ECLI:NL:RBOVE:2026:2777

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
11933136 \ CV EXPL 25-3329
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting cursusgeld na annulering binnen twee weken voor aanvang

ROVC Technische Opleidingen B.V. vordert betaling van cursusgeld, incassokosten en wettelijke rente van [gedaagde] B.V. wegens annulering van een cursus binnen twee weken voor aanvang. De cursus was gepland op 4 september 2024, maar werd op 28 augustus 2024 geannuleerd. ROVC stelt dat de algemene voorwaarden, die een betalingsverplichting bij late annulering bepalen, van toepassing zijn omdat deze bij het online inschrijfproces geaccordeerd moesten worden.

[gedaagde] betwist de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en stelt dat zij deze niet heeft ontvangen of kunnen accepteren. Ook voert zij aan dat het niet redelijk is het cursusgeld te moeten betalen omdat de cursus niet is gevolgd en er geen schade is aangetoond. De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst via de website is gesloten en dat accordering van de algemene voorwaarden verplicht was om de inschrijving af te ronden. De voorwaarden waren online raadpleegbaar via een hyperlink.

De kantonrechter oordeelt dat de algemene voorwaarden tijdig ter hand zijn gesteld en van toepassing zijn. De annulering vond te laat plaats om kosteloos te zijn, waardoor [gedaagde] gehouden is het volledige cursusgeld te betalen. Ook de incassokosten en wettelijke handelsrente worden toegewezen. De vordering van ROVC wordt grotendeels toegewezen, met uitzondering van een te hoog berekende rente. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van het cursusgeld, incassokosten, rente en proceskosten.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het volledige cursusgeld, incassokosten, wettelijke rente en proceskosten wegens late annulering.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11933136 \ CV EXPL 25-3329
Vonnis van 12 mei 2026
in de zaak van
ROVC TECHNISCHE OPLEIDINGEN B.V.,
gevestigd te Ede,
hierna te noemen: ROVC,
gemachtigde: mr. G.E. Hamer,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 oktober 2025,
- de conclusie van antwoord van 28 oktober 2025,
- de conclusie van repliek 23 december 2025,
- de conclusie van dupliek 6 februari 2026.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
ROVC is een organisatie die onderwijs verzorgt in de vorm van opleidingen en cursussen. [gedaagde] is een installatietechniekbedrijf.
2.2
Op 14 mei 2024 heeft [gedaagde] via de website van ROVC een medewerker van zijn bedrijf ingeschreven voor de cursus ‘F-gassen categorie 2’ te Zwolle.
2.3
In de algemene voorwaarden die door ROVC worden gebruikt is de volgende bepaling opgenomen:
“Artikel 10.2 Open netwerk Opleiding
B2B
Bij annulering tot uiterlijk 2 weken voor de startdatum zijn geen kosten verschuldigd. Bij annulering na deze termijn is (in geval van B2B) de totale Prijs verschuldigd. Dat geldt dus ook in geval van annulering na de startdatum (…)”.
2.4
Op 15 mei 2024 heeft ROVC het cursusgeld van € 2.171,95 gefactureerd aan [gedaagde].
2.5
Op 28 augustus 2024 heeft [gedaagde] de cursus bij ROVC geannuleerd.
2.6
Namens ROVC is [gedaagde] op 12 februari 2025 en op 19 juli 2025 aangemaand tot betaling van het cursusgeld over te gaan.
2.7
[gedaagde] heeft het cursusgeld niet betaald.

