. De rechtbank overweegt hiertoe dat er zorgen zijn met betrekking tot het risico op herhaling nu [slachtoffer] en verdachte in de toekomst beiden zorgdragen voor hun zoon, waardoor alleen dat al voor verdachte aanleiding kan zijn om contact te zoeken met haar en te vervallen in strafbaar gedrag.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 8.210,96, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde vergoeding wegens materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- € 6,99 voor kalmeringsmiddel valeriaan;
- € 18,97 voor kalmeringsmiddel oxazepam.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 8.185,-- gevorderd.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De gevorderde materiële schade is volgens de officier van justitie geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente. Met betrekking tot de hoogte van de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht [slachtoffer] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, dan wel deze af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering aanzienlijk te matigen en om, gelet op de betalingsonmacht van verdachte, geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, althans deze niet te verbinden aan gijzeling.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten rechtstreekse schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 5 oktober 2025.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door verdachte gepleegde strafbare feiten. De door [slachtoffer] gestelde psychische gevolgen, zoals de hevige angst voor verdachte en het verdriet, staan naar het oordeel van de rechtbank in voldoende verband met dit letsel, zodat voor de toekenning van een vergoeding daarvoor geen aparte grondslag is vereist.
Gelet op de omstandigheden van het geval en de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 4.000,-- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 5 oktober 2025.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
Door de benadeelde partij is verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde feiten is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 40 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. Slechts in uitzonderlijke situaties kan de rechter bij een gebrek aan draagkracht afzien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht over de huidige financiële en persoonlijke omstandigheden is daartoe niet toereikend.

8.De vordering tenuitvoerlegging

8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen onder parketnummers 08.140815.23 en 08.010668.23 toe te wijzen.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht om afwijzing van de vorderingen. Subsidiair heeft zij verzocht om verlenging van de proeftijden.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 primair
het misdrijf:
poging tot doodslag;
feit 2
het misdrijf:
mishandeling;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
38 (achtendertig) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
20 (twintig) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich meldt op afspraken met de reclassering op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
- meewerkt aan behandeling door een nader te bepalen forensische instelling, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- verblijft bij een instelling voor beschermd/begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start bij aanvang van het reclasseringstoezicht. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- op geen enkele wijze contact opneemt en/of onderhoudt met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1993, zo lang de reclassering dit nodig acht. Contact met [slachtoffer] ten behoeve van hun gezamenlijke minderjarig kind, is enkel toegestaan onder begeleiding van een door de reclassering aangewezen hulpverlener;
- zich niet bevindt in de gehele gemeente [plaats], zo lang de reclassering dit nodig acht (
locatieverbod);
- op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op zijn na zijn detentie met de reclassering te bespreken verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft verdachte een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden. Een ander adres voor het
locatiegebodis alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft;
- voor de duur van 6 maanden meewerkt aan elektronische monitoring ten behoeve van dit locatieverbod en locatiegebod. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat verdachte in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering het locatieverbod (deels) laten vervallen en de genoemde bloktijden voor het locatiegebod veranderen of laten vallen;
- zich inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van het Openbaar Ministerie;
- meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol, cocaïne en cannabis. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
-
wijstde vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk
toetot een bedrag van
€ 4.025,96(bestaande uit € 25,96 ter vergoeding van
materiële schadeen € 4.000,-- ter vergoeding van
immateriële schade);
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van
€ 4.025,96, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2025;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 4.025,96 (zegge: vierduizend vijfentwintig euro en zesennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat
gijzelingvoor de duur van
40 (veertig) dagenkan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer
- beveelt de
tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 29 september 2023 voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstrafvoor de duur van
60 (zestig) dagen;
- beveelt de
tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 13 september 2024 voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstrafvoor de duur van
58 (achtenvijftig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. S.K. Huisman en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.D. van Vliet, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
Buiten staat
Mr. R.J. Postma is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met registratienummer PL0600-2025481236. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 5 oktober 2025, p. 66 en 67.
3.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 5 oktober 2025, p. 66 en 67.
4.Proces-verbaal van aangifte van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 5 oktober 2025, p. 18 tot en met 21.
5.Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van verbalisant [verbalisant 4] van 5 oktober 2025, p. 29 en 30.
6.Een schriftelijk bescheid, te weten de Forensisch-medische letselbeschrijving LOEFNFS2025-019 van forensisch arts KNMG [naam 4] van 22 oktober 2025, p. 46 tot en met 59.
7.Een schriftelijk bescheid, te weten de Forensisch medische letselrapportage met benoeming van [naam 1] en [naam 5] van 24 februari 2026 (LOEF-nummer: LOEFNFS2025-019).
8.Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting, voor zover inhoudende de beantwoording van de aan hem gestelde vragen door deskundige [naam 1].