ECLI:NL:RBOVE:2026:299

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
AK_26_269_270
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bomenkap en belanghebbendheid in bestuursrechtelijke procedure

Op 22 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende de kap van 108 bomen in de gemeente [gemeente]. De eiser, [eiser], had bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders, maar zijn bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat hij niet als belanghebbende werd aangemerkt volgens artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De eiser stelde dat hij ten onrechte niet als belanghebbende was aangemerkt en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 22 januari 2026 werd het verzoek behandeld, waarbij de voorzieningenrechter concludeerde dat de eiser geen concrete gevolgen van de bomenkap zou ondervinden, gezien de afstand van zijn woning tot de dichtstbijzijnde boom en het ontbreken van bijzondere belangenbehartiging. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af, met de conclusie dat het college terecht had besloten dat de eiser geen belanghebbende was. De uitspraak werd in het openbaar gedaan, en partijen werden gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 26/269 en ZWO 26/270
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 januari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats],
hierna: [eiser],
en
het college van burgemeester en wethouders van [gemeente],
hierna: het college,
(gemachtigde: mr. H.C.S. van Dop).
Inleiding
1.1. Op 10 november 2025 heeft het college aan de gemeente [gemeente] een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 108 bomen en herplant van bomen op verschillende locaties binnen de gemeente [gemeente].
1.2. [eiser] heeft tegen dit besluit op 19 november 2025 bezwaar gemaakt. Hij vindt dat – kort samengevat – onvoldoende is onderbouwd dat de kap (op deze wijze) nodig is.
1.3. Met de beslissing op bezwaar van 13 januari 2026 heeft het college het bezwaar van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard, omdat [eiser] niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan worden aangemerkt.
1.4. [eiser] heeft tegen dit besluit op 13 januari 2026 beroep ingesteld. Hij stelt – kort samengevat – dat het college hem ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Ook heeft het college ten onrechte afgezien van hem te horen.
1.5. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.6. Met de e-mail van 14 januari 2026 heeft het college desgevraagd bevestigd te wachten met het kappen van de bomen tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
1.7. Het college heeft op 19 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
1.8. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam].
1.9. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van [eiser] daartegen. [1]
1.10. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.

2.Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
2.2.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat [eiser] geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb.
[eiser] woont op ongeveer 146 meter afstand van de locatie van de dichtstbijzijnde boom van zijn woning, aan de [adres]. Tussen zijn woning en die locatie staan woningen die het zicht vanuit zijn woning op de locatie en de boom ontnemen. In het geval van [eiser] wordt dan ook niet voldaan aan het afstands- en zichtcriterium.
2.3.
Vervolgens is niet gebleken dat [eiser] concrete gevolgen van enige betekenis zal ervaren door de kap van de betreffende boom. Niet is verder gebleken of aannemelijk gemaakt door [eiser] dat hij is aan te merken als een bijzondere belangenbehartiger van bomen of behartiger van belangen die geraakt worden door de kap van de boom aan de [adres]. De voorzieningenrechter heeft niet kunnen concluderen dat [eiser] bijvoorbeeld vanuit zijn professie als zodanig is aan te merken. Het is de voorzieningenrechter ook niet gebleken van concrete activiteiten die [eiser] tot nu toe heeft ontplooid als een zodanige belangenbehartiger.
2.4.
Nu deze conclusies kunnen worden getrokken voor de boom aan de [adres] overweegt de voorzieningenrechter in het verlengde daarvan dat ook niet is gebleken dat die conclusies niet tevens kunnen worden getrokken voor de overige bomen die in het bestreden besluit zijn genoemd en die op grotere afstand van de woonlocatie van [eiser] staan.
2.5.
De voorzieningenrechter komt daarom tot de conclusie dat [eiser] door het college terecht niet als belanghebbende is aangemerkt. Het college heeft om die reden dan ook het bezwaar van [eiser] terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.6.
[eiser] heeft ook nog gesteld dat het college ten onrechte hem niet in bezwaar heeft gehoord. Het college kan van het horen afzien, ook als de betrokkene expliciet vraagt om wel gehoord te worden, als er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat gelet op wat [eiser] naar voren heeft gebracht het college heeft kunnen concluderen dat een hoorzitting niet tot een andere conclusie zou hebben geleid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college daarom van een hoorzitting af kunnen zien.

3.Conclusie en gevolgen

3.1.
Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. [eiser] krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
3.2.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026 door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van de Awb maakt dat mogelijk.