3.Het geschil

Waar gaat deze zaak over?
3.1
ROVC vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.803,34 (bestaande uit € 2.171,95 aan hoofdsom, € 325,79 aan incassokosten en € 305,60 aan wettelijke handelsrente berekend tot 21 augustus 2025) te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 21 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2
ROVC legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] het cursusgeld voor de cursus ‘F-gassen categorie 2’ verschuldigd is. Zij stelt daartoe dat [gedaagde] haar inschrijving van de cursus op 28 augustus 2024 niet meer kosteloos kon annuleren. [gedaagde] heeft bij inschrijving voor de cursus een volledig inschrijfproces gevolgd op de website van ROVC. Uit dit aanmeldproces blijkt dat op de knop waarmee de inschrijving wordt afgerond, duidelijk de tekst
“inschrijving met betalingsverplichting”is vermeld. Daarnaast is [gedaagde] akkoord gegaan met de algemene voorwaarden van ROVC omdat het niet mogelijk is om de inschrijving af te ronden zonder accordering van de algemene voorwaarden. Daardoor zijn volgens ROVC de door haar gehanteerde voorwaarden van toepassing op de met [gedaagde] gesloten overeenkomst en uit artikel 10.2 van de algemene voorwaarden volgt dat het volledige cursusgeld verschuldigd is indien de cursus binnen twee weken voor aanvang wordt geannuleerd. De cursus stond gepland op 4 september 2024, [gedaagde] heeft eerst op 28 augustus 2024 de cursus bij ROVC geannuleerd en nu dat minder dan twee weken voor aanvang van de cursus is, is zij het volledige cursusgeld verschuldigd.
3.3
Over de bekendheid met de algemene voorwaarden stelt ROVC nog dat tussen partijen een duurzame handelsrelatie bestaat, waardoor [gedaagde] bekend was, althans geacht wordt bekend te zijn, met de algemene voorwaarden van ROVC. Deze voorwaarden zijn bij eerdere overeenkomsten steeds van toepassing verklaard en ongewijzigd gebleven, waardoor [gedaagde] bekend wordt geacht te zijn met de algemene voorwaarden.
3.4
[naam] heeft namens [gedaagde] verweer gevoerd. Voor wat betreft de feitelijke gang van zaken voert hij aan dat hijzelf op 14 mei 2024 een medewerker van [gedaagde] heeft ingeschreven voor de betreffende cursus, welke medewerker tijdens de vakantie van [naam] in augustus 2024 heeft besloten om ontslag te nemen. Bij thuiskomst van vakantie op 28 augustus 2024 heeft [naam] meteen de betreffende cursus geannuleerd. De annulering was zes dagen voor de start van de opleiding. ROVC berichtte [naam] dat hij iemand anders naar de cursus kon sturen, maar [gedaagde] had geen geschikte werknemer die de cursus kon volgen en zelf had [naam] de cursus al gevolgd.
3.5
[gedaagde] is het er niet mee eens dat zij het cursusgeld moet betalen. Zij betwist dat de algemene voorwaarden van ROVC onderdeel zijn geworden van de overeenkomst en dat de voorwaarden ter hand zijn gesteld. Zij voert daartoe aan dat de inschrijving voor de opleiding telefonisch is bevestigd, dat er voorafgaand aan dit telefoongesprek geen algemene voorwaarden zijn toegestuurd en dat er ook niet is gezegd waar deze te vinden waren. [gedaagde] heeft de algemene voorwaarden bij het sluiten van deze overeenkomst dus niet ontvangen en ook niet kunnen accepteren. Dat er in het verleden door [gedaagde] wel eens opleidingsovereenkomsten zijn gesloten met ROVC waarop algemene voorwaarden van toepassing waren betekent niet automatisch dat dezelfde voorwaarden van toepassing zijn op deze overeenkomst. Tot slot voert [gedaagde] aan dat het niet redelijk is dat [gedaagde] de opleidingskosten moet betalen omdat de opleiding niet is gevolgd en ROVC niet heeft uitgelegd welke schade zij daadwerkelijk heeft geleden.
3.6
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De hoofdsom
4.1
Tussen partijen staat vast dat een opleidingsovereenkomst is gesloten. Tussen partijen staat ter discussie of de algemene voorwaarden van toepassing zijn op deze overeenkomst en of [gedaagde] ondanks de annulering van de cursus op 28 augustus 2024 gehouden is het cursusgeld te betalen.
4.2
