Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2979

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
ak_26_1368_1270
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 123b WegenverkeerswetArt. 132, eerste lid WegenverkeerswetArt. 132, tweede lid WegenverkeerswetArt. 8:86, eerste lid Algemene bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

CBR verklaart rijbewijs ongeldig na inroepen blokkeringsrecht door betrokkene

Eiser werd op 26 oktober 2024 aangehouden wegens weigering mee te werken aan een alcoholcontrole, een feit waarvoor hij op 1 mei 2025 onherroepelijk is veroordeeld. Naar aanleiding hiervan legde het CBR een onderzoek op naar zijn rijgeschiktheid. Eiser onderging een psychiatrisch onderzoek, maar maakte gebruik van zijn blokkeringsrecht door het onderzoeksverslag niet met het CBR te delen. Hierdoor kon het CBR het verslag niet betrekken bij haar beoordeling en verklaarde het op 6 november 2025 het rijbewijs ongeldig.

Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg een voorlopige voorziening om zijn praktijkexamen te mogen afleggen. Het bezwaar werd door het CBR ongegrond verklaard en de voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter oordeelde dat het CBR het rijbewijs terecht ongeldig had verklaard omdat de wet het CBR verplicht tot intrekking bij onvoldoende medewerking.

De voorzieningenrechter benadrukte dat het inroepen van het blokkeringsrecht weliswaar een recht is, maar dat dit niet betekent dat het geen gevolgen heeft. Het CBR kan dan niet anders dan het rijbewijs ongeldig verklaren. De inhoudelijke bezwaren van eiser tegen het onderzoeksverslag konden niet via deze procedure worden behandeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het ongeldig verklaren van zijn rijbewijs wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 26/1270 en ZWO 26/1368
uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser], uit [woonplaats],
hierna: [eiser],
en
de algemeen directeur van het CBR,
hierna: CBR,
(gemachtigde: [gemachtigde]).

1.Samenvatting

1.1.
In deze zaak gaat het (opnieuw) om een voorlopige voorziening die [eiser] vraagt omdat hij zijn rijbewijs terug wil, nu in het kader van zijn beroep tegen de beslissing op bezwaar van het CBR. [eiser] moest zich van het CBR door een arts laten onderzoeken, om te bepalen of hij geschikt is om veilig aan het verkeer deel te nemen. [eiser] heeft dat onderzoek doorlopen, maar heeft ervoor gekozen het onderzoeksverslag niet te delen met het CBR. Hij heeft zijn blokkeringsrecht ingeroepen. Het CBR kan bij haar beoordeling dat verslag nu niet betrekken en moet dan volgens de wet het rijbewijs ongeldig verklaren. [eiser] is het daar niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld. Ook heeft hij een voorlopige voorziening gevraagd omdat hij ondertussen zijn praktijkexamen wil afleggen.
1.2.
De voorzieningenrechter beslist in deze uitspraak op het beroep en verzoek om voorlopige voorziening. Zij is van oordeel dat het CBR het rijbewijs terecht ongeldig heeft verklaard. [eiser] krijgt daarom geen gelijk en zijn beroep wordt ongegrond verklaard. Omdat er op het beroep is beslist, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.

