Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2922

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/08/282805 / HA ZA 22-224
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 sub b BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid en schadevergoeding na letselincident met verlies verdienvermogen en pensioenschade

In deze civiele letselschadezaak heeft de rechtbank Overijssel geoordeeld dat gedaagde aansprakelijk is voor de schade die eiser heeft geleden door een incident op 5 mei 2019. Eerder is vastgesteld dat sprake is van 50% eigen schuld, maar na toepassing van de billijkheidscorrectie is dit percentage verlaagd naar 40%. De rechtbank heeft het deskundigenrapport van de arbeidsdeskundige Pelgröm betrokken bij de beoordeling van de schadeposten.

Uit het arbeidsdeskundig rapport blijkt dat eiser geen restverdiencapaciteit heeft en niet in staat is loonvormende arbeid te verrichten, ook niet in een beschutte werkomgeving. De schadeberekening van NRL is als uitgangspunt genomen, waarbij het verlies aan verdienvermogen is vastgesteld op €464.430,-, waarvan 60% toewijsbaar is. Daarnaast is pensioenschade vastgesteld op €80.866,- en verlies aan huurtoeslag op €992,-, eveneens voor 60% toegewezen.

Verder zijn diverse overige schadeposten toegekend, waaronder kosten ter vaststelling van de schade, ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding, kosten beschermingsbewind, verlies zelfwerkzaamheid, eigen bijdrage zorgverzekering en immateriële schadevergoeding. De totale schadevergoeding inclusief fiscale component bedraagt €430.603,92. Gedaagde is veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 oktober 2020, en tot betaling van 60% van de proceskosten en deskundigenkosten. De rechtbank verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van ruim €430.000 schadevergoeding en 60% van de proceskosten met wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/282805 / HA ZA 22-224
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[bewindvoerder] q.q.h.o.d.n. [bedrijf 1] in haar hoedanigheid als bewindvoerder van [eiser] (hierna te noemen [eiser]),
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. E.W. Bosch,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. R.A. Korver.

1.De beslissing samengevat

In eerdere tussenvonnissen is al geoordeeld dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden door het incident dat op 5 mei 2019 heeft plaatsgevonden. Daarbij is geoordeeld dat sprake is van een percentage eigen schuld van 50%. Na toepassing van de billijkheidscorrectie heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] gehouden is 60% van de schade aan [eiser] te vergoeden. In dit eindvonnis wordt het deskundigenbericht van de arbeidsdeskundige besproken en een oordeel gegeven over de schadeposten verlies van verdienvermogen, pensioenschade en huurtoeslag.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 september 2025
- het deskundigenbericht van 23 januari 2026
- de conclusie na deskundigenbericht van de bewindvoerder van 25 februari 2026
- het bericht van [gedaagde] van 7 april 2026, waarin hij meedeelt af te zien van een reactie op het deskundigenbericht.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De verdere beoordeling