Vaststaat dat de overeenkomst via de website van ROVC tot stand is gekomen en de kantonrechter neemt eveneens als vaststaand aan dat het zonder accorderen van de algemene voorwaarden niet mogelijk was om de inschrijving voor de cursus af te ronden en dus de overeenkomst aan te gaan. [gedaagde] heeft deze stelling van ROVC namelijk niet betwist. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat de inschrijving voor de opleiding telefonisch is bevestigd en dat voorafgaand aan dit telefoongesprek door ROVC geen algemene voorwaarden zijn toegestuurd aan [gedaagde], maar dit is niet relevant nu de overeenkomst tussen ROVC en [gedaagde] op dat moment al was gesloten. Het is voor de vraag of de algemene voorwaarden van toepassing zijn dan ook niet van belang of voorafgaand aan het telefoongesprek nog afzonderlijk algemene voorwaarden zijn toegezonden. Nu vaststaat dat de algemene voorwaarden in het online bestelproces geaccordeerd moesten worden voordat de inschrijving voor de cursus met de betalingsverplichting werd gesloten, zijn partijen de algemene voorwaarden op dat moment overeengekomen. Daarmee zijn deze dus van toepassing op de overeenkomst.
4.3
Voor zover [gedaagde] bedoelt een beroep te doen op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden omdat deze niet tijdig ter hand zouden zijn gesteld, is daarvoor onvoldoende gesteld. Uit het door ROVC toegelichte bestelproces dat is onderbouwd met tot de producties behorende printscreens blijkt namelijk dat er een hyperlink naar de algemene voorwaarden is geplaatst bij de verplichte accordering van de algemene voorwaarden. Hieruit volgt dat de algemene voorwaarden op dat moment (en dus voorafgaand of in ieder geval bij het sluiten van de digitale overeenkomst) online raadpleegbaar waren. De kantonrechter gaat ervan uit dat deze voorwaarden ook opgeslagen konden worden nu door [gedaagde] geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat dit anders is. Hieruit volgt dat de algemene voorwaarden tijdig, namelijk bij het sluiten van de overeenkomst, ter hand zijn gesteld waardoor een eventueel beroep op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden niet slaagt.
4.4
Volgens artikel 10.2 van de algemene voorwaarden had [gedaagde] tot uiterlijk twee weken voor de startdatum de gelegenheid om de cursus te kosteloos te annuleren. Nu de startdatum van de cursus 4 september 2024 was en de annulering op 28 augustus 2024 heeft plaatsgevonden, is dit te laat om kosteloos te kunnen annuleren en daarom moet [gedaagde] het cursusgeld betalen. Dat [gedaagde] de cursus door zijn vakantie niet eerder heeft kunnen annuleren en de cursus ook niet heeft gevolgd komt voor haar rekening en risico. Dit kan niet aan ROVC worden tegengeworpen. Hoewel de kantonrechter zich kan voorstellen dat het in de beleving van [gedaagde] niet redelijk is dat zij de cursus moet betalen terwijl ze deze heeft geannuleerd en niemand de cursus heeft gevolgd, heeft zij onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om een geslaagd beroep op de (juridische) redelijkheid en billijkheid te doen dat als gevolg zou hebben dat zij niet gehouden zou zijn om het cursusgeld te betalen. De kantonrechter zal het bedrag van € 2.171,95 aan hoofdsom toewijzen.
De bijkomende kosten
4.5
ROVC vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). ROVC heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. ROVC heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 325,79 worden toegewezen.
4.6
[gedaagde] heeft de factuur van 15 mei 2024 niet tijdig, binnen de betalingstermijn van 30 dagen, voldaan en op grond van artikel 6:119a lid 1 BW is [gedaagde] wegens vertraging in de voldoening van de geldsom van rechtswege de wettelijke handelsrente verschuldigd. Het door ROVC gevorderde bedrag aan handelsrente tot 21 augustus 2025 is iets te hoog berekend en daarom zal de kantonrechter de wettelijke handelsrente vanaf 16 juni 2024 over een bedrag van € 2.171,95 toewijzen. Vanaf die datum verkeert [gedaagde] immers in verzuim.
De proceskosten
4.7
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ROVC worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punt × € 253,00)
- nakosten
126,50
Totaal
1.268,85.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1
veroordeelt [gedaagde] om aan ROVC te betalen een bedrag van € 2.171,95 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van 16 juni 2024 tot de dag van volledige betaling;
5.2
veroordeelt [gedaagde] om aan ROVC te betalen een bedrag van € 325,79 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.268,85 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Hermsen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.