ECLI:NL:RBOVE:2026:285

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/08/342705 / KG ZA 25-309
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:401 BWArt. 6:267 lid 1 BWArt. 6:271 BWArt. 6:2 lid 1 BWArt. 6:52 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling voorschot en machtiging tot uitvoering herstelwerkzaamheden na tekortkoming aannemingsovereenkomst

Eisers vorderen betaling van een voorschot op schadevergoeding en machtiging om herstelwerkzaamheden door derden uit te laten voeren wegens tekortkoming door gedaagde in de nakoming van een aannemingsovereenkomst.

Gedaagde heeft werkzaamheden aan de woning van eiser 1 verricht, maar deze tussentijds gestaakt en betwist dat het werk ondeugdelijk is. Een bouwtechnisch rapport van Ushi concludeert echter dat het werk niet vakkundig is uitgevoerd en dat de verbouwing nog niet gereed is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de kans groot is dat de bodemrechter zal vaststellen dat gedaagde tekortgeschoten is. De buitengerechtelijke ontbinding door eiser 1 is naar voorlopig oordeel gerechtvaardigd. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van facturen voor noodzakelijke noodwerkzaamheden die instortingsgevaar wegnemen en zorgen voor verwarming.

De vordering tot machtiging voor herstel- en voltooiingswerkzaamheden wordt afgewezen wegens ongeschiktheid voor kort geding. De vordering tot voorschot op schadevergoeding en dwangsom worden eveneens afgewezen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van facturen voor noodzakelijke noodwerkzaamheden, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/342705 / KG ZA 25-309
Vonnis in kort geding van 22 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

en

2.[eiser 2],

beiden wonend in [woonplaats 1],
eisende partijen,
hierna te noemen: eisers,
advocaat: mr. R.N. Sahebdien,
tegen
[gedaagde],
handelend onder de naam [bedrijf],
wonend in [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 december 2025, met 6 producties,
- de door eisers bij e-mail van 7 januari 2026 overgelegde 6 foto-en videobestanden,
- de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Tussen eiser sub 1 (hierna: ‘[eiser 1]’) en [gedaagde] is in december 2024 een overeenkomst tot aanneming van werk tot stand gekomen. [eiser 1] heeft aan [gedaagde] de opdracht gegeven tot de renovatie van zijn woning. Later is de omvang van de opdracht uitgebreid, in die zin dat [gedaagde] van [eiser 1] ook de opdracht heeft gekregen tot het realiseren van een uitbouw bij de woning.
2.2.
[gedaagde] heeft werkzaamheden verricht op basis van een offerte van 9 december 2024. Het offertebedrag is € 97.811,13. Deze offerte is door [eiser 1] geaccepteerd op 20 december 2024.
2.3.
Een tweede, aanvullende offerte van [gedaagde] dateert van 3 april 2025. Het offertebedrag is € 72.506,50.
2.4.
Nadat [gedaagde] zijn werkzaamheden tussentijds heeft gestaakt, heeft [eiser 1] aan de onderneming USHI Kenniscentrum Bouwen (hierna: ‘Ushi’) de opdracht gegeven om – op basis van een visuele inspectie – een onderzoek uit te voeren naar de bouwtechnische staat van zijn woning, in het licht van de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden.
2.5.
Dit onderzoek heeft geresulteerd in een rapport van Ushi (hierna: ‘rapport-Ushi’), gedateerd 12 november 2025. Onder het kopje ‘Conclusie en aanbevelingen’ staat in het rapport-Ushi het volgende:
“Er zijn reeds binnen afwerkingen / afbouwwerkzaamheden uitgevoerd terwijl de gebreken aan de buitenzijde nog niet zijn opgelost en of nog ruwbouw werkzaamheden moeten plaatsvinden.
Constructief is de stalen balk vermoedelijk te licht en de balklaag niet voldoende stabiel. Het is niet duidelijk waarom de dakconstructie op zolder additioneel is ondersteund en of dit functioneel is uitgevoerd.
De dakbedekking lijkt op het eerste oog dicht maar is niet deugdelijk aangebracht.
In het algemeen lijken de verbouw werkzaamheden niet vakkundig uitgevoerd. Er zijn uitvoeringen gekozen die niet gebruikelijk zijn en of slecht uitgevoerd.
De verbouwing is nog niet gereed. De uitbouw is nog in de ruwbouw fase. Veel afwerkingen moeten nog gedaan worden. Niets is nog echt af. Er is geen werkende verwarming. Terwijl de woning nog wordt bewoont. Dit is geen leefbare situatie.”
2.6.
In het rapport-Ushi is een tabel opgenomen waarin aan de hand van de offertes van [gedaagde] van 9 december 2024 en 3 april 2025 is onderzocht welk gedeelte van de geoffreerde werkzaamheden door [gedaagde] is verricht. Ushi concludeert dat van het geoffreerde bedrag van € 161.459,50 (exclusief btw) werkzaamheden die corresponderen met de waarde van een bedrag groot € 58.576,50 (exclusief btw) nog niet zijn uitgevoerd.
2.7.
Bij e-mail van 1 december 2025 heeft de advocaat van eisers [gedaagde] verzocht om aan te geven hoe hij de werkzaamheden gaat herstellen en afronden. [gedaagde] heeft hier niet inhoudelijk op gereageerd.