2.Inleiding: de feiten en hoe de procedure tot nu toe is verlopen

2.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] op 26 oktober 2024 is aangehouden omdat hij heeft geweigerd mee te werken aan een alcoholcontrole van de politie. Hoewel [eiser] lijkt te betwisten dat hij weigerde mee te werken, gaat de voorzieningenrechter daar wel van uit, omdat [eiser] hiervoor is veroordeeld door de politierechter op 1 mei 2025. Deze uitspraak staat onherroepelijk vast.
2.2.
De politie heeft melding gemaakt van de aanhouding bij het CBR. Het CBR heeft toen besloten dat [eiser] een onderzoek moest laten doen naar zijn rijgeschiktheid. Bij zo een onderzoek wordt bekeken of iemand weer veilig mee kan doen in het verkeer. Ook het besluit van het CBR waarin het onderzoek is opgelegd, staat onherroepelijk vast.
2.3.
[eiser] is vervolgens onderzocht door een psychiater, drs. M.A. Bozdag, en die heeft een verslag van dat onderzoek gemaakt. Toen het onderzoeksverslag klaar was, heeft [eiser] er, na correspondentie over en weer, voor gekozen om zijn blokkeringsrecht in te roepen. Dit houdt in dat hij de arts geen toestemming heeft gegeven om het onderzoeksverslag met het CBR te delen. Er zijn toen fouten gemaakt waardoor het onderzoeksverslag wel alvast naar het CBR was verzonden en het CBR aanvankelijk besliste dat [eiser] weer rijgeschikt was. Dat besluit heeft het CBR ingetrokken toen duidelijk werd dat [eiser] geen toestemming gaf voor doorzending van het rapport. Dat besluit is daarom voor deze procedure niet relevant.
2.4.
Het gebruik van het blokkeringsrecht door [eiser] heeft geleid tot het besluit van het CBR van 6 november 2025, waarin het CBR het rijbewijs van [eiser] ongeldig heeft verklaard. Het CBR legt in het besluit uit dat [eiser] verplicht is om volledig aan het onderzoek mee te werken en dat hij dat nu niet heeft gedaan, omdat hij de arts geen toestemming heeft gegeven om het onderzoeksverslag door te sturen. Het CBR geeft aan dat de wet dan vervolgens vereist dat het CBR het rijbewijs ongeldig verklaart en dat het CBR daarom dit besluit heeft genomen.
2.5.
Omdat [eiser] het niet eens was met de beslissing van het CBR om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren, heeft hij daartegen bezwaar gemaakt. Omdat hij in afwachting van de beslissing op zijn bezwaar weer wilde autorijden heeft hij daarnaast de voorzieningenrechter gevraagd om zijn rijbewijs tot de beslissing op bezwaar weer geldig te verklaren De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen. [1] De voorzieningenrechter vond namelijk dat het besluit van het CBR van 6 november 2025 in orde was en verwachtte daarom niet dat het bezwaar van [eiser] zou slagen.
2.6.
Vervolgens heeft het CBR op 9 maart 2026 een beslissing genomen op het bezwaar van [eiser]. Het CBR vindt dat [eiser] geen gelijk heeft en heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Het CBR blijft erbij dat het rijbewijs ongeldig moet worden verklaard, omdat [eiser] het blokkeringsrecht heeft ingeroepen. Omdat [eiser] het hiermee niet eens is, heeft hij tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
2.7.
Ondertussen is er naast deze procedure in het bestuursrecht ook nog een strafrechtelijke procedure geweest vanwege de weigering van [eiser] om mee te werken aan de alcoholcontrole op 26 oktober 2024. Op 1 mei 2025 is [eiser] daarvoor door de politierechter veroordeeld. In een brief van 17 februari 2026 is vervolgens door de Officier van Justitie aan [eiser] medegedeeld dat die veroordeling onherroepelijk is geworden en dus vaststaat. Het gevolg hiervan is dat het rijbewijs van [eiser] ook naar aanleiding van de strafrechtelijke procedure ongeldig is verklaard. [2]
2.8.
De Officier van Justitie heeft daarnaast in zijn brief aan [eiser] gemeld dat [eiser] opnieuw een theorie- en praktijkexamen moet afleggen om weer in het bezit te kunnen komen van een rijbewijs.
2.9.
Daarmee is [eiser] aan de slag gegaan. Inmiddels heeft hij zijn theorie-examen gehaald. Het probleem is alleen dat [eiser] geen praktijkexamen mag afleggen. Dat komt omdat het CBR geen gezondheidsverklaring afgeeft, een document dat je moet hebben voordat je praktijkexamen mag doen, omdat [eiser] ongeschikt is verklaard. Om weer geschikt te kunnen worden verklaard, zal [eiser] een geschiktheidsonderzoek moeten doorlopen.
2.10.
[eiser] heeft nu de voorzieningenrechter opnieuw gevraagd om een voorziening te treffen. Die voorziening moet inhouden dat [eiser] het praktijkexamen al mag afleggen in afwachting van de uitspraak in beroep.
2.11.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep van [eiser] op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van het CBR.

