Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.[eiser 1] B.V.,
2.
[eiser 2] B.V.,
3.
[eiser 3] B.V.,
1.De zaak en het oordeel in het kort
2.De procedure
- de producties van [eisers];
- de producties van [gedaagde];
- de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [eisers];
- de pleitnota van [gedaagde].
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
totde ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst op 19 augustus 2022. De op 20 april 2026 gelegde beslagen waar het in deze procedure in kort geding om gaat, zijn gelegd ter zekerheid voor de vordering die zij in de (nieuwe) bodemprocedure heeft ingesteld en die ziet op een (gebruiks)vergoeding voor het gebruik van de bliklijn in de periode
naontbinding van de samenwerkingsovereenkomst. Die vordering is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad. Omdat het beslag op de € 650.000,- dient als zekerheid voor een andere vordering dan waarvoor zij beslagverlof vroeg, was die informatie ook niet van belang voor het oordeel van de voorzieningenrechter die het beslagverlof heeft verleend, aldus [gedaagde].
[eiser 2]gelegde bankbeslag in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd, maar zij lichten niet toe waaruit volgt dat eerstgenoemde vennootschap voor haar bedrijfsvoering afhankelijk is van de liquide middelen van de andere vennootschap
.De voorzieningenrechter gaat daarom aan dit belang voorbij.