3.Het geschil

3.1.
Eisers vorderen – samengevat weergegeven – primair (i) een veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 50.000,-, wegens een tekortkoming in de nakoming, en (ii) hen te machtigen om noodzakelijke noodmaatregelen, herstelwerkzaamheden en voltooiingswerkzaamheden door derden te laten uitvoeren, op kosten van [gedaagde]. Eisers vorderen subsidiair eveneens een voorschot van € 50.000,- op de schadevergoeding, gecombineerd met een veroordeling van [gedaagde] tot nakoming van de overeenkomst. Zowel bij de primaire als subsidiaire vordering wordt verzocht om daaraan een dwangsom te koppelen.
3.2.
Eisers leggen aan de vordering het standpunt ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de verbintenissen die voortvloeien uit de overeenkomst tot aanneming van werk. Bovendien heeft [gedaagde] in de ogen van eisers ten onrechte geweigerd om alsnog tot nakoming over te gaan.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in kort geding. [gedaagde] ontkent niet dat de werkzaamheden nog niet afgerond zijn. Hij betwist wel dat hij ondeugdelijk werk zou hebben verricht. In de ogen van [gedaagde] heeft hij gerechtvaardigd zijn werkzaamheden tussentijds gestaakt, omdat hij niet meer werd betaald door [eiser 1].