Het rapport van de arbeidsdeskundige
3.1
Bij vonnis van 10 september 2025 heeft de rechtbank mr. B.E.G.J.M. Pelgröm benoemd tot deskundige. Zij heeft op 26 januari 2026 het Rapport arbeidsdeskundig onderzoek bij de rechtbank ingediend waarin zij samengevat concludeert dat [eiser] niet in staat kan worden geacht om nog loonvormende arbeid te verrichten.
3.2
De bewindvoerder heeft bij conclusie na deskundigenbericht meegedeeld dat zij zich kan vinden in het rapport van arbeidsdeskundige Pelgröm. [gedaagde] heeft niet gereageerd op het rapport en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent de restverdiencapaciteit van [eiser]. Dat leidt ertoe dat de rechtbank de inhoud van het rapport tot uitgangspunt zal nemen bij de verdere beoordeling.
3.3
Uit het rapport blijkt dat [eiser] niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, dat hij niet in staat is om loonvormende arbeid te verrichten in een andere passende functie en dat hij niet in staat is om in een beschutte werkomgeving te werken. Naar de inschatting van de deskundige is hij aangewezen op een niet loonvormende arbeidsmatige daginvulling.
Voor de beoordeling van de gestelde schade uit verlies aan verdienvermogen betekent dit dat [eiser] geen restverdiencapaciteit heeft.
De schade
3.4
Bij de begroting van de schade wordt een vergelijking gemaakt tussen de werkelijke situatie (na ongeval) en het inkomen dat [eiser] in de hypothetische situatie (zonder ongeval) zou hebben verdiend.
Het verlies van verdienvermogen
3.5
Uit het arbeidsdeskundig rapport volgt dat [eiser] in de werkelijke situatie geen restverdiencapaciteit heeft. Momenteel niet en in de toekomst evenmin.
[eiser] ontvangt momenteel een WGA-uitkering. De deskundige heeft de suggestie gedaan om bij het UWV een herbeoordeling aan te vragen omdat er sprake is van duurzame beperkingen, waardoor hij mogelijk voor een IVA-uitkering in aanmerking komt. De bewindvoerder heeft er op gewezen dat een toekenning van een IVA-uitkering er weliswaar toe zou leiden dat de uitkering ten opzichte van de WGA-uitkering met 5% zou stijgen, maar dat in de schadeberekening door NRL (overgelegd als productie 11 bij dagvaarding) al is gerekend met deze hogere IVA-uitkering, waardoor de feitelijke schade groter is dan de vergoeding die in deze procedure wordt gevorderd.De rechtbank volgt de bewindvoerder hierin en zal bij de vaststelling van het inkomen van [eiser] in de werkelijke situatie uitgaan van de berekening zoals deze uit het rekenkundig rapport van NRL blijkt.
3.6
Ten aanzien van de hypothetische situatie heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 12 juli 2023 in r.o. 5.40 tot en met r.o. 5.43 al geoordeeld dat de rechtbank de bewindvoerder volgt in de door haar gestelde invulling van de hypothetische situatie zoals tot uitgangspunt is genomen in het rapport van NRL.
3.7
Aangezien uit het voorgaande voortvloeit dat geen aanleiding bestaat om van het gestelde verlies van verdienvermogen af te wijken zal de rechtbank uitgaan van de berekening van NRL. Het verlies van verdienvermogen wordt vastgesteld op € 464.430,- (waarvan verschenen schade tot 5 oktober 2020 € 4.976). Van dit bedrag is 60% toewijsbaar, te weten
€ 278.658,-.
Pensioenschade en verlies aan huurtoeslag
3.8
Gelet op het voorgaande bestaat ten aanzien van de gestelde pensioenschade en het gestelde verlies aan huurtoeslag evenmin aanleiding om af te wijken van de berekening van NRL. De aanvankelijke verweren van [gedaagde] tegen de gestelde pensioenschade heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 12 juli 2023 reeds verworpen (r.o. 5.45).
Dat leidt ertoe dat de pensioenschade wordt vastgesteld op € 80.866,- en het verlies aan huurtoeslag op € 992,-. Van deze bedragen is 60% toewijsbaar, respectievelijk € 48.519,60 en € 595,20, tezamen
€ 49.114,80.
Overige schadeposten3.9 Gelet op hetgeen in het tussenvonnis van 12 juli 2023 al is overwogen, komen daarnaast de volgende bedragen voor toewijzing in aanmerking:
  • Ziekenhuis en revalidatiedaggeldvergoeding € 2.850 x 60% =
  • Kosten beschermingsbewind € 86.717 (waarvan verschenen schade tot 5 oktober 2020 € 3.496) x 60% =
  • Verlies zelfwerkzaamheid € 11.301,- (waarvan verschenen schade tot 5 oktober 2020 € 72) x 60% =
  • Eigen bijdrage zorgverzekering € 1.957 (waarvan verschenen schade tot 5 oktober 2020 € 677) x 60% =
  • Immateriële schadevergoeding € 60.000 x 60% =
Kosten ter vaststelling van de schade
3.1
De bewindvoerder heeft verder vergoeding van kosten ter vaststelling van de schade gevorderd, bestaande uit een nota van [bedrijf 2] (medisch advies), de nota van [bedrijf 3] (arbeidsdeskundig onderzoek door [naam]) en de nota van NRL (opstellen van de schadeberekening).