3.Beoordeling door de voorzieningenrechter

[eiser] heeft spoedeisend belang bij een beoordeling door de voorzieningenrechter
3.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] spoedeisend belang heeft. Hij wil namelijk het praktijkexamen afleggen op basis van het onderzoek dat er nu ligt. Als hij een nieuw onderzoek moet laten doen, kost hem dat geld en veel extra tijd en die heeft hij niet omdat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en privé.
De voorzieningenrechter beslist ook op het beroep
3.2.
De voorzieningenrechter is na de zitting tot de conclusie gekomen dat zij ook op het beroep van [eiser] zal beslissen. De voorzieningenrechter kan dit doen, omdat artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene bestuursrecht deze mogelijkheid biedt. Wel moet dan duidelijk zijn dat verder onderzoek in de beroepsprocedure niet meer nodig is. De voorzieningenrechter vindt dat daarvan sprake is. Zij kan op basis van alle informatie die partijen aan haar hebben verstrekt een definitieve uitspraak doen over de rechtmatigheid van de beslissing op bezwaar van het CBR. Dus of het CBR de beslissing op bezwaar volgens de regels en op de juiste manier heeft genomen.
De beslissing op bezwaar: heeft het CBR het rijbewijs terecht ongeldig verklaard?
3.3.
De voorzieningenrechter beoordeelt de beslissing op bezwaar. Daarin is het CBR – samengevat – bij het standpunt gebleven dat het rijbewijs ongeldig moest worden verklaard, omdat [eiser] gebruik heeft gemaakt van zijn blokkeringsrecht. De wet geeft het CBR dan geen andere keuze dan vast te stellen dat niet volledig is meegewerkt aan het onderzoek en het rijbewijs ongeldig te verklaren. De persoonlijke omstandigheden die [eiser] aanvoert kunnen bij het nemen van dat besluit geen rol spelen.
3.4.
[eiser] vindt dit niet terecht. Omdat hij het inhoudelijk niet eens is met het onderzoeksverslag- en traject heeft hij het blokkeringsrecht ingeroepen. Dit is zijn goed recht. Het CBR kan dan volgens hem niet zomaar zeggen dat hij heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek en zijn rijbewijs ongeldig verklaren, om vervolgens ook geen gezondheidsverklaring af te geven. Wat hebben mensen dan aan een blokkeringsrecht vraagt hij zich af. Bovendien heeft hij tot nu toe altijd meegewerkt.
3.5.
De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Het is inderdaad ieders goed recht om het blokkeringsrecht in te roepen, maar dat betekent niet dat het gebruik van dat recht geen gevolgen heeft. Uit de Wegenverkeerswet volgt dat [eiser] verplicht is om volledig mee te werken aan het onderzoek wanneer dat opgelegd wordt, en dat als hij dat niet doet, het CBR moet besluiten om het rijbewijs ongeldig te verklaren. De hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, heeft geoordeeld dat het inroepen van het blokkeringsrecht moet worden gezien als het niet verlenen van die verplichte medewerking. [3] Het CBR kan dus niet anders dan vaststellen dat [eiser] geen volledige medewerking heeft verleend en het rijbewijs ongeldig verklaren. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat het CBR de beslissing op bezwaar volgens de regels en op de juiste manier heeft genomen. Het besluit is rechtmatig.
3.6.
[eiser] heeft in zijn beroepschrift vele inhoudelijke bezwaren gemaakt over het onderzoeksverslag- en traject. Aan een bespreking daarvan komt de voorzieningenrechter niet toe. Wat nu voorligt is namelijk enkel de vraag of het CBR terecht heeft geconcludeerd dat het rijbewijs ongeldig moest worden verklaard nadat [eiser] het blokkeringsrecht heeft ingeroepen en daarop is het antwoord: ja. De voorzieningenrechter wil [eiser] erop wijzen dat het inroepen van het blokkeringsrecht niet de route is om zijn bezwaren over het traject en onderzoeksverslag te bespreken. Dat is overigens ook door het CBR uitgelegd, in gesprekken die met [eiser] zijn gevoerd over het inroepen van zijn blokkeringsrecht.
3.7.
[eiser] krijgt dus geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het rijbewijs ongeldig blijft en [eiser] geen gezondheidsverklaring kan aanvragen zolang hij geen nieuw onderzoek heeft doorlopen op grond waarvan hij rijgeschikt kan worden verklaard.

4.Conclusie en gevolgen

4.1.
Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Daarnaast betekent dit dat [eiser] het griffierecht niet terugkrijgt en dat ook zijn proceskosten niet worden vergoed.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
de voorzieningenrechter
is buiten staat te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.In de uitspraak van 27 november 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6851.
2.Artikel 123b van de Wegenverkeerswet.
3.Artikel 132, eerste lid van de Wegenverkeerswet in samenhang met artikel 132, tweede lid van de Wegenverkeerswet; zie ook de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1066 en 25 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4006.