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om vorderingen in kort geding. Volgens de wet kunnen die worden toegewezen in het geval van een spoedeisende zaak waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad vereist is (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Deze toets wordt door de voorzieningenrechter aangelegd bij elke door [eiser 1] ingestelde vordering. Het gaat in een kort geding uitdrukkelijk om een voorlopige voorziening, een ordemaatregel. Een oordeel in kort geding is niet van beslissende invloed op het oordeel in een eventueel nog te voeren bodemprocedure (artikel 156 Rv Pro). De voorzieningenrechter oordeelt in deze zaak als volgt.
Eiseres sub 2
4.2.
De vordering in kort geding is ingesteld door twee eisers, te weten [eiser 1] en [eiser 2]. Uit niets blijkt dat ook [eiser 2] opdrachtgever is van [gedaagde] of anderszins in een rechtsverhouding staat tot [gedaagde]. Eisers hebben op dit punt niets gesteld en uit de overgelegde stukken blijkt het evenmin. De voorzieningenrechter wijst daarom de vorderingen af voor zover die zijn ingesteld door [eiser 2].
Tekortkoming in de nakoming door [gedaagde]?
4.3.
De primaire vordering van [eiser 1] ziet – afgezien van het voorschot op schadevergoeding – op het bewerkstelligen van de situatie dat niet [gedaagde] maar een derde de werkzaamheden aan de woning zal herstellen en/of afronden.
4.4.
Cruciaal bij de beoordeling van die vordering is het antwoord op de vraag of [gedaagde] ten opzichte van [eiser 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, waarbij het met name gaat om de werkzaamheden die [gedaagde] heeft verricht tot het moment dat hij zijn werkzaamheden heeft gestaakt.
4.5.
De voorzieningenrechter acht – op basis van de op dit moment beschikbare informatie – de kans groot dat een bodemrechter zal oordelen dat [gedaagde] ondeugdelijk werk heeft verricht. De voorzieningenrechter baseert zich hierbij op het rapport-Ushi, waarvan de conclusie is dat het er in het algemeen op lijkt dat de werkzaamheden niet vakkundig zijn uitgevoerd en dat er uitvoeringen zijn gekozen die niet gebruikelijk zijn en/of slecht zijn uitgevoerd.
4.6.
[gedaagde] heeft inhoudelijk onvoldoende ingebracht tegen het rapport-Ushi. [gedaagde] heeft in zijn algemeenheid aangegeven dat er noodgedwongen ‘mindere’ keuzes zijn gemaakt uit budgettaire overwegingen, maar dat doet er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan af dat op [gedaagde] als opdrachtnemer de plicht rustte om – binnen de financiële kaders en de omvang van de opdracht – deugdelijk werk af te leveren. Het rapport-Ushi wijst er niet op dat [gedaagde] zich aan deze verplichting heeft gehouden. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat [eiser 1] onbetwist heeft aangevoerd dat door hem ongeveer € 120.000,- aan [gedaagde] is betaald.
4.7.
De voorzieningenrechter acht hierbij nog van belang dat [gedaagde] te allen tijde de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen (artikel 7:401 BW Pro). Gelet op het moment waarop [gedaagde] zijn werkzaamheden heeft gestaakt en de gevolgen die dit voor [eiser 1] en zijn inwonende moeder heeft gehad (lekkage, geen werkende verwarming in de winter, gevaar voor verzakking), is het zeer de vraag of [gedaagde] niet ook deze verplichting heeft geschonden.
Ontbinding en rechtsgevolgen
4.8.
In randnummer 18 van de dagvaarding heeft [eiser 1] de overeenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk ontbonden (artikel 6:267 lid 1 BW Pro). Voor een rechtsgeldige ontbinding is – kort gezegd – vereist een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis en verzuim van de schuldenaar.
4.9.
Voor het (voorlopige) oordeel van de voorzieningenrechter over de tekortkoming in de nakoming, wordt verwezen naar de rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.7 van dit vonnis. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de kans groot dat een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat sprake is van verzuim aan de zijde van [gedaagde].
4.10.