[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de vordering voor zover deze ziet op de nota van [bedrijf 3]. Hij heeft daarbij aangevoerd dat deze arbeidsrapportage is opgesteld ten behoeve van het arbeidsperspectief van [eiser] en niet direct ter onderbouwing van zijn schade.
De rechtbank is van oordeel dat de bewindvoerder voldoende heeft toegelicht dat er een arbeidsdeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de uitkomsten daarvan tot uitgangspunt zijn genomen bij de vaststelling van het carrièreverloop van [eiser] als het voorval zich niet zou hebben voorgedaan. De NRL heeft dit uitgangspunt opgenomen in de schadeberekening en de rechtbank heeft bij haar oordeel over de verdiencapaciteit van [eiser] in de hypothetische situatie verwezen naar het desbetreffende rapport. Dat leidt ertoe dat deze kosten zijn aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van de schade ex artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro. De vordering voor de drie nota’s bedraagt € 7.526,20. Gelet op het percentage eigen schuld is 60% van dat bedrag toewijsbaar, te weten
€ 4.515,72.
De wettelijke rente
3.11
De wettelijke rente wordt gevorderd vanaf de datum van het voorval te weten 5 mei 2019. [gedaagde] heeft daartegen geen verweer gevoerd zodat de wettelijke rente zoals gevorderd zal worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente tot 5 oktober 2020 zal de berekening van NRL tot uitgangspunt worden genomen. Van het berekende bedrag van € 1.034,- is 60% toewijsbaar, te weten
€ 620,40. Vanaf 5 oktober 2020 (kapitalisatiedatum) is wettelijke rente verschuldigd over het toewijsbare bedrag tot de dag van betaling.
De conclusie
3.12
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 430.603,92.
De proceskosten
3.13
In de omstandigheden van dit geschil ziet de rechtbank aanleiding de kosten gedeeltelijk te compenseren. [gedaagde] is de grotendeels in het gelijk gestelde partij en zal worden veroordeeld om 60% van de proceskosten (inclusief nakosten) van de bewindvoerder te betalen. Omdat de bewindvoerder heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.
3.14
De proceskosten van de bewindvoerder exclusief de kosten van de deskundigen worden begroot op:
- griffierecht € 86,-
- salaris advocaat € 13.305,50 (3,5 x € 3.723,-)
- nakosten
€ 189,-Totaal € 13.580,50
Van dat bedrag is 60% toewijsbaar, te weten een bedrag van
€ 8.148,30
3.15
Ten aanzien van de eerste deskundige heeft de bewindvoerder 40% en [gedaagde] 60% van het voorschot voldaan. Dat strookt met de verdeling van de proceskosten zoals hiervoor is bepaald zodat op dit onderdeel geen nadere veroordeling tot betaling hoeft te volgen.
Ten aanzien van de tweede deskundige is het voorschot door de griffier uit Rijkskas betaald en is een bedrag van € 8.988,46 in debet gesteld. [gedaagde] zal worden veroordeeld om 60% van dit bedrag aan de griffier te voldoen. De bewindvoerder zal worden veroordeeld om 40% van deze kosten te voldoen.
3.16
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade door het voorval op 5 mei 2019;
4.2
verklaart voor recht dat het percentage eigen schuld na billijkheidscorrectie op 40% is vastgesteld;
4.3
verklaart voor recht dat de schade aldus begroot wordt vastgesteld op € 430.603,92 inclusief fiscale component en exclusief wettelijke rente vanaf 5 oktober 2020;
4.4
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan de bewindvoerder te betalen een bedrag van € 430.603,62 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 5 oktober 2020 tot de dag van volledige betaling,
4.5
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 8.148,30, te betalen aan de bewindvoerder binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten genoemd in 4.5 als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.7
veroordeelt [gedaagde] om een bedrag van € 5.393,08 te voldoen aan de griffier, zijnde 60% van de in debet gestelde deskundigenkosten, nadat [gedaagde] daarvoor een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak heeft ontvangen,
4.8
veroordeelt de bewindvoerder om een bedrag van € 3.595,38 te voldoen aan de griffier, zijnde 40% van de in debet gestelde deskundigenkosten, nadat de bewindvoerder daarvoor een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak heeft ontvangen;
4.9
verklaart 4.4, 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 uitvoerbaar bij voorraad,
4.1
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels, mr. D.N.R. Wegerif en mr. H.J. Berends en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.