[gedaagde] heeft zich, nadat hij ermee bekend raakte dat [eiser 1] van mening was dat sprake is van tekortschieten, op geen enkel moment bereid getoond om alsnog na te komen. In plaats daarvan heeft [gedaagde] het standpunt ingenomen dat hij pas weer aan het werk zou gaan als [eiser 1] hem (weer) zou gaan betalen. In juridische zin doet [gedaagde] hier een beroep op opschorting, maar [gedaagde] heeft onvoldoende gesteld om een geslaagd beroep op opschorting te kunnen doen. Zo heeft [gedaagde] niets gesteld over de betalingsafspraken die tussen partijen zijn gemaakt, terwijl dat wel op zijn weg ligt. Bovendien heeft [eiser 1] onbetwist aangevoerd dat hij € 120.000,- aan [gedaagde] heeft betaald.
4.11.
Een rechtsgevolg van ontbinding is dat partijen worden bevrijd van de daardoor getroffen verbintenissen (artikel 6:271 BW Pro). Voor wat betreft de overeenkomst tussen [eiser 1] en [gedaagde], zou dit betekenen dat partijen naar de toekomst toe van elkaar af zijn.
4.12.
[eiser 1] heeft daarmee de handen vrij om aan een derde opdracht te geven om de werkzaamheden aan zijn woning af te ronden. [eiser 1] vordert een machtiging van de voorzieningenrechter op dit punt.
4.13.
Het rechtsgevolg van de buitengerechtelijke ontbinding is dat [eiser 1] een derde opdracht kan geven tot het uitvoeren van werkzaamheden. [eiser 1] heeft daar geen rechterlijke machtiging voor nodig. Voor zover [eiser 1] met de vordering tot machtiging zou willen bewerkstelligen dat in dit kort geding wordt bepaald dat de buitengerechtelijke ontbinding rechtsgeldig is en het daarmee beoogde rechtsgevolg heeft gehad, geldt dat dit niet mogelijk is. De voorzieningenrechter zou dan – materieel gezien – een verklaring voor recht moeten geven, en dat kan niet in een kort geding-procedure.
4.14.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat op dit moment sprake is van een (relatief) onleefbare situatie in de woning van [eiser 1]. Dit is ook waarneembaar op de videobestanden die [eiser 1] in het geding heeft gebracht. [gedaagde] heeft dit desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling ook niet ontkend.
4.15.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het dringend noodzakelijk dat er op korte termijn een aantal noodwerkzaamheden wordt verricht. [eiser 1] heeft daarbij een spoedeisend belang. Van hem kan niet worden verlangd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht, gelet op de huidige staat van zijn woning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betreffen deze noodwerkzaamheden (i) het wegnemen van instortingsgevaar bij de uitbouw en (ii) het treffen van maatregelen waardoor de woning deugdelijk kan worden verwarmd tot een kamertemperatuur van 20 graden.
4.16.
Indien [eiser 1] een derde opdracht geeft om de in rechtsoverweging 4.15 omschreven werkzaamheden uit te voeren, leidt dit noodzakelijkerwijs tot kosten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is – op basis van de op dit moment beschikbare informatie – de kans groot dat de bodemrechter zal oordelen dat deze kosten kunnen worden aangemerkt als schade van [eiser 1], die een gevolg is van het tekortschieten door [gedaagde] en de daaruit volgende ontbinding. Dat is schade die in dat geval door [gedaagde] zou moeten worden vergoed. Gelet op het belang dat [eiser 1] heeft bij een spoedige beëindiging van de zorgelijke toestand van zijn woning, is een voorziening bij voorraad vereist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang dat [eiser 1] heeft bij een spoedige uitvoering van noodwerkzaamheden zwaarder dan het belang dat [gedaagde] heeft om niet vooruit te lopen op de uitkomst van een bodemprocedure over de gestelde tekortkoming en de gerechtvaardigdheid van de ontbinding. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld om de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden omschreven in rechtsoverweging 4.15 te betalen. [1]
4.17.
De vordering van [eiser 1] beperkt zich niet alleen tot het (op kosten van [gedaagde]) door een derde laten uitvoeren van “noodzakelijke noodmaatregelen”, maar ziet ook op “herstelwerkzaamheden en voltooiingswerkzaamheden”. [eiser 1] wil hiermee feitelijk bereiken dat de overeenkomst die hij met [gedaagde] heeft gesloten door een derde alsnog deugdelijk wordt nagekomen, volledig op kosten van [gedaagde]. De vordering op het punt van de herstel- en voltooiingswerkzaamheden wordt afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze vordering niet geschikt voor een beslissing in kort geding. Het gaat het bestek van een ordemaatregel te buiten (artikel 256 Rv Pro). Bovendien is er op dit moment onvoldoende informatie beschikbaar om hier een oordeel over te vellen. Dit kan in een eventuele bodemprocedure aan de orde komen.
4.18.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling als verweer nog aangevoerd dat het in zijn ogen onterecht zou zijn als [eiser 1] een
carte blanchezou krijgen om op kosten van [gedaagde] werkzaamheden door derden uit te laten voeren. Dat is een terecht punt. Juridisch is het zo dat op [eiser 1] een plicht rust om de schade te beperken (artikel 6:2 lid 1 BW Pro).
4.19.
Afgezien daarvan geldt dat in deze procedure een beslissing wordt verkregen in kort geding. Het is een voorlopige voorziening, een ordemaatregel. Waar het uiteindelijk om gaat is of de bodemrechter zal oordelen of [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en of de door [eiser 1] uitgebrachte buitengerechtelijke ontbindingsverklaring gerechtvaardigd is geweest. De voorzieningenrechter hecht eraan om hierbij op te merken dat in de jurisprudentie is bepaald dat wanneer een (bodem)rechter beslist dat een ontbindingsverklaring niet gerechtvaardigd is geweest, daarmee in beginsel vaststaat dat de ontbindingsverklaring heeft geleid tot verzuim van de partij die deze verklaring aflegde. [2] [eiser 1] loopt hier dus risico’s, zeker wanneer hij het bedrag dat hij nu bij [gedaagde] in rekening brengt al te zeer laat oplopen.
Schadevergoeding
4.20.
[eiser 1] vordert een voorschot op de schadevergoeding van € 50.000,-. De voorzieningenrechter wijst dit af. Van de zijde van [eiser 1] zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening bij voorraad op het punt van schadevergoeding vereist is. [eiser 1] heeft gewezen op het verschil tussen de door hem betaalde € 120.000,- en de overeengekomen aanneemsom van € 70.000,-, maar tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de totale aanneemsom veel hoger ligt dan € 70.000,-. Het door [eiser 1] gestelde feit dat hij op dit moment geen geld heeft om verdere betalingen aan een aannemer te doen, kan ook niet tot toewijzing van deze vordering leiden. Het is de eigen verantwoordelijkheid van [eiser 1] om te contracteren over een aanneemsom waarvan hij weet dat hij die kan betalen. Hierbij is van belang dat [eiser 1], in de hypothetische situatie dat [gedaagde] volledig deugdelijk werk zou hebben verricht, méér geld zou hebben moeten betalen dan de € 120.000,- die hij tot nu heeft betaald. Dat vloeit simpelweg uit de contractuele afspraak tussen partijen.
Vordering overig en dwangsom
4.21.
Omdat de primaire vordering van [eiser 1] deels wordt toegewezen, hoeft de subsidiaire vordering niet te worden beoordeeld. De subsidiaire vordering gaat bovendien uit van de gedachte dat de overeenkomst tussen [eiser 1] en [gedaagde] nog van kracht is. Die gedachte is niet in overeenstemming met de buitengerechtelijke ontbinding door [eiser 1].
4.22.
De dwangsomvordering van [eiser 1] wordt door de voorzieningenrechter afgewezen. [gedaagde] heeft op basis van dit vonnis in kort geding geen andere verplichtingen ten opzichte van [eiser 1] dan de verplichting tot het betalen van geldsommen. Aan een veroordeling tot betaling van een geldsom kan echter niet een dwangsom worden verbonden (artikel 611a lid 1 Rv).
4.23.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser 1] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser 1] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris advocaat
715,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
986,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser 1] van de – door [eiser 1] over te leggen en aan [eiser 1] gerichte – facturen van derden die corresponderen met de werkzaamheden als omschreven in rechtsoverweging 4.15 van dit vonnis;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 986,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.

Voetnoten

1.De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat de geëigende weg is dat [gedaagde] een betalingsverplichting verkrijgt ten opzichte van [eiser 1], en niet (ook) ten opzichte van de door [eiser 1] in te schakelen derde. [eiser 1] zal dus zelf de door hem ingeschakelde derde moeten betalen, om deze vervolgens op [gedaagde] te kunnen verhalen.
2.ECLI:NL:HR:2011:BQ1864, rov. 3.3.1-3.